In deze zaak stond centraal of het hof bij het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan een tot ongewenst vreemdeling verklaarde verdachte had moeten verifiëren of de terugkeerprocedure volgens de Terugkeerrichtlijn volledig was doorlopen. De verdediging stelde dat de Nederlandse overheid onvoldoende inspanningen had verricht om de verdachte te laten terugkeren, onder meer omdat de verdachte niet regelmatig was gepresenteerd bij de Algerijnse ambassade en onvoldoende onderzoek was gedaan naar zijn identiteit.
De Hoge Raad herhaalde zijn eerdere jurisprudentie dat het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in strijd is met de Terugkeerrichtlijn indien de stappen van de terugkeerprocedure niet zijn doorlopen. De terugkeerprocedure omvat een trapsgewijze verzwaring van maatregelen, beginnend met een termijn voor vrijwillig vertrek en eindigend met bewaring in een gespecialiseerd centrum, waarbij het beginsel van evenredigheid moet worden geëerbiedigd.
Het hof had vastgesteld dat de verdachte sinds 2004 meerdere aanzeggingen tot vertrek had ontvangen, dat er meerdere vertrekgesprekken waren gevoerd, dat de verdachte bij verschillende diplomatieke vertegenwoordigingen was gepresenteerd en dat hij meerdere malen in vreemdelingenbewaring was gesteld. Hoewel na 2010 geen nieuwe presentaties bij de Algerijnse autoriteiten plaatsvonden, oordeelde het hof dat Nederland voldoende inspanningen had geleverd en dat de terugkeerprocedure als doorlopen kon worden beschouwd.
De Hoge Raad vond dit oordeel niet onjuist of onvoldoende gemotiveerd en verwierp het cassatiemiddel. Daarmee werd bevestigd dat de strafoplegging niet in strijd was met de Terugkeerrichtlijn en dat het hof terecht een gevangenisstraf had opgelegd voor de bewezen verklaarde feiten.