Conclusie
1.De feiten en het procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
onder 1 en 2dat het bestreden oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting van art. 1:377a lid 3 BW, omdat het hof geen concrete omstandigheden heeft vastgesteld waaruit kan worden geconcludeerd dat een omgangsregeling ongewenst is. Het hof heeft niet voldaan aan zijn verzwaarde motiveringsplicht bij toepassing van deze ontzeggingsgrond, althans noemt het middel de door het hof gegeven motivering onbegrijpelijk.
De zware motiveringseis die uit de formulering van de ontzeggingsgronden voor het omgangsrecht voortvloeit, achten wij, gezien het fundamentele karakter van het omgangsrecht, redelijk.Bovendien wordt op deze wijze aan de ouder die het omgangsrecht is ontzegd, duidelijk gemaakt waarom hij of zij dit recht niet heeft. Nu in het kader van dit wetsontwerp een ontzegging van het recht op contact met het kind een zware inbreuk op het recht op eerbiediging van het gezinsleven van de ouder-niet-voogd betekent,
dient dit te gebeuren op grond van een duidelijke motivering.” [3]