Conclusie
1.Feiten en procesverloop
- I) voor recht verklaard dat thans verweerders sub 1, 2 en 3 eigenaar zijn van het litigieuze perceel,
- II) Esconado c.s. veroordeeld om medewerking te verlenen aan inschrijving van de door thans verweerders sub 1, 2 en 3 verkregen eigendom, en
- III) bepaald dat bij het langer dan veertien dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis uitblijven van de verzochte medewerking dit vonnis in de plaats gesteld kan worden van de ontbrekende medewerking, bij wijze van reële executie.
2.Bespreking van het cassatieberoep
eerste onderdeelbestempelt als rechtens onjuist althans onbegrijpelijk (i) de vaststelling van het hof dat het eindvonnis waarvan beroep in de plaats treedt van
een tot levering van een registergoed bestemde akte [3] , en (ii) de lezing van het vonnis als zou de rechtbank met haar beslissing onder III toepassing hebben willen geven aan het bepaalde in
artikel 3:300 lid 2 BW Pro. [4] Daartoe wordt aangevoerd dat nu naar het oordeel van de rechtbank [verweerders] eigenaar zijn geworden op grond van verkrijgende verjaring als bedoeld in artikel 3:105 BW Pro, het dictum sub III niet kan zien op een
rechtshandeling als bedoeld in artikel 3:300 BW Pro, maar enkel op een
feitelijkehandeling als bedoeld in artikel 3:299 lid 1 BW Pro.
tweede onderdeelklaagt dat het hof eraan voorbij ziet dat de regeling van artikel 3:301 lid 2 BW Pro slechts toepassing vindt indien de rechter heeft bepaald dat zijn uitspraak in de plaats treedt van (een deel van)
een tot levering van een registergoed bestemde akte. Het hof heeft miskend dat een zodanige akte voor de verkrijging van eigendom door verjaring niet vereist is en dat de reële executie zoals voorzien in het vonnis ertoe strekt dat dit vonnis in de plaats komt van de voor inschrijving op de voet van artikel 3:17 lid 1 aanhef Pro en onder i BW vereiste
mededeling van instemming met de inschrijvingals bedoeld in de artikelen 34 en 37 lid 1 aanhef en onder a Kadasterwet.
derde onderdeelberust op de lezing dat naar het oordeel van het hof de regel van artikel 3:301 lid 2 BW Pro, gelet op de aan de openbare registers te ontlenen rechtszekerheid, naar
analogiekan worden toegepast op de bepaling dat het vonnis in de plaats treedt van de ontbrekende medewerking aan inschrijving van de door verjaring verkregen eigendom. Het klaagt dat dit oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Daartoe wordt aangevoerd dat volgens vaste rechtspraak artikel 3:301 BW Pro een beperkte strekking heeft en er, gelet op de zware sanctie van niet-ontvankelijkheid, geen aanleiding bestaat om het toepassingsgebied uit te breiden tot het onderhavige, niet door de wettekst bestreken geval. Althans heeft het hof bij analogische toepassing miskend dat Esconado c.s. daarmee geen rekening hoefden te houden, aldus het onderdeel.
“worden door een bezitter te goeder trouw verkregen door een onafgebroken bezit van drie jaren”in artikel 3:99 BW Pro en bij extinctieve verjaring uit de bewoordingen “
Hij die een goed bezit op het tijdstip (…) verkrijgt dat goed (…)”in artikel 3:105 BW Pro.
mogelijkheidvan onjuistheid van de inschrijving in de openbare registers kunnen kennen. Ook dit zou een argument kunnen opleveren om artikel 3:301 lid 2 BW Pro analogisch toe te passen op de uitvoerbaar bij voorraad verklaarde gerechtelijke uitspraak die voorziet in de inschrijving in de openbare registers van een verkrijgende verjaring.
NJ2006/216 m.nt. HJS) heeft geoordeeld dat er gelet op de zware sanctie van niet-ontvankelijkheid die artikel 3:301 lid 2 stelt Pro op een verzuim van inschrijving onvoldoende aanleiding is om die bepaling, die een beperkte strekking heeft, uit te breiden tot een geval dat door de recentelijk tot stand gekomen wettekst niet wordt bestreken. In die zaak had de voorzieningenrechter bepaald dat het vonnis in de plaats trad van een akte, bestemd tot levering van een registergoed. Dit vonnis werd in hoger beroep vernietigd en de verlangde voorziening werd alsnog geweigerd. Tegen dit arrest werd vervolgens cassatie ingesteld zonder dat dit rechtsmiddel werd ingeschreven in de openbare registers. Ondanks dat het ingestelde cassatieberoep zou kunnen leiden tot vernietiging van het arrest van het hof en daarmee tot herleving van het vonnis van de voorzieningenrechter, waardoor verdedigbaar was dat naar de strekking van artikel 3:301 lid 2 BW Pro het rechtsmiddel had moeten worden ingeschreven, gaf Uw Raad doorslaggevend gewicht aan het argument dat geen sprake was van een uitspraak die naar de letter van artikel 3:301 lid 2 BW Pro diende te worden ingeschreven.