Conclusie
(hierna Vrebamel)
(hierna de Staat)
1.Procesverloop
2.Inleiding
* summierlijk is gebleken van een openstaand bedrag van ruim zes miljoen euro op naam van Vrebamel inzake “superheffingen” die door het Productschap Zuivel zijn opgelegd,
* summierlijk is gebleken van een steunvordering van de Rabobank,
* Vrebamel zich – ten tijde van het wijzen van de bestreden beschikking – in een toestand bevond waarin zij had opgehouden te betalen en
Onze Minister:Onze Minister van Economische Zaken.
onder algemene titel over op de staat zonder dat daarvoor een akte of betekening nodig is.
(…)
3. Onze Minister is bevoegd alle rechtshandelingen te verrichten met het oog op de vereffening van het vermogen van een bedrijfslichaam, waaronder het vervreemden van onroerende en roerende zaken en het voldoen en innen van vorderingen.
2. Onze Minister treedt voorts in de plaats van de bedrijfslichamen in wettelijke procedures en rechtsgedingen die aanvangen na het tijdstip van inwerkingtreding van artikel II, onderdeel D, van deze wet.
"§ 3.3. Vereffening
"Artikel XXXIX(…) Op grond van het derde lid is de Minister bevoegd alle nodige rechtshandelingen te verrichten met het oog op de vereffening. De meest voorkomende worden in het artikel genoemd, zoals het voldoen en innen van vorderingen. (…)Degene die een civiele procedure aanhangig wil maken in verband met een aangelegenheid die betrekking heeft op het vermogen van het bedrijfslichaam (…) moet na de opheffing van de bedrijfslichamen zijn vordering instellen tegen de Minister, die immers vereffenaar van het vermogen van de bedrijfslichamen is. Die vordering moet, indien die wordt toegewezen, uiteraard uit het vermogen van het desbetreffende schap worden voldaan. Omgekeerd kan ook de Minister ten behoeve van het vermogen van een schap rechtsvorderingen tegen derden instellen. (…)"
3.Bespreking van de klachten
legitima persona standi in iudicio). Procesbevoegdheid is de bevoegdheid om als formele procespartij in een civiele procedure op te treden.
NJ1984/297 (
Van der Peijl/De minister van O&W): [4]
mogelijkheidvan een uitzondering is immer aanvaard in het hiervoor geciteerde arrest NJ 1984/297 (
Van der Peijl/De minister van O&W).
buitenwettelijke uitzonderingis in de rechtspraak van de Hoge Raad aanvaard in het geval het aannemen van procesbevoegdheid voor een orgaan of entiteit noodzakelijk is voor een effectieve rechtsbescherming. Op grond van dit argument is in HR 3 december 1993, NJ 1994/375 (
Staat/Medezeggenschapsraad Van Hall Instituut) procesbevoegdheid aangenomen voor een medezeggenschapsraad. [9] De Hoge Raad overwoog als volgt:
Het middel kan niet tot cassatie leiden, aangezien het hof terecht heeft aangenomen dat de Medezeggenschapsraad bevoegd is om het onderhavige geschil voor te leggen aan de burgerlijke rechter. De regel dat, afgezien van bijzondere wettelijke regelingen, in beginsel alleen natuurlijke personen en rechtspersonen als partij in een burgerlijk geding kunnen optreden, laat ruimte voor uitzonderingen (HR 25 november 1983, NJ 1984, 297). Een dergelijke uitzondering moet worden aanvaard voor gevallen waarin, zoals hier, tussen een ingevolge art. 59 WHBO Pro opgerichte medezeggenschapsraad en het bevoegde gezag een geschil bestaat dat de naleving van de verplichtingen van het bevoegd gezag jegens de medezeggenschapsraad tot inzet heeft. Het afsnijden van de weg naar de burgerlijke rechter zou, gelet op het belang van eerbiediging van de aan medezeggenschapsraden toekomende bevoegdheden, de beperkte reikwijdte van de in art. 65 WHBO Pro neergelegde geschillenregeling en het in deze regeling ontbreken van de mogelijkheid voor een medezeggenschapsraad om zelf een geschil bij de geschillencommissie aanhangig te maken, een niet aanvaardbaar gebrek aan rechtsbescherming betekenen."
