Conclusie
eerste middelklaagt dat het hof het beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, gebaseerd op – kort gezegd – mogelijke onvolledigheid van het procesdossier, op gronden die blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting, althans op ontoereikende gronden heeft verworpen.
tweede middelklaagt dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte, zoals onder 4 bewezen verklaard, een vuurwapen voorhanden heeft gehad.
derde middelklaagt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat verdachtes verweer dat het openbaar ministerie – kort gezegd – gelet op de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en de omstandigheden waaronder dit plaatsvond, in de vervolging niet-ontvankelijk moet worden verklaard, niet voldoet aan de eisen die artikel 413 SvNA Pro stelt, te weten dat duidelijk en gemotiveerd aan de hand van de in het zevende lid van die bepaling vermelde factoren wordt aangegeven tot welk in artikel 413 SvNA Pro omschreven rechtsgevolg zulks dient te leiden, zodat een met redenen omklede beslissing achterwege zal worden gelaten.
Er is op 11 september 2014 door gevangenispersoneel opgetreden in strijd met werkinstructies en anders dan in het bedrijfsnoodplan voorzien. Het is niet aan de Raad om zich uit te laten over de vraag of dit ten aanzien van betrokkenen tot maatregelen zou moeten leiden. De Raad hecht er niettemin aan om er op te wijzen, dat het handelen en nalaten op 11 september 2014 waarschijnlijk niet sterk afweek van ,de praktijk die in een lange periode voorafgaand aan 11 september 2014 is ingesleten.