Conclusie
1.Feiten en procesverloop
IN AANMERKING NEMENDE DAT:
Ontbinding
in conventievoor afwijzing gereed liggen (rov 4.18). Daartoe heeft zij overwogen dat de gronden na mei 2009 fiscaal bouwrijp waren in de zin van art. 2.3 van de grondverkoopovereenkomst, zodat Distriport CV reeds vanaf juni 2009 gehouden was aan de (terug)levering van de gronden mee te werken (rov. 4.4-4.8). Voorts heeft zij overwogen dat de Provincie geen voorstellen behoeft te accorderen waarin van haar een financiële inbreng wordt verlangd naast de borgstelling en dat, aangezien Distriport c.s. geen concrete voorstellen hebben gedaan die in de aldus beperkte rol van de Provincie voorzien, geen sprake is van een situatie waarin de Provincie op onredelijke gronden goedkeuring heeft onthouden (rov. 4.9-4.16). Dat leidt ertoe dat geen sprake is van een tekortkoming aan de zijde van de Provincie en evenmin van toerekenbaar onrechtmatig handelen, maar wel van een toerekenbare tekortkoming aan de zijde van Distriport CV. De Provincie heeft de grondverkoopovereenkomst daarmee op rechtsgeldige wijze ontbonden (rov. 4.17).
in reconventieheeft de rechtbank hieraan nog toegevoegd dat voor de teruglevering van de gronden toereikende financiering aanwezig moest zijn, die niet mogelijk is gebleken, zodat de gronden niet kunnen worden teruggeleverd. Voor ontbinding van het Afsprakenkader op grond van de samenhang met de overige overeenkomsten zonder dat sprake is van enige tekortkoming in de nakoming van de bepalingen van het Afsprakenkader, bestaat volgens de rechtbank dan ook geen aanleiding (rov. 4.24). De verklaring voor recht dat de art. 3 en Pro 4 van het Afsprakenkader niet zijn ontbonden, zal derhalve worden toegewezen (rov. 4.25). Distriport CV en beherend vennoot Distriport BV zijn volgens de rechtbank hoofdelijk aansprakelijk voor de gevorderde schade uit hoofde van de tekortkoming in de nakoming (rov. 4.27). Ten aanzien van de in reconventie gevorderde schadevergoeding en betaling van een voorschot met betrekking tot de beweerdelijk commanditaire vennoten Zeeman Vastgoed oud en [A] heeft de rechtbank overwogen dat daarover zal worden beslist nadat de Provincie in de gelegenheid is gesteld om de CV-oprichtingsakte in het geding te brengen en om een toelichting te geven op het gevorderde voorschot (rov. 4.32 en 4.35). Daarbij heeft zij wel reeds geoordeeld dat indien Zeeman Vastgoed oud en [A] zijn opgetreden als commandiet, zij door het leggen van conservatoir leveringsbeslag onder de provincie een beheersdaad hebben verricht, hetgeen op de voet van art. 21 WvK Pro meebrengt dat zij in dat geval hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door de Provincie gevorderde schade uit hoofde van de tekortkoming in de nakoming (rov. 4.30). Voor het aannemen van aansprakelijkheid van deze partijen uit hoofde van onrechtmatig handelen in hun hoedanigheid van bestuurder van Distriport BV bestaat volgens de rechtbank geen reden (rov. 4.31). De rechtbank heeft bij haar tussenvonnis van 2 mei 2012 iedere (verdere) beslissing aangehouden.
primair, afwijzing van de reconventionele vorderingen van de Provincie met uitzondering van die onder (4), of
subsidiair, toewijzing zonder het arrest uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, althans aan de uitvoerbaarverklaring de voorwaarde te verbinden tot zekerstelling.
in conventie, tot afwijzing van het gevorderde, en
in reconventie, tot hoofdelijke veroordeling van [A] in de door haar gevorderde schade uit hoofde van tekortkoming in de nakoming althans onrechtmatig handelen en tot hoofdelijke veroordeling Distriport c.s. tot betaling van een voorschot ter grootte van € 13.885.471,71 exclusief BTW, althans € 2.289.249,39 exclusief BTW, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 juni 2012, en voorts tot bekrachtiging van de bestreden vonnissen in eerste aanleg. Haar incidentele grieven zien op de afwijzing van de aansprakelijkheid van Zeeman Vastgoed oud en [A] uit hoofde van onrechtmatig handelen, op het oordeel dat de commanditaire vennootschap die op 24 juni 2009 tot stand is gekomen als contractspartij van de Provincie heeft te gelden en dat [A] hierin niet als commanditair vennoot heeft te gelden en derhalve niet aansprakelijk is uit dien hoofde, en op de afwijzing van haar vordering tot betaling van een voorschot.