Staat/Medezeggenschapsraad Van Hall Instituut- het bereiken van effectieve rechtsbescherming - is in de lagere rechtspraak procesbevoegdheid aangenomen voor de ondernemingsraad, in gevallen die niet beslagen worden door de expliciet in de wet toegekende procesbevoegdheden van de ondernemingsraad. [10]
wettelijke uitzonderingenop de hoofdregel kunnen in de eerste plaats worden genoemd de preconstitutieve en de verlengde procesbevoegdheid van natuurlijke personen (het ongeboren kind op grond van art. 1:2 BW Pro, het voortzetten van een procedure op naam van een overledene op grond van art. 254 Rv Pro) en rechtspersonen (de ontbonden vennootschap op grond van art. 2:19 BW Pro). Een tweede categorie wettelijke (of verdragsrechtelijke [11] ) uitzonderingen wordt gevormd door entiteiten die geen rechtspersoon zijn, maar wel een afgescheiden vermogen hebben, zoals de vennootschap onder firma en de commanditaire vennootschap. Ook zij kunnen zelfstandig als procespartij optreden (dit wordt afgeleid uit art. 45 lid 3 sub d Rv Pro en art. 51 lid 1 Rv Pro).
Daarnaast zijn er enkele specifieke uitzonderingen waarin de wet een bepaald orgaan procesbevoegdheid toekent. Te noemen zijn het Openbaar Ministerie (onder meer in art. 1 lid 2 Fw Pro), de Ondernemingsraad (art. 26 en Pro 36 Wet op de Ondernemingsraden) en de Ontvanger. De procesbevoegdheid van de Ontvanger berust op art. 3 lid 2 Invorderingswet Pro, dat het volgende bepaalt: "
In alle rechtsgedingen voortvloeiende uit de uitoefening van zijn taak treedt de ontvanger als zodanig in rechte op." Cruciaal in deze bepaling zijn de woorden '
als zodanig': precies daarin ligt besloten dat de Ontvanger zélf procesbevoegdheid toekomt.
De bevoegdheid van de Ontvanger om zelf als procespartij op te treden strekt zich overigens ook uit buiten gevallen bestreden door art. 3 lid 2 Invorderingswet Pro; de Ontvanger is ook bevoegd in civilibus te procederen op grond van onrechtmatige daad. [12]
Staat/Diepeveen) geoordeeld dat de minister géén procesbevoegdheid toekwam op grond van art. 8 lid 2 Kostwinners Pro-vergoedingsbesluit-militairen. [13] In die bepaling was weliswaar opgenomen: “
Terugvordering in rechte heeft plaats, hetzij door de minister, hetzij door de burgemeester na verkregen machtiging van de minister”, maar dat betekent niet dat de minister in een terugvorderingsprocedure in rechte als procespartij dient op te treden. De Hoge Raad overwoog dat door deze bepaling de minister slechts is aangewezen als “
het orgaan dat bij het voeren van het rechtsgeding voor de Staat optreedt” en “
dat uit die bepaling in het bijzonder niet kan worden afgeleid dat naar de bedoeling van besluitgever de betreffende rechtsvordering anders dan door en ten name van de Staat zou moeten worden ingesteld”.
Rauwerda/Staat) dat de Inspecteur van de Volksgezondheid geen procesbevoegdheid toekomt. [15] Een uitzondering op de hoofdregel, overeenkomstig NJ 1984/297, kan niet worden aanvaard op grond van de enkele omstandigheid dat aan de Inspecteurs van het Staatstoezicht op de Volksgezondheid 'beleidsvrijheid' toekomt, zo werd overwogen.
Eprom/Politie en Korpschef) werd daartoe als volgt overwogen: [16]
Als orgaan van een rechtspersoon mist de korpschef in beginsel de bevoegdheid om zelfstandig in het burgerlijk geding als partij op te treden. Die bevoegdheid is hem niet verleend in art. 27 lid 2 Politiewet Pro 2012, dat bepaalt dat de korpschef de politie in en buiten rechte vertegenwoordigt. Deze bepaling betreft immers slechts de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de korpschef."
