Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
3.Het geding in cassatie
4.Aftrekbare kosten eigen woning
Stb.1956, 623), de Algemene Weduwen- en Wezenwet (
Stb.1962, 239) en de Algemene Kinderbijslagwet;
BNB1982/175. [11] In die zaak had belanghebbende een hypothecaire lening afgesloten ten behoeve van een woning, tegen een vaste rente van 11 procent. Belanghebbende had verzocht om aanpassing dan wel vervanging van de lening, hetgeen door de hypotheekverstrekker werd geweigerd. Blijkens de hypotheekakte was vervroegde aflossing voor de expiratiedatum niet toegestaan, behoudens in geval van verkoop van het onderpand. Daarop heeft belanghebbende het onderpand (de woning) verkocht, een nieuwe (gunstigere) hypotheek afgesloten met een lager rentepercentage en onder meer de te betalen vijf procent overdrachtsbelasting (ad ƒ 10.000) in aftrek gebracht als kosten [12] betrekking hebbend op een geldlening als bedoeld in artikel 42a Wet IB 1964. Deze aftrek is echter door de inspecteur niet aanvaard.
BNB1982/175 dat de kosten van verkoop en terugkoop van de woning niet konden worden gerekend tot de ‘kosten van geldleningen’:
BNB1998/42 dat kosten verbonden aan het opnemen van contant geld via een creditcard niet zijn aan te merken als kosten van geldlening, indien deze kosten bij zowel een positief als negatief saldo in rekening worden gebracht.
5.Valutaresultaten op geldlening onder de deelnemingsvrijstelling
BNB1977/162 [24] had de belanghebbende een deelneming in een Italiaanse vennootschap, welke was gefinancierd met een lening in Amerikaanse dollars. In geschil was of een bij een gedeeltelijke aflossing van een lening geleden boekverlies kon worden gerekend tot de op de voet van (het toenmalige) artikel 13, lid 4, Wet Vpb 1969 in aftrek komende kosten. De Hoge Raad oordeelde dat valutaresultaten niet konden worden aangemerkt als kosten van deelneming:
BNB1977/162 merkte Nooteboom onder meer op:
BNB1977/162 niet onbesproken gebleven.
A-G Verburg gaf in zijn conclusie voor HR
BNB1994/273 in onderdeel 11 en 12 een overzicht van de literatuur omtrent dit arrest:
geldleningendie zijn aangegaan ter verwerving van een deelneming worden begrepen onder de kosten die verband houden met de deelneming:
6.Beschouwing
BNB1982/175 beslist dat voor aftrek alleen in aanmerking komen kosten die rechtstreeks samenhangen met het opnemen, verlengen of aflossen van de geldlening. [29]
BNB1977/162 besliste de Hoge Raad dat valutaresultaten behaald op een geldlening welke door een vennootschap werd aangegaan ter financiering van een deelneming, niet voldoende verband houden met de deelneming om te kunnen worden aangemerkt als deelnemingsresultaat. [30]