10. Het hof heeft als bewijsmiddel opgenomen de tegenover de politie afgelegde verklaring van de verdachte, onder meer inhoudende dat: - hij op 2 augustus 2013 bij de boot was wezen kijken; - de boot op die dag, zo begrijp ik, aan de Jupiterkade te Den Haag lag; - hij een dag later, op 3 augustus, de compagnon van zijn oom, van wie hij de naam niet wil noemen, bij de boot ontmoette; - deze compagnon toen de sleutel van de boot had; en - hij de boot toen contant heeft gekocht bij deze compagnon voor een bedrag van € 6.500,00 contant.
11. Voorts houdt de bewijsconstructie het volgende in: - op 6 augustus 2013 wordt aangifte gedaan van diefstal van de motorboot en de buitenboordmotor in de jachthaven van Aalsmeer; - - op 7 augustus 2013 treffen de verbalisanten de boot met buitenboordmotor aan in Ter Heijde. Dan blijkt dat de boot met buitenboordmotor van diefstal afkomstig is en volgt inbeslagname. Tijdens het optakelen komt de verdachte aanlopen en zegt hij tegen de verbalisanten dat hij eigenaar is; - volgens de aangever hebben zijn neefje en de havenmeester zijn boot nog op 3 en 4 augustus 2013 zien liggen; - de verdachte heeft noch de aankoopbon laten zien (of enig ander bewijsstuk voor de aankoop) noch gezegd wie dan wel de compagnon van zijn oom zou zijn.
12. Op grond van het vorengaande houd ik het ervoor dat het hof zich van wat ongelukkig gekozen bewoordingen heeft bediend en bedoeld heeft tot uitdrukking te brengen dat de verklaring van de verdachte als kennelijk leugenachtig dient te worden aangemerkt, welke kennelijke leugenachtigheid blijkt uit bewijsmiddel 7 (toegegeven, in dit verband niet het allersterkst denkbare bewijsmiddel), meer in het bijzonder voor zover deze verklaring inhoudt dat hij, de verdachte, de boot op 2 augustus 2013 aan de Jupiterkade te Den Haag was wezen bekijken en hij op 3 augustus 2013 de boot en de buitenboordmotor contant voor € 6.500,00 had gekocht van de compagnon van zijn oom. Dit impliciete oordeel van het hof acht ik niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd.
13. Daaruit volgt dat de verdachte deze kennelijk leugenachtige verklaring heeft afgelegd teneinde de waarheid te bemantelen. Bij die stand van zaken kan uit de bewijsconstructie worden afgeleid dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de goederen wel wist dat het door diefstal verkregen goederen betrof. Dat het hof spreekt in termen die doen denken aan een sterk verouderde en daarom onjuiste (Cicero-)formulering van het voorwaardelijk opzet, maakt dat niet anders; daar wil ik gelet op de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen nog wel overheen stappen. De klacht (b), die zich specifiek richt tegen de achterhaalde formulering van het voorwaardelijk opzet, laat ik dan ook verder buiten bespreking.
14. Ervan uitgaande dat het hof de verklaring van de verdachte als kennelijk leugenachtig aan het bewijs ten grondslag heeft gelegd, kan het weten in de zin van art. 416, eerste lid aanhef en onder a, Sr in relatie tot de diefstal uit de bewijsconstructie worden gedestilleerd.
15. De laatste klacht (c) van het eerste middel betreft de bewezenverklaarde pleegdatum en pleegplaats.
16. Ook als moet worden aangenomen dat de verdachte inderdaad niet (meer) op 7 augustus 2013 te Ter Heijde - maar op 6 augustus 2013 te Monster (bewijsmiddel b) - de goederen voorhanden had, meen ik dat de verdachte op dit punt geen belang heeft bij cassatie en terugwijzing, nu immers de tenlastelegging subsidiair tevens inhoudt dat de verdachte “omstreeks” 7 augustus 2013 en in de “gemeente Westland” de goederen voorhanden heeft gehad en de bewezenverklaring technisch eenvoudig in die zin kan worden aangepast zonder dat daardoor het feit zelf en de strafwaardigheid anders van inhoud worden; omstreeks 7 augustus omvat als bekend mede de datum van 6 augustus, terwijl Monster deel uitmaakt van de gemeente Westland.
17. Het eerste middel is tevergeefs voorgesteld.
18. Het
tweede middelklaagt dat het hof de verdachte een vrijheidsbenemende straf heeft opgelegd zonder in het bijzonder de redenen op te geven die tot de keuze voor die strafsoort hebben geleid.
19. Daarin kan ik het middel niet volgen. Het hof heeft de oplegging van de straf wel degelijk toereikend gemotiveerd. Ik citeer: