Conclusie
Defamation Act 2013(rov. 8.5). Partijen zijn er in hun aktes – met een beroep op door hen geraadpleegde deskundigen – (impliciet) vanuit gegaan dat (een deel van) de vorderingen van Dahabshiil enkel moeten worden beoordeeld aan de hand van het Engelse lasterrecht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van de wijzigingen krachtens de
Defamation Act 2013(hierna: het vóór 1 januari 2014 geldende lasterrecht), maar het hof houdt het voor mogelijk dat deze vorderingen (in ieder geval deels) moeten worden beoordeeld aan de hand van het Engelse recht van ná de inwerkingtreding van deze wijzigingen (rov. 8.5-8.6.3). Voorts heeft het hof in dat tussenarrest enige resultaten gepresenteerd van een door hemzelf met behulp van de zoekmachine
Googleuitgevoerd onderzoek omtrent de vraag of enkele van de in het petitum van de appeldagvaarding genoemde artikelen/afbeeldingen/hyperlinks ná 1 januari 2014 (nog immer) zijn gepubliceerd op de websites waarvoor [eiser] c.s. verantwoordelijkheid erkennen (rov. 8.7.1-8.7.2). Vervolgens heeft het hof, onder aanhouding van iedere verdere beslissing, partijen andermaal in de gelegenheid gesteld tot het nemen van een akte, teneinde (a) zich erover uit te laten of naar hun mening het ná 1 januari 2014 geldende lasterrecht (deels) toepasselijk is bij de beoordeling van (een aantal van) de vorderingen van Dahabshiil zoals het hof voor mogelijk houdt; (b) veronderstellenderwijs uitgaande van (gedeeltelijke) toepasselijkheid van het ná 1 januari 2014 geldende lasterrecht zoals het hof voor mogelijk houdt, hun stellingen toe te spitsen op deze (veronderstelde) toepasselijkheid voor de desbetreffende vorderingen; en (c) indien en voor zover de resultaten van het door het hof uitgevoerde onderzoek partijen daartoe aanleiding geeft, zich hierover uit te laten.
‘Somalia media accuses the UNDP and WHO’, voor zover in dit artikel de gewraakte koppen en/of beweringen en/of afbeeldingen voorkomen te verwijderen en verwijderd te houden van de website www.sunatimes.com en – zolang in voormeld artikel de gewraakte kopen en/of beweringen en/of afbeeldingen voorkomen – alle hyperlinks naar dit artikel van voormelde website te verwijderen en verwijderd te houden;
2.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdelen 1 t/m 6) is gericht tegen rov. 4.11.2 van het tussenarrest van 23 juli 2013, rov. 8.2 van het tussenarrest van 20 mei 2014 en rov. 12.2 van het eindarrest van 16 december 2014. Het hof heeft de rechtsoverwegingen van zijn arresten doorgenummerd, zodat ik in het vervolg van deze conclusie volsta met verwijzing naar het nummer van de desbetreffende rechtsoverweging zonder telkens het arrest te noemen waarin deze rechtsoverweging is opgenomen. In de bestreden rechtsoverwegingen heeft het hof als volgt overwogen, waarbij ik omwille van de leesbaarheid ook de niet bestreden rov. 4.11.1 en 4.12 citeer:
eDateen
Martinez [8] ontwikkelde regel inzake rechtsmacht voor schending van persoonlijkheidsrechten door op het internet geplaatste content analoog toegepast ter bepaling van het toepasselijke recht.
