ECLI:NL:PHR:2016:68

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
8 januari 2016
Publicatiedatum
3 maart 2016
Zaaknummer
15/05309
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 350 lid 3 sub c FwArt. 80a lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussentijdse beëindiging schuldsaneringsregeling wegens schending informatieplicht en ongeoorloofde verhuizing

De rechtbank Amsterdam beëindigde de schuldsaneringsregeling van verzoekster tussentijds wegens niet-nakoming van verplichtingen, wat door het gerechtshof Amsterdam werd bekrachtigd. Verzoekster was zonder toestemming van de rechter-commissaris naar het buitenland verhuisd, waardoor zij haar informatieplicht jegens de bewindvoerder schond.

Het hof oordeelde dat verhuizing op zich geen zelfstandige grond is voor beëindiging, maar dat het ontbreken van toestemming en het niet informeren van de bewindvoerder ernstige tekortkomingen vormen. Verzoekster informeerde de bewindvoerder niet tijdig over haar verhuizing, salaris en zorgkosten, waardoor de controlerende taak van de bewindvoerder werd belemmerd.

Daarnaast ontstond een aanzienlijke boedelachterstand doordat verzoekster nieuwe schulden maakte door de duurdere verhuizing. Het hof vond dat deze tekortkomingen ernstig en verwijtbaar waren, waardoor alleen tussentijdse beëindiging van de regeling gerechtvaardigd was. De Hoge Raad concludeerde dat de klachten van verzoekster niet tot cassatie konden leiden en bevestigde het arrest van het hof.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling wegens schending van de informatieplicht en ongeoorloofde verhuizing.