Staat/[…]). Daarin werd beslist dat uit de totstandkomingsgeschiedenis van art. 52a lid 4 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) – waarin is opgenomen dat het artikel onverlet laat de mogelijkheid voor de inspecteur om een procedure aanhangig te maken bij de burgerlijke rechter strekkende tot een veroordeling tot nakoming van de verplichtingen voortvloeiende uit deze wet – niet blijkt dat de wetgever heeft beoogd om in afwijking van de hoofdregel een exclusieve procesbevoegdheid van de inspecteur te scheppen. [17] In de conclusie van A-G Wattel, waarnaar de HR verwijst, is onder punt 10.9 vermeld dat die totstandskomingsgeschiedenis expliciet vermeldt dat art. 52a lid 4 AWR niets verandert aan de bestaande mogelijkheden die de Belastingdienst heeft om zich tot de burgerlijke rechter te wenden.
procesbevoegdheid toekent aan het orgaan of de entiteit. Met de aanwijzing wordt het orgaan of de entiteit slechts aangewezen als 'procesvertegenwoordiger' en is het vertegenwoordigingsbevoegd. Maar het zijn van procesvertegenwoordiger leidt op zichzelf niet tot procesbevoegdheid.
Vergelijk Cleveringa die reeds in 1949, na opgemerkt te hebben dat degenen die willen procederen over een handeling van een specifieke officier van justitie de keuze hebben om óf de staat óf de natuurlijk persoon – en dus niet: “de officier van justitie bij de arrondissementsrechtbank te B” – op te roepen, schrijft: [18]
De Rb. leest in art. 8 van Pro het toepasselijke KB een aanwijzing van de Minister van Defensie als 'formele partij' voor de terugvordering van de teveel betaalde kostwinnersvergoeding ten behoeve van de Staat. De HR ziet daarentegen in die bepaling niet meer dan een aanwijzing als 'procesvertegenwoordiger'. (...)Het optreden van de Minister voor de Staat bij het voeren van het rechtsgeding houdt in, dat hij de opdracht aan de procureur geeft. Zijn ambtelijke hoedanigheid mag, al dan niet tezamen met zijn naam, in de dagvaarding worden genoemd, mits de in art. 51 e Rv genoemde gegevens betreffende de Staat daarin tevens te vinden zijn en duidelijk blijkt, dat de zaak de Staat aangaat (...).Voorts is de Minister in beginsel verplicht persoonlijk te verschijnen, indien de wet een processuele verrichting van de partij zelf eist."
Uitgangspunt is dat de Minister beschikkingsbevoegd is met betrekking tot de vermogensbestanddelen van de opgeheven bedrijfslichamen, zulks in aansluiting op zijn aanwijzing als vereffenaar van het vermogen van de bedrijfslichamen. Dat het de Minister is die beschikkingsbevoegd is, is expliciet opgenomen in de memorie van toelichting. [22] Hoewel de Staat op grond van art. XXXVII van de Wet opheffing bedrijfslichamen eigenaar is geworden van de vermogensbestanddelen van de bedrijfsschappen, is het dus niet de Staat aan wie die beschikkingsbevoegd toekomt.
Dat de Minister beschikkingsbevoegd is, zegt op zichzelf echter niets over de vraag of de Minister
procesbevoegdheid heeft in de onderhavige procedure. Daarvoor is vereist dat de wet hem de hoedanigheid van
formele procespartijtoekent. Dat is niet het geval. Weliswaar bepaalt art. XXXIX lid 4 van de Wet opheffing bedrijfslichamen dat rechtsvorderingen die betrekking hebben op rechten of verplichtingen die behoren tot het vermogen van het bedrijfslichaam, worden ingesteld door 'Onze Minister'. Anders dan in art. 3 lid 2 Invorderingswet Pro is echter niet vermeld 'Onze Minister
als zodanig'. Ook anderszins is in de bepaling niets opgenomen waaruit is af te leiden dat de Minister zelfstandig in rechte zou kunnen optreden. Uit art. XXXIX blijkt dan ook niet duidelijk dat méér bedoeld is dan aan te geven dat de Minister beschikkingsbevoegd is met betrekking tot (het instellen van) deze rechtsvorderingen, zulks in aansluiting op lid 3 van art. XXXIX.