2.Bespreking van het principale cassatieberoep
“klachten”), die elk uit verschillende subonderdelen bestaan.
nietde voorwaarde gold dat Distriport c.s. externe financiering had verkregen en goedkeuring daarvan door de Provincie, welke voorwaarde ten tijde van de ontbinding niet zou zijn vervuld, zodat Distriport c.s. niet in verzuim zouden kunnen zijn, en welke voorwaarde aan de Provincie in verband met de ontbinding zou kunnen worden tegengeworpen dan wel zou leiden tot tekortschieten van de Provincie in haar verplichting om haar goedkeuring niet op onredelijke gronden te weigeren, of tot schuldeisersverzuim. De bestreden rechtsoverwegingen luiden als volgt:
(b) Financiering
Het ontwikkelingsbedrijf [hof: NHN] zal met geld van de Provincie partij worden in het samenwerkingsverband.”
Voorgesteld wordt om als Provincie mee te financieren in het project en hierover op korte termijn intentionele afspraken te maken met de andere betrokken partijen.”
De Provincie is er altijd van de op de hoogte geweest dat NHN (...) voor 1/3 deel zou participeren in de B.V./C.V. De Provincie was ook bij de ondertekening van de desbetreffende overeenkomsten aanwezig. Dat lag ook voor de hand, nu NHN de facto de positie innam die oorspronkelijk voor de Provincie zelf bedoeld was. NHN is er later “tussengeschoven”. Daarmee kwam op de Provincie de verplichting te rusten om NHN te funden voor zover nodig om NHN haar verplichtingen na te kunnen laten komen. De provincie wist als 50% aandeelhouder dat NHN zelf niet over middelen beschikte om Distriport te funden.”
“door Distriport c.s. bedoelde tweede voorwaarde behelst”. [10] Nu de Provincie deze uitleg van dit oordeel niet heeft bestreden, had het hof niet, althans niet zonder meer van deze uitleg mogen afwijken.
nietook de art. 3 en Pro 4 van het Afsprakenkader (door de buitengerechtelijke ontbindingsverklaring van 24 juni 2011 van Distriport c.s.) zijn ontbonden. Dit laatste zou volgens Distriport c.s. het geval zijn omdat tussen Afsprakenkader en grondverkoopovereenkomst een zodanig onverbrekelijk samenhang bestaat dat (partiële) ontbinding van de grondverkoopovereenkomst (partiële) ontbinding van het Afsprakenkader met zich brengt (zie de rov. 4.22-4.23; volgens de - hierboven onder 1.1 sub w geciteerde - ontbindingsverklaring zou (partiële) ontbinding van het Afsprakenkader tot gevolg hebben dat de gronden door de Provincie aan Distriport c.s. dienen te worden geleverd). In de rov. 4.24 en 4.25 heeft de rechtbank het betoog van Distriport c.s. afgewezen. In hun geheel luiden deze overwegingen:
daaruitvoor de Provincie voortvloeiende verplichting tot teruglevering) met zich brengt, welke vraag de rechtbank ontkennend heeft beantwoord, juist in verband met de mogelijkheid dat Distriport c.s. niet in de voor teruglevering noodzakelijke financiering zouden kunnen voorzien. Daaruit kan onmogelijk de conclusie worden getrokken dat de ingevolge de grondverkoopovereenkomst voor Distriport c.s. bestaande verplichting om de gronden van de Provincie af te nemen, van de voorwaarde van een voorafgaande en toereikende financiering afhankelijk zou zijn gesteld. Het is evident dat dit laatste niet is wat de rechtbank (die in rov. 4.21 heeft geoordeeld dat Distriport CV in de nakoming van haar verplichting tot afname van de gronden is tekortgeschoten) hier heeft bedoeld. Daarom kan het hof niet worden verweten van een onjuiste of onbegrijpelijke uitleg van het oordeel van de rechtbank te zijn uitgegaan.
“niet op onredelijke gronden haar medewerking aan de totstandkoming van een overeenkomst van borgtocht met de Financiële instelling [zal] onthouden.”Distriport c.s. hebben zich volgens het subonderdeel ook in zoverre op deze bepaling beroepen. Voorts heeft het hof, aldus het subonderdeel, voor zover het tot uitgangspunt heeft genomen dat de verplichtingen van de Provincie zijn beperkt tot hetgeen volgt uit de tekst van de borgovereenkomst, miskend dat de contractuele verplichtingen van de Provincie moeten worden vastgesteld door (i) uitleg van (het samenstel van) de tussen partijen geldende overeenkomsten volgens de Haviltex-maatstaf en afhangt van alle relevante omstandigheden van het geval en (ii) het in aanmerking nemen van hetgeen redelijkheid en billijkheid eisen in de zin van art. 6:248 lid 1 BW Pro.