eDate, waarin het ging om de uitleg van art. 5 sub Pro 3 EEX-Vo in het geval van een beweerde schending van persoonlijkheidsrechten door op internet geplaatste contents. In deze prejudiciële beslissing heeft het HvJ erop gewezen dat de publicatie van een content op een website zich onderscheidt van de tot een bepaald gebied beperkte verspreiding van een medium als een drukwerk, doordat de content in beginsel overal tegelijk beschikbaar moet zijn. Het HvJ voegt daaraan toe dat een content door een onbepaald aantal internetgebruikers overal ter wereld onmiddellijk kan worden ingezien, ongeacht of de uitgever de bedoeling had dat hij buiten zijn lidstaat van vestiging beschikbaar zou zijn en zonder dat hij daar invloed op zou hebben (rov. 45). Voorts heeft het HvJ overwogen dat internet het nut van het verspreidingscriterium beperkt, omdat de reikwijdte van de verspreiding van contents via internet in beginsel wereldwijd is en het technisch niet altijd mogelijk is om die verspreiding met zekerheid en betrouwbaarheid voor een bepaalde lidstaat in cijfers uit te drukken, en dus evenmin om de uitsluitend in die lidstaat berokkende schade te evalueren (rov. 46). Het HvJ overweegt dat de gevolgen van een op internet geplaatste content voor de persoonlijkheidsrechten van een persoon het best kunnen worden beoordeeld door het gerecht van de plaats waar het beweerde slachtoffer het centrum van zijn belangen heeft (rov. 48). Het HvJ heeft vervolgens voor recht verklaard:
eDate.
lex loci damni), zorgt voor een billijk evenwicht tussen de belangen van de persoon die aansprakelijk wordt gesteld, en de persoon die schade lijdt, en ligt tevens in de lijn van de moderne opvatting van het aansprakelijkheidsrecht en van de ontwikkeling van stelsels van risicoaansprakelijkheid.
eDatebereikte oplossing onder art. 5 sub Pro 3 EEX-Vo. [17] Door toepassing te geven aan het recht van het land waar het centrum van de belangen van de benadeelde (Dahabshiil) ligt, wordt bereikt dat alle vorderingen door hetzelfde recht worden beheerst. Dit vergroot de voorspelbaarheid van rechterlijke beslissingen en biedt een redelijk evenwicht tussen de belangen van de aansprakelijk gestelde persoon en de persoon die schade lijdt (vgl. punt 16 van de considerans van Rome II). De aansprakelijk gestelde persoon zal in het algemeen bekend zijn met de gewone verblijfplaats of het centrum van de belangen van de benadeelde, terwijl de mozaïekbenadering voor het bepalen van het toepasselijke recht ingeval van diffamerende uitlatingen via het wereldwijde internet tot nauwelijks voorspelbare beslissingen zal leiden. In dit licht bezien, meen ik dat het hof met zijn oordeel dat de zinsnede ‘het recht van het land waar de schade zich voordoet’ van art. 4 lid 1 Rome Pro II in het kader van schending van eer en goede naam door op het internet geplaatste contents, op dezelfde wijze moet worden uitgelegd als de uitdrukking ‘plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen’ in de zin van art. 5 sub Pro 3 EEX-Vo, geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting noch zijn oordeel op dit punt onbegrijpelijk of onvoldoende heeft gemotiveerd. Onderdeel 1 faalt mitsdien.
mutatis mutandishetzelfde geldt onder art. 3 Wet Pro conflictenrecht onrechtmatige daad (WCOD) [18] .
onderdeel 7) richt zich tegen de hierboven onder 2.1 geciteerde rov. 4.12, alsmede tegen rov. 13.2, waarin het hof als volgt heeft geoordeeld:
eDatein het geval van – kort gezegd – gestelde onrechtmatige uitlatingen op websites, niet analoog van toepassing is op het bepalen van het toepasselijke recht op gestelde onrechtmatige uitlatingen in een e-mail, aldus het onderdeel.
lex fori), derhalve het Nederlandse recht. Vervolgens heeft het hof (ten overvloede) nog overwogen dat de gevorderde rectificatie per e-mail ook naar Engels recht een toewijsbare voorziening is. Tegen deze oordelen van het hof zijn in cassatie geen klachten gericht. Tegen die achtergrond doet niet ter zake de stelling van [eiser] dat een verzonden e-mail in principe niet wereldwijd raadpleegbaar is, maar slechts wordt gelezen door de ontvangers daarvan.