Dat niet bedoeld is de Minister procesbevoegdheid toe te kennen, wordt bevestigd door de toevoeging in lid 4 van art. XXXIX, dat de daar bedoelde rechtsvorderingen moeten worden ingesteld
tegende staat. Als beoogd zou zijn geweest om de Minister procesbevoegdheid toe te kennen, zou het immers logisch zijn geweest dat
tegen hemook rechtsvorderingen zouden kunnen worden ingesteld.
De parlementaire geschiedenis bij art. XXXIX lid 4 wijst niet duidelijk een andere kant op, in die zin dat daaruit zou blijken dat wel beoogd zou zijn de Minister aan te wijzen als formele procespartij. In de memorie van toelichting is vermeld dat de Minister ten behoeve van het vermogen van een schap rechtsvorderingen tegen derden kan instellen (zie de passage op p. 29, aangehaald onder punt 2.5 van deze conclusie). Maar hieruit is niet af te leiden dat de Minister dit
als zodanig,
zelfstandig, zou kunnen doen. Verder is in de memorie van toelichting te lezen dat degene die een civiele procedure aanhangig wil maken in verband met een aangelegenheid die betrekking heeft op het vermogen van een bedrijfslichaam, die vordering moet instellen tegen de Minister. Die passage moet echter op een vergissing berusten, aangezien in de wettekst iets anders is vermeld.
onder I.2dat het hof met het oordeel dat de Staat ‘rechthebbende’ is op de vordering heeft miskend dat de Minister op grond van artikel XXXIX de exclusieve bevoegdheid is toebedeeld om in zijn hoedanigheid van vereffenaar de vordering te incasseren.
namensde Staat de vordering kan innen.
tweede onderdeelis voorgesteld voor zover moet worden aangenomen dat de Minister in de onderhavige zaak toch
namensde Staat de (gestelde) vorderingen kan innen. Het onderdeel klaagt dat het oordeel van het hof in rov. 3.6.1 dat de Minister blijkens de aanhef van het verzoek in eerste aanleg en in hoger beroep ook namens de Staat heeft opgetreden, van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, althans onbegrijpelijk is. Dit omdat uit de aanhef van de gedingstukken van de Staat niet anders kan worden afgeleid dan dat het de Staat is die deze verzoeken heeft ingediend. Dat de Staat de verzoeken heeft ingediend, heeft het hof zelf ook aangenomen in rov. 2.1, in de eerste volzin van rov. 3.6.1 en in rov. 3.7. Met zijn kennelijke oordeel dat de verzoeken in de onderhavige zaak zijn ingediend namens de Staat, is het hof bovendien buiten het partijdebat getreden en heeft het een ontoelaatbare verrassingsbeslissing gegeven.
Erkend kan worden dat in de processtukken van de Staat niet heel duidelijk naar voren komt dat het de Minister is aan wie op grond van de Wet opheffing bedrijfslichamen de bevoegdheid toekomt om de vorderingen op Vrebamel te innen en dat de Staat (slechts) optreedt als formele procespartij. Steeds wordt namelijk gesproken over vorderingen
vande Staat op Vrebamel. Nu in de processtukken - althans in het appelschrift - ook te lezen is dat de Minister bevoegd is alle rechtshandelingen te verrichten met het oog op de vereffening van het vermogen van het bedrijfslichaam, [23] is voldoende duidelijk dat de Staat zich op het standpunt stelde dat de Minister beschikkingsbevoegd is met betrekking tot de vorderingen op Vrebamel, maar de Staat als procespartij optreedt omdat de Minister geen procesbevoegdheid heeft. Hoe dit ook zij, nu de rechter ambtshalve dient te beoordelen of een partij procesbevoegdheid heeft, is niet relevant of het hof ‘buiten het partijdebat is getreden'.
derde onderdeelheeft geen zelfstandige betekenis en faalt eveneens.