)bij de behandeling van subonderdeel 1.3 is opgemerkt.
fundenvan NHN door de Provincie hebben beroepen, dit evenzeer blijk geeft van een onbegrijpelijke lezing van de stellingen van Distriport c.s.. De in subonderdeel 1.7 aangehaalde stellingen van Distriport c.s. houden immers mede in dat ook los van het achterwege blijven van
fundingvan NHN door de Provincie sprake is van wanprestatie althans schuldeisersverzuim van de Provincie, aldus het subonderdeel.
voorstellenen niet van financierings
overeenkomsten(zoals art. 2.3 van de borgovereenkomst bepaalt). Uit verschillende omstandigheden blijkt dat de Provincie wel degelijk financieringsvoorstellen heeft willen bespreken en op basis van tussen partijen besproken financieringsvoorstellen ook heeft geoordeeld omtrent de aanvaardbaarheid van de beoogde financiering.
fundzou behoeven te worden;
term sheetsvan BNG niet op de voor dit soort specifieke financieringen vereiste respectievelijk gebruikelijke wijze beoordeeld;
Distriport CV niet konden worden aanvaard wegens staatssteunproblemen;
funden, aan de Provincie toerekenbaar is.
gefund). Strikt genomen mist het subonderdeel óók feitelijke grondslag voor zover het klaagt dat rov. 3.10 van een te beperkte opvatting van het beroep van Distriport c.s. op schuldeisersverzuim blijk geeft; rov. 3.10 is immers beperkt tot een mogelijk schuldeisersverzuim als sequeel van (niet-naleving van) de door Distriport c.s. gestelde tweede voorwaarde en beoogt kennelijk niet de mogelijkheid van schuldeisersverzuim van de Provincie uitputtend te bespreken.
“(v)an schuldeisersverzuim (…) evenmin sprake (is).”In de tussenliggende rov. 3.10.1-3.10.6 zijn immers geen andere mogelijke gronden voor schuldeisersverzuim besproken dan de reeds in rov. 3.10 bedoelde (schending van een) mogelijke verplichting van de Provincie tot het
fundenvan NHN. De conclusie dat van schuldeisersverzuim geen sprake is, kan daarom (naast de uitsluiting van een door de Provincie gepleegde schending van art. 2.3 van de borgovereenkomst) inderdaad slechts op het ontbreken van een verplichting van de Provincie tot het
fundenvan NHN berusten.
fundingvan NHN was verplicht, was blijkens rov. 3.10.4 in het bijzonder bepalend dat de Provincie zich niet had verbonden tot
“een verdergaande financiële bijdrage”c.q. een verdergaande
“financiële betrokkenheid”dan met de overeengekomen borgstelling door de Provincie was gegeven. Het oordeel van het hof dat de Provincie niet was gehouden tot
“verdere financiële bijdragen”c.q. een verdergaande
“financiële betrokkenheid”dan met de overeengekomen borgstelling was gegeven, was mede bepalend voor hetgeen het hof in rov. 3.14 in verband met de door de Provincie ingeroepen ontbinding over de opstelling van de Provincie in het overleg over de financiering heeft overwogen:
“verdere financiële bijdragen”c.q. een verdergaande
“financiële betrokkenheid”dan met de overeengekomen borgstelling was gegeven, in elk geval impliceert dat die opstelling evenmin een grond voor het door Distriport c.s. bepleite schuldeisersverzuim opleverde.
overeenkomsten, maar slechts financierings
voorstellenbehoefde voor te leggen, en dat de Provincie haar goedkeuring aan zulke voorstellen niet op onredelijke gronden mocht weigeren (zie in het bijzonder de stelling onder b:
“Daarbij past niet dat de Provincie van Distriport CV zou (kunnen) verwachten dat zij eerst met de bank een perfecte financieringsovereenkomst zou sluiten, zonder dat Distriport CV een redelijke mate van zekerheid zou hebben dat de Provincie daarmee vanuit haar contractuele recht zou kunnen instemmen.”).
“een financieringsovereenkomst tot stand hebben gebracht”, maar dat het hof daarbij kennelijk
niethet oog heeft gehad op een reeds perfecte en ook daadwerkelijk gesloten overeenkomst. In rov. 3.9 heeft het hof art. 2.3 van de borgovereenkomst immers aldus uitgelegd dat
“de door Distriport CV ter zaketot stand te brengenfinancieringsovereenkomstenvoorafgaandeschriftelijke goedkeuring van de Provincie behoeven”. Ook in de kennelijke visie van het hof gaat de vereiste goedkeuring aan de totstandkoming van de bedoelde financieringsovereenkomsten vooraf en behoefden Distriport c.s. daarom niet reeds perfecte en reeds totstandgekomen financieringsovereenkomsten ter goedkeuring aan de Provincie voor te leggen, maar slechts mogelijk gebleken en voorgenomen financieringsovereenkomsten, of, zo men wil, financieringsvoorstellen die althans de essentialia van dergelijke mogelijk gebleken overeenkomsten omvatten. Rov. 3.9 moet naar mijn mening daarom aldus worden verstaan, dat Distriport c.s. niet hebben gesteld dat zij de Provincie tijdig een voorgenomen financieringsovereenkomst in laatstbedoelde zin hebben voorgelegd. Aldus beschouwd mist de klacht van subonderdeel 1.6 feitelijke grondslag.
fundingvan NHN was verplicht, blijkens rov. 3.10.4 in het bijzonder bepalend was dat de Provincie zich niet had verbonden tot
“een verdergaande financiële bijdrage”c.q. een verdergaande
“financiële betrokkenheid”dan met de overeengekomen borgstelling door de Provincie was gegeven. Het onderliggende oordeel van het hof dat de Provincie niet was gehouden tot
“verdere financiële bijdragen”c.q. een verdergaande
“financiële betrokkenheid”dan met de overeengekomen borgstelling was gegeven, sloot echter tevens uit dat de Provincie gehouden was in te stemmen met voorstellen ter financiering van het project die een zodanige verdere financiële bijdrage of betrokkenheid van de Provincie impliceerden. Waar in de feitelijke vaststellingen van het hof ligt besloten dat (althans tot het moment waarop Distriport CV in verzuim geraakte) door Distriport c.s. slechts voorstellen zijn gedaan die tot grotere financiële risico’s voor de Provincie zouden leiden (zie in het bijzonder de rov. 2.20 en 2.21:
“Gelukkig hebben wij de Bank Nederlandse Gemeenten hiertoe bereid gevonden. Zij stellen echter een aantal voorwaarden, die helaas niet geheel overeenstemmen met de uitgangspunten uit 2008.”respectievelijk
“Het klopt dat u dit jaar bij herhaling voorstellen heeft gedaan ter financiering van het project Distriport. (…) Alle voorstellen leiden echter tot grotere risico’s voor de provincie. (…) De provincie wenst (…) vast te houden aan de inhoud van de overeenkomsten die er liggen.”), missen Distriport c.s. belang bij de klacht van het subonderdeel, óók in het geval dat sprake zou zijn van voorgenomen financieringsvoorstellen waarover de Provincie zich op de voet van art. 2.3 van de borgovereenkomst had moeten uitlaten [11] .
fundenen financieringsvoorstellen van Distriport CV - ook als deze tot grotere financiële risico’s voor de Provincie zouden leiden - in aanmerking te nemen) niet gevolgd en heeft in plaats daarvan de verantwoordelijkheid van Distriport CV voor het verkrijgen van een financiering benadrukt. Bij die stand van zaken valt niet zonder meer in te zien waarom uit de bedoelde stellingen zou voortvloeien dat het niet voor rekening van Distriport CV zou komen dat zij de overeengekomen financiering niet heeft kunnen verkrijgen.
“ [betrokkene 5](gedeputeerde [betrokkene 5] , toevoeging van de advocaat)
geeft aan dat de Provincie haar regierol wil overdragen aan het Ontwikkelingsbedrijf. (…) Het Ontwikkelingsbedrijf zal met geld van de Provincie partij worden in het samenwerkingsverband.”Het was, aldus het subonderdeel, derhalve een gedeputeerde en nota bene de Stuurgroepvoorzitter die deze mededeling heeft gedaan.
“Bij een Joint Venture is sprake van een gezamenlijk risico en gezamenlijke verantwoordelijkheden en wordt het gehele proces gezamenlijk uitgevoerd. (…) Vanuit de noodzaak tot centrale regie en integrale aanpak is de Joint Venture de meest aangewezen constructie. Gezien de voorbeeldfunctie die nagestreefd wordt is een combinatie van marktpartijen, gemeente en het Ontwikkelingsbedrijf NHN aan te bevelen. (…)”
fundingwas gehouden, geldt hiervoor hetzelfde als ten aanzien van de stelling onder a) (i) werd opgemerkt. Overigens is niet geheel duidelijk door wie het plan is opgesteld en/of met wie vanuit de Provincie het in het Plan van Aanpak [12] onder 1.1 genoemde overleg is gevoerd. Uit het aldaar gestelde blijkt overigens wel dat de samenwerking pas eind 2007/begin 2008 formeel gestalte zou krijgen in een samenwerkings- en ontwikkelingsovereenkomst, hetgeen met de overeenkomsten van 19 juni 2008 is gebeurd.
“Voorgesteld wordt om als Provincie mee te financieren in het project en hierover op korte termijn intentionele afspraken te maken met de andere betrokken partijen.”
constructie 3: BNG leent aan GEM BV met een borgstelling van Provincie Noord-Holland”): “
PNH loopt met deze constructie een financieel risico door de borgstelling en (indirect) haar belang in Ontwikkelingsbedrijf NHN.”
fundingwas gehouden.
