Conclusie
1.Feiten
“het gezamenlijk ten behoeve van en voor rekening van de individuele leden afzonderlijk plaatsen van orders, het doen produceren van meubelen en woningtextielzaken (…).”[verweerster] was lid van IMG.
“dat het bestuur ertoe neigt om in geval van een juridische procedure over te gaan tot ontzetting uit het lidmaatschap van u en/of [verweerster]”
“(…) dat van ons als vereniging redelijkerwijs niet kan worden gevergd het lidmaatschap langer te laten voortduren (…)”IMG voerde vier gronden aan die volgens haar zowel ieder voor zich als gezamenlijk tot dat standpunt leidden, te weten:
2.Procesverloop
“Art 2:8 lid 2 bevat Pro een toepassing van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. Het stemt wat dit betreft overeen met de leden 2 van art. 6:2 en Pro 6:248. Het is vooral van belang omdat art. 2:15, anders dan art. 11 (oud), niet de mogelijkheid kent van een beroep op vernietigbaarheid van een onbillijk werkend besluit bij wijze van verweer (....)”(MvT, Kamerstukken II 17 725, nr. 1-3, p. 58).
“Daarnaast dient u er rekening mee te honden, dat het bestuur er toe neigt om in geval van een juridische procedure over te gaan tot ontzetting uit het lidmaatschap van u en/of [verweerster]”- in welke zinsnede wordt gedoeld op de discussie tussen [A] en Euretco over de koopprijs voor de door [A] overgedragen 60% van de aandelen MKB BV - laat daarover geen twijfel bestaan. In het licht van voormelde productie heeft IMG haar betwisting van die andere motieven onvoldoende gemotiveerd betwist.
‘haar stelling dat IMG in strijd met art. 2:8 BW Pro heeft gehandeld althans onrechtmatig heeft gehandeld, dan ook onvoldoende feitelijk (heeft) onderbouwd’. Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en de in hoger beroep gewijzigde vordering II toewijzen als in het dictum nader aan te geven.
3.Inleiding
4.Bespreking van de principale klachten
onderdelen 1.3, 1.4en
1.7kanten zich tegen rov. 3.4.4-3.4.6; voor
onderdeel 1.7is niet helemaal duidelijk tegen welke rechtsoverweging(en) het is gericht. Ze berusten op de onjuiste veronderstelling dat ’s Hofs oordeel aldus moet worden begrepen dat de
uitvoeringvan het opzeggingsbesluit in strijd was met art. 2:8 lid 1 BW Pro en daarmee onrechtmatig is. ’s Hofs oordeel ziet niet op de uitvoering van het opzeggingsbesluit, maar op het opzeggingsbesluit zelf. [19] Deze klachten ontberen dus feitelijke grondslag.
onderdelen 1.5en
1.6voeren aan - kort gezegd - dat het Hof door zijn oordeel te baseren op art. 2:8 lid 1 BW Pro [20] buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden of een onbegrijpelijke uitleg aan de gedingstukken heeft gegeven. [verweerster] heeft zich volgens IMG in hoger beroep enkel op het standpunt gesteld dat het opzeggingsbesluit onrechtmatig is, omdat gehoudenheid daaraan op grond van art. 2:8 lid 2 BW Pro naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.
onderdeel 1.6tot uitdrukking wil brengen dat het Hof in de stellingen van [verweerster] geen koppeling met art. 2:8 lid 1 BW Pro heeft kunnen lezen, wordt eraan voorbijgezien dat uit de mva onder 32 valt op te maken dat IMG (voldoende) duidelijk was dat die koppeling wél werd gelegd.
onderdelen 2.2 – 2.4komen er naar de kennelijke strekking – kort samengevat – op neer dat het Hof onvoldoende aandacht heeft gehad voor de verschillende opzeggingsgronden.
onderdelen 2.2, 2.3en
2.4slagen.
onderdeel 2.5meent, heeft het Hof in rov. 3.1.1 onder c niet geoordeeld dat [verweerster] volgens opzeggingsgrond (1) nog geen lid was van Masterclass. Evenmin heeft het Hof geoordeeld dat de aangedragen opzeggingsgronden in het licht van de 18 maart-brief ongeloofwaardig waren (
onderdeel 2.6).
onderdeel 3vrucht.
5.Behandeling van de incidentele klachten
eerste onderdeel(genummerd 2.1 - 3) is gericht tegen rov. 3.4.3; het wordt ingesteld onder de voorwaarde dat het principale cassatieberoep op één of meer onderdelen slaagt. Aan die voorwaarde is m.i. voldaan.
onder 2.2mist zelfstandige betekenis en moet het lot van haar voorganger delen.
klacht onder 3.1(hetgeen daaraan voorafgaat behelst een inleiding) is gekant tegen rov. 3.4.5; zij wordt onvoorwaardelijk voorgesteld. [verweerster] voert aan dat in rov. 3.4.5 besloten ligt dat IMG misbruik heeft gemaakt van haar opzeggingsbevoegdheid, omdat zij deze bevoegdheid heeft gebruikt voor een ander doel dan waarvoor deze is gegeven. In het licht daarvan zou onjuist, althans zonder nadere motivering, die ontbreekt onbegrijpelijk zijn dat het Hof in rov. 3.4.6 vervolgens heeft beslist dat de opzegging van het lidmaatschap klaarblijkelijk wel toelaatbaar is met inachtneming van een termijn van tenminste een half jaar voor de overgang naar een situatie waarin [verweerster] haar onderneming niet meer onder het verband van IMG kan voeren. De klacht waaiert uit in een aantal subklachten die m.i. niet veel toevoegen.
niet zonder meer toereikend isen dat het
zeer wel denkbaar isdat de termijn langer moet zijn); zij doet geen beroep op nuttige stellingen die het Hof enig aanknopingspunt boden voor een ander oordeel. Een partij die zelf geen enkel concreet inzicht biedt in de beweerde schade en die zelfs geen bewijsaanbod doet (in elk geval wordt daarop geen beroep gedaan) kan zich er moeilijk over beklagen dat de rechter met zijn handen in het haar zit. Een rechter moet dan een knoop doorhakken. [26] Bovendien miskent het onderdeel andermaal hetgeen onder 5.8 werd opgemerkt.
bezemklacht onder 4ontbeert zelfstandige betekenis en wordt meegezogen in de val van haar voorgangers.