Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van de middelen voor het overige
4.Beslissing
3 december 2013.
Hoge Raad
De zaak betreft een verdachte die op 17 december 2011 als vreemdeling in Nederland verbleef terwijl hij tot ongewenst vreemdeling was verklaard. De verdachte werd veroordeeld tot vijf maanden gevangenisstraf wegens overtreding van artikel 197 Sr Pro. De verdediging voerde aan dat de strafoplegging in strijd was met de Europese Terugkeerrichtlijn 2008/115/EG, omdat de terugkeerprocedure niet volledig zou zijn doorlopen.
De rechtbank en het hof oordeelden dat de verdachte op de hoogte was van zijn ongewenstverklaring en dat er voldoende inspanningen waren verricht om zijn vertrek te bewerkstelligen, waaronder meerdere vertrekgesprekken, pogingen tot presentatie bij de ambassade en plaatsingen in vreemdelingenbewaring. De Hoge Raad bevestigt dat het opleggen van een gevangenisstraf niet in strijd is met de Terugkeerrichtlijn indien de terugkeerprocedure is doorlopen.
De Hoge Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie en stelt dat de strafoplegging gerechtvaardigd is omdat de verdachte zonder geldige reden niet is vertrokken. Het cassatieberoep wordt verworpen omdat het hof geen onjuiste rechtsopvatting heeft gehanteerd en de motivering toereikend is.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de gevangenisstraf wegens verblijf na ongewenstverklaring blijft gehandhaafd.