“De Provincie is er altijd van op de hoogte geweest dat NHN (dan wel haar dochters/deelnemingen) voor 1/3 deel zou participeren in de C.V./B.V. (…) Daarmee kwam op de Provincie de verplichting te rusten om NHN te funden voor zover nodig om NHN haar verplichtingen na te kunnen laten komen. De Provincie wist als 50% aandeelhouder dat NHN zelf niet over middelen beschikte om Distriport te funden.”Volgens het subonderdeel heeft de Provincie jegens NHN niet inhoudelijk op deze aansprakelijkstelling gereageerd.
fundingvan NHN was gehouden.
fundenvan NHN - door de Provincie in deze procedure niet betwist - niet werden gekend, en daarvan blijkens afgelegde en in het geding gebrachte verklaringen ook niet op de hoogte waren, en integendeel van de juistheid van de lezing van Distriport c.s. uitgaan.
fundenen dat dit reeds bij het sluiten van de overeenkomsten bekend kon zijn, kan niet juist zijn nu het GS-besluit om NHN niet te funden dateert van 23 maart 2010 en 15 februari 2011, over welke besluitvorming Distriport c.s. pas in juli 2012 na een Wob-verzoek is geïnformeerd.
fundenen dat dit reeds bij het sluiten van de overeenkomsten bekend kon zijn, verdraagt zich niet met de (ook door de Provincie niet erkende) consequentie dat dan de beide andere commandieten geacht zouden moeten worden te hebben ingestemd met een derde commandiet die door het ontbreken van funding nimmer als gelijkwaardige partij naast de beide andere commandieten zou kunnen functioneren, terwijl het voor zich spreekt dat Zeeman en [A] nimmer met participatie van NHN zouden hebben ingestemd als op voorhand duidelijk was dat NHN wel zou meedelen in eventuele winsten van de joint-venture maar geen middelen zou hebben om aan financiële verplichtingen van de joint-venture bij te dragen.
kunnendragen dat het bedoelde vereiste wél moet worden aangenomen, kan, wat daarvan overigens zij, aan de begrijpelijkheid het bestreden oordeel niet afdoen. Het subonderdeel is derhalve tevergeefs voorgesteld.
NHNals commanditaire vennoot in Distriport CV op zichzelf nog geen verplichting voor
de Provinciemeebrengt om - buiten de borgstelling - NHN van kapitaal te voorzien, maar dat daarvoor specifieke daartoe strekkende contractuele verplichtingen nodig zijn, die ontbreken. Die overweging acht ik niet onbegrijpelijk, (ook niet) in het licht van de hier genoemde bepalingen uit de samenwerkingsovereenkomst. Ook hier verwijs ik mede naar hetgeen ik hiervóór (onder 2.35 Ad g)) opmerkte.
“deelnemen als vennoot in een commanditaire vennootschap”. NHN Projectbeheer B.V. heeft op 14 juni 2009 (bedoeld zal zijn 24 juni 2009; LK) de overeenkomst tot het aangaan van een commanditaire vennootschap gesloten. Tot de doelomschrijving van deze CV behoort het risicodragend deelnemen aan een gebiedsontwikkeling.
fundingvan NHN (als commandiet) zich niet zou verdragen met regels van staatssteun;
funden dat dit van aanvang af duidelijk moet zijn geweest;
fund, waaruit moet volgen dat de eigen stelling als verwoord onder (iii) (ook) niet juist is geweest.
iederetekortkoming van een partij in de nakoming van één van haar verbintenissen aan de wederpartij de bevoegdheid geeft om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden,
tenzijde tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Met zijn oordeel dat de tekortkoming van Distriport CV een essentieel onderdeel van de overeenkomst betrof en niet van ondergeschikte aard was, heeft het hof kennelijk tot uitdrukking willen brengen dat van een bijzondere aard of geringe betekenis van de tekortkoming geen sprake was, en de tekortkoming de ontbinding met haar gevolgen derhalve rechtvaardigde. Dit oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en kan voor het overige, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Onbegrijpelijk is het bestreden oordeel in elk geval niet. Een tekortkoming in de nakoming van een essentieel onderdeel van een overeenkomst als de onderhavige die bestaat in een vertraging van de nakoming van nagenoeg een jaar [16] kan immers niet zonder meer als een tekortkoming van slechts geringe betekenis worden gekwalificeerd [17] .
“Nu hiervoor is geoordeeld dat de redenen waarop Distriport CV zich in dat verband had beroepen niet deugdelijk waren (…)”), waarin het onder meer het belang van een spoedige teruglevering van de gronden heeft onderkend (rov. 3.7.8). Of het bestreden oordeel verenigbaar is met concrete, door Distriport c.s. gestelde omstandigheden, wordt door het hierna te bespreken subonderdeel 3.2 aan de orde gesteld.
“De Provincie kan niet worden tegengeworpen dat zij enerzijds haar belangen zekerstelde door op 21 februari 2011 de ontbinding in te roepen, maar dat zij anderzijds (…) na die datum (…).”).
subonderdeel 3.2is de beslissing van het hof dat de door de Provincie nagestreefde ontbinding is gerechtvaardigd, althans niet (voldoende) begrijpelijk gemotiveerd in het licht van de volgende (volgens het subonderdeel essentiële) stellingen van Distriport c.s., die het hof niet (kenbaar) bij zijn oordeel heeft betrokken.
wanverhouding [23] tussen tekortkoming en de (gevolgen van de) ontbinding zouden duiden. Voor het overige brengt art. 6:265 lid 1 BW Pro niet met zich dat tussen beide (steeds) evenredigheid zou moeten bestaan.
Hoofdelijke aansprakelijkheid van Zeeman Vastgoed oud en [A] als commanditaire vennoten
Hiermee is de BV/CV Distriport een feit.” Distriport CV i.o. (hoe ook moet worden geoordeeld over de status van een CV i.o.) is, vertegenwoordigd door haar beherend vennoot Distriport Noord-Holland BV i.o., als zodanig ook partij bij de op die datum gesloten grondverkoopovereenkomst (r.o. 2.8) en de borgovereenkomst (r.o. 2.9). Onder deze omstandigheden komt geen zelfstandige betekenis meer toe aan de bepaling in de samenwerkingsovereenkomst dat zo spoedig mogelijk zal worden overgegaan tot oprichting van een CV. Dat Distriport BV op 19 juni 2008 nog (notarieel) moest worden opgericht, staat aan de totstandkoming van Distriport CV met Distriport BV i.o. als beherend vennoot niet in de weg.
Distriport is een commanditaire vennootschap met drie vennoten: Zeeman Vastgoed, [A] en Ontwikkelingsbedrijf Noord-Holland (NHN).” Ook indien wordt aangenomen dat, zoals Distriport c.s. stellen, in dat persbericht van Distriport CV slordigheden voorkomen, is het hof van oordeel dat tegen deze achtergrond de Provincie niet kan worden tegengeworpen dat volgens de CV-akte niet [A] maar haar dochtervennootschap [B] BV commanditair vennoot is.
“Van de vennootschap onder ene firma en van die bij wijze van geldschieting of “en commandite” genaamd”), moet worden aangenomen dat zij ook op de commanditaire vennootschap van toepassing is [25] . Overigens is, anders dan uit art. 22 WvK Pro lijkt voort te vloeien, een authentieke of onderhandse akte geen constitutief vereiste; de overeenkomst van vennootschap is vormvrij [26] .
“(…) de totstandkoming van Distriport CV met Distriport BV i.o. als beherend vennoot (…)”). Overigens meen ik dat een BV of een NV in oprichting zeer wel vennoot in een personenvennootschap kan zijn; het aangaan van rechtshandelingen namens een op te richten BV of NV is immers uitdrukkelijk geregeld in de art. 2:93 en Pro 2:203 BW. Totdat de BV is opgericht en de bedoelde rechtshandelingen heeft bekrachtigd, zijn degenen die de rechtshandeling namens de op te richten BV hebben verricht, zelf als de vennoten van de personenvennootschap te beschouwen [27] .
zal wordenopgericht en van wie daarin als commandieten
zullen optreden(in art. 4 lid 5 en Pro ook lid 1 en lid 8). Daaruit blijkt niet zonder meer de (voor de totstandkoming van de overeenkomst tot oprichting van een CV essentiële) wil de CV reeds door het aangaan van de samenwerkingsovereenkomst in het leven te roepen. Die wil kan evenmin uit de door het hof in de rov. 3.26.2 en 3.27 genoemde omstandigheden worden afgeleid. De omstandigheid dat de CV in de (van dezelfde datum als de samenwerkingsovereenkomst daterende) grondverkoopovereenkomst en borgovereenkomst als Distriport Noord-Holland CV
i.o.wordt aangeduid en het feit dat de in rov. 3.27 bedoelde CV-akte het opschrift
“Overeenkomst tot het aangaan van een commanditaire vennootschap”draagt, wijzen juist op een andere dan op een onmiddellijke totstandbrenging van een CV gerichte rechtswil. Ook als met de CV-akte is bedoeld de reeds in de samenwerkingsovereenkomst gemaakte afspraken uit te voeren (in de woorden van rov. 3.27:
“(verder) te formaliseren”), volgt daaruit niet dat de CV reeds had aangevangen te bestaan.
waaromonbegrijpelijk zou zijn dat het hof uit de verklaringen en gedragingen van de genoemde partijen dat laatste wél heeft afgeleid. Zodanige toelichting en adstructie kan ook niet worden gevonden in de passages in de processtukken van de feitelijke instanties waarnaar het subonderdeel verwijst. Afgezien van de stelling in hoger beroep dat sprake zou zijn van een slordigheid in het door het hof genoemde persbericht, betreffen de genoemde vindplaatsen slechts de vraag of [A] het beheersverbod van art. 20 lid 2 WvK Pro zou hebben overtreden en de vraag of de samenwerkingsovereenkomst als CV-oprichtingsakte moest worden aangemerkt. De eerstgenoemde stelling is door het hof in rov. 3.27 in aanmerking genomen; het hof heeft dienaangaande geoordeeld dat die stelling niet aan zijn oordeel afdoet. De overige stellingen waarnaar het subonderdeel verwijst zijn niet concludent met betrekking tot hetgeen de Provincie uit de verklaringen en gedragingen van de betrokken partijen met betrekking tot het al dan niet bestaan van een CV, reeds voor 24 juni 2009, mocht afleiden.
“in oprichting”) met wie zij eerder zaken had gedaan, ook feiten en omstandigheden die haar eerst na 24 juni 2009 ter kennis zijn gekomen, van belang kunnen zijn, zeker nu uit het subonderdeel (en uit de vindplaats waarnaar het subonderdeel in dit verband verwijst)
nietvoortvloeit dat de Provincie terstond bekend was met de inhoud van de op die datum tot stand gekomen (en op het punt van de aanwijzing van de commanditaire vennoten van de samenwerkingsovereenkomst afwijkende) CV-akte, waarbij zij evenmin als bij de samenwerkingsovereenkomst partij was [29] .
subonderdeel 4.2.2is ’s hofs beslissing bovendien/althans niet voldoende (begrijpelijk) gemotiveerd, nu toetsing aan de voormelde criteria, gelet op zowel het gebrek aan draagkracht van ’s hofs voormelde overwegingen als de ter zake door Distriport c.s. naar voren gebrachte en volgens het subonderdeel essentiële stellingen waaruit volgt dat in het geval van [A] niet aan de criteria voor vereenzelviging is voldaan, niet tot de beslissing van het hof zou kunnen leiden.
nietis blijven presenteren als commandiet, maakt het andersluidende oordeel van het hof niet onbegrijpelijk. Er wordt niet verwezen naar vindplaatsen die de klacht ondersteunen, anders dan naar de stelling in hoger beroep dat sprake zou zijn van een slordigheid in het door het hof genoemde persbericht, een stelling die het hof in rov. 3.27, slot, in aanmerking heeft genomen, maar waarover het heeft geoordeeld dat zij niet aan zijn oordeel in de weg staat. Waarom dit onbegrijpelijk zou zijn, geeft het onderdeel niet aan.
governancebij haar deelneming NHN voor onwaarschijnlijk of zelfs uitgesloten moet worden gehouden, moet het er voor worden gehouden dat de Provincie haar vorderingen in reconventie (eveneens) tegen de onjuiste partijen heeft gericht, zodat de Provincie in deze vorderingen reeds hierom niet kan worden ontvangen.”
“te weten Distriport c.s.”, dit zowel in het licht van de feiten, als gelet op de stellingen van de Provincie enerzijds en van Distriport c.s. anderzijds, niet correct is. Distriport CV, die de procedure tegen de Provincie heeft ingeleid met de dagvaarding van 7 juli 2011, is
nietde CV uit 2008 waarvan het hof in het thans in cassatie bestreden arrest het bestaan heeft aangenomen. Dit volgt uit de verklaring namens Distriport c.s. bij gelegenheid van de comparitie van partijen, het feit dat Distriport c.s. het bestaan van een in 2008 opgerichte CV uitdrukkelijk hebben betwist en de stelling van Distriport c.s. dat de Provincie zich ter afwering van de conventionele vordering van Distriport c.s. niet beroept op het feit dat zij - beweerdelijk - met een CV uit 2008 zaken heeft gedaan. Zou het oordeel van de Provincie en het hof al worden gevolgd dat sprake is van een tweede commanditaire vennootschap (één uit 2008 zonder akte en één uit 2009 met akte), dan hebben Distriport c.s. in deze procedure betoogd dat de conventionele vorderingen zijn ingesteld door de CV uit 2009 (alsmede de daarin blijkens de akte gekoppelde beherend vennoot, en Zeeman Vastgoed en [A] als zelfstandige contractspartijen van de Provincie), en uitdrukkelijk niet door een gestelde CV uit 2008 (met andere commanditaire vennoten). Dat zou dan, in de visie van de Provincie en het hof, betekenen dat het niet de CV is waarmee de Provincie volgens haar eigen stellingen gecontracteerd heeft, die de vorderingen heeft ingesteld. Dat had er dan, vanuit dat gezichtspunt, toe moeten leiden dat de vorderingen van Distriport c.s. om die reden werden afgewezen, maar dat had er dan - als sequeel - ook toe moeten leiden dat de reconventionele vorderingen van de Provincie, die zij zegt te hebben ingesteld tegen de CV uit 2008, jegens de CV uit 2009 niet zouden kunnen worden toegewezen. Indien aansprakelijkheid van de CV niet in rechte wordt vastgesteld, vitieert dit de beslissingen van het hof ter zake van de hoofdelijke aansprakelijkheid van [A] en Zeeman in de rov. 3.30-3.30.4, aldus nog steeds het subonderdeel.
“(verder) te formaliseren”en is een onderscheid met die laatste vennootschap kennelijk niet beoogd (rov. 3.27). Daarbij heeft het hof mede in aanmerking genomen dat in de CV-akte in plaats van [A] haar 100% dochtermaatschappij [B] B.V. als commanditaire vennoot is vermeld, maar heeft het, mede gelet op de motieven daarvoor, kennelijk geoordeeld dat daarmee niet werd beoogd naast de bestaande CV een nieuwe CV in het leven te roepen. Het subonderdeel is tevergeefs voorgesteld, reeds omdat het hof uitdrukkelijk
nietvan het bestaan van twee afzonderlijke CV’s is uitgegaan.
subonderdeel 6.2.1wordt deze klacht uitgewerkt. Het subonderdeel voert aan dat het hof heeft miskend dat van toepassing van art. 20 lid 2 WvK Pro slechts sprake kan zijn, indien is komen vast te staan dat een commanditaire vennoot een of meer concrete beheersdaden heeft verricht. Tot een dergelijke vaststelling, per commanditaire vennoot afzonderlijk, is het hof volgens het subonderdeel niet gekomen, terwijl Distriport c.s. hebben betwist dat de Provincie zulke beheersdaden heeft aangewezen of gesteld en dat de commanditaire vennoten een of meer concrete beheersdaden hebben verricht.
subonderdeel 6.2.2wordt onderdeel 6.2 uitgewerkt voor zover het hof met de overweging als zojuist bedoeld (betreffende het overleg met de Belastingdienst over de fiscale bouwrijpheid en het overleg met de Provincie over de financiering) zou moeten worden geacht tot de vereiste vaststelling van beheersdaden van de commanditaire vennoten te zijn gekomen. Het subonderdeel klaagt dat het oordeel van het hof (ook) in dat geval onjuist, althans niet voldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd. Het subonderdeel wijst daartoe (onder meer) op het navolgende.
“het overleg met de Provincie over de financiering”als een beheersdaad van commandieten aan te merken, is het daarmee buiten de rechtsstrijd van partijen getreden. De Provincie heeft noch in eerste aanleg, noch in appel gesteld (of aannemelijk gemaakt) dat het overleg met de Provincie over de financiering als beheersdaad van een of meer van de commanditaire vennoten zou hebben te gelden. Distriport c.s. hebben zich ter zake dan ook niet kunnen verweren. In zoverre is hiermee tevens sprake van een in strijd met de goede procesorde tot stand gekomen verrassingsbeslissing. Dit wordt geïllustreerd door het feit dat uit de correspondentie in de periode van het overleg over de financiering blijkt dat werd gecorrespondeerd tussen de Provincie en Distriport BV, de beherend vennoot.
“het overleg met de Belastingdienst over de fiscale bouwrijpheid”heeft aangemerkt als handeling van de commanditaire vennoten en daarmee als beheersdaad, is de daarop gebaseerde beslissing onbegrijpelijk in het licht van de essentiële stelling van Distriport c.s. - onder overlegging van een brief van de Belastingdienst van 27 juni 2013 - dat bij de Belastingdienst geen onduidelijkheid heeft bestaan over de hoedanigheid van de gesprekspartner, en dat - blijkens eigen mededelingen van de Belastingdienst - de Belastingdienst altijd Distriport BV als de gesprekspartner heeft beschouwd.
ook waar [betrokkene 1] en [betrokkene 2] aangaven namens (de directie van) Distriport BV op te treden(derden daardoor de indruk gevend dat zij in werkelijkheid beherend vennoot zijn), dat optreden bezwaarlijk kan worden geabstraheerd van hun hoedanigheid als (en optreden namens) directeur van een commanditair vennoot. Het hof gaat er daarom vanuit dat de handelingen van deze directeuren van [A] en Zeeman Vastgoed oud (zoals het overleg met de Belastingdienst over de fiscale bouwrijpheid en het overleg met de Provincie over de financiering) als handelingen van die commanditaire vennoten gelden en dat laatstgenoemden daarmee in beginsel beheershandelingen hebben verricht als bedoeld in artikel 20 lid 2 WvK Pro (vgl. ECLI:NL:HR:2009:BB9390). Een andere benadering zou meebrengen dat de commanditaire vennoten in