Conclusie

15/05309
Mr. L. Timmerman
Zitting 8 januari 2016
Conclusie inzake:
[verzoekster]
verzoekster tot cassatie,
(hierna: ‘ [verzoekster] ’),
mr. P.J.Ph. Dietz de Loos.
1. De rechtbank Amsterdam heeft bij vonnis van 16 september 2015 de toepassing van de schuldsaneringsregeling op grond van artikel 350 lid 3 sub c van Pro de Faillissementswet (Fw) tussentijds beëindigd omdat [verzoekster] haar verplichtingen uit hoofde van de schuldsaneringsregeling niet is nagekomen.
2. Dit vonnis is bekrachtigd door het gerechtshof Amsterdam in zijn arrest van 10 november 2015. Het hof heeft daartoe het volgende overwogen:
Het hof is van oordeel dat [verzoekster] ernstig is tekort geschoten in meerdere uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. Ten eerste heeft [verzoekster] tegen de door de rechter-commissaris gegeven beslissingen op dit punt in ervoor gekozen om naar [woonplaats] te verhuizen om daar te gaan werken. Dit gedrag is op zichzelf reeds voldoende de schuldsanering ten aanzien van [verzoekster] tussentijds te beëindigen. Daarbij komt dat [verzoekster] voorts de bewindvoerder niet heeft geïnformeerd over de concrete verhuizing. Daarmee heeft [verzoekster] de in de schuldsaneringsregeling geldende informatieverplichting geschonden en de bewindvoerder verhinderd haar controlerende taak uit te oefenen.
[verzoekster] heeft vervolgens nagelaten de bewindvoerder (spontaan en tijdig) in kennis te stellen van onder andere haar salaris en de zorgkosten. Dit is wederom een ernstige schending van de informatieverplichting. De omstandigheid dat [verzoekster] inmiddels wel informatie aan de bewindvoerder heeft verschaft, leidt niet tot een ander oordeel. Door de verhuizing naar [woonplaats] heeft [verzoekster] voorts, naar zij zelf stelt, nieuwe schulden moeten maken, omdat deze verhuizing veel duurder uitviel dan het bedrag dat zij van haar nieuwe werkgever daarvoor vergoed kreeg. Onder andere doordat zij, naar [verzoekster] stelt, deze schuld moet aflossen, is er een boedelachterstand ontstaan. Deze boedelachterstand is door de bewindvoerder met de thans beschikbare gegevens berekend op € 9.853,25. Gezien de omvang van de achterstand in de boedelafdrachten, het nog steeds maandelijks oplopen van de boedelachterstand en het ontbreken van een concreet en haalbaar voorstel tot het inlopen van de boedelachterstand, is niet aannemelijk dat deze achterstand vóór het einde van de looptijd zal kunnen worden goedgemaakt, ook als de looptijd van de schuldsaneringsregeling wordt verlengd. Bovenomschreven tekortkomingen vormen voldoende aanwijzing dat bij [verzoekster] de van haar te vergen medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling ontbreekt.
De genoemde tekortkomingen, die niet als geringe tekortkoming buiten beschouwing kunnen blijven, zijn naar het oordeel van het hof zodanig ernstig en verwijtbaar, dat slechts de tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling gerechtvaardigd is.
3. [verzoekster] is van bovengenoemd arrest tijdig in cassatie gekomen. Het cassatiemiddel bestaat uit twee onderdelen.
Onderdeel 1komt er kort gezegd op neer dat het hof heeft miskend dat verhuizing naar het buitenland op zichzelf geen grond vormt voor tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling, zoals volgens het onderdeel a contrario valt af te leiden uit de uitspraak van de Rechtbank Groningen van 16 november 2000. [1] Dit onderdeel kan vanwege feitelijke onjuistheid niet tot cassatie leiden. Anders dan in het onderdeel wordt betoogd heeft het hof niet geoordeeld dat verhuizing naar [woonplaats] een zelfstandige grond voor beëindiging van de schuldsaneringsregeling vormt, maar de omstandigheid dat de verhuizing zonder toestemming van de rechter-commissaris plaatsvond. De beslissing van het hof rust verder op de omstandigheid dat [verzoekster] haar informatieverplichting niet is nagekomen. Van personen ten aanzien van wie de schuldsanering is uitgesproken mag worden verwacht dat zij zich tot het uiterste inspannen om te voldoen aan de daaraan verbonden verplichtingen (art. 350 lid Pro c Fw). Van de schuldenaar wordt dan ook verwacht dat hij zich zoveel mogelijk inspant om inkomsten te verwerven waarmee de schuldeisers kunnen worden voldaan. Het is vaste jurisprudentie dat het niet nakomen van deze verplichting tot beëindiging van de schuldsaneringsregeling kan leiden. [2] Het hof heeft uiteengezet waarom [verzoekster] daarin tekort is geschoten. Dit oordeel getuigt m.i. niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Voor zover het middel betoogt dat [verzoekster] in een later stadium alsnog aan de informatieverplichting heeft voldaan en bereid is de bewindvoerder in het vervolg per e-mail te informeren, kan dit evenmin tot cassatie leiden. Uit hetgeen het hof heeft overwogen blijkt immers dat het deze omstandigheid in zijn beslissing heeft betrokken.
4. In
onderdeel 2wordt aangevoerd dat het feit dat [verzoekster] in afwijking van de beslissing van de rechter-commissaris naar [woonplaats] is verhuisd haar niet tegengeworpen mag worden omdat deze verhuizing in het belang van de uitvoering van de schuldsaneringsregeling was. Dit onderdeel kan evenmin tot cassatie leiden. Uit de context van de overwegingen van het hof blijkt dat de omstandigheid [verzoekster] op [woonplaats] een iets hoger salaris verwerft dan zij in Nederland deed, in de beoordeling is betrokken maar niet opweegt tegen het feit dat [verzoekster] haar informatieplicht heeft verzaakt en dat de boedelschuld sinds de verhuizing aanzienlijk is opgelopen. Dit oordeel is niet onjuist en evenmin onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd.
5. De in cassatie geponeerde klachten kunnen klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden. Ik concludeer daarom tot toepassing van artikel 80a lid 1 RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Rechtbank Groningen 16 november 2000, ECLI:NL:RBGRO:2000:AF0391
2.Zie o.a.: HR 10 september 2010, LJN: BM7809; HR 22 december 2009, LJN: BK3576; HR 27 november 2009, LJN: BJ9941, RvdW 2009, 1416; HR 30 oktober 2009, LJN: BJ7840, RvdW 2009, 1276 en HR 11 juli 2008, LJN: BD3132, RvdW 2008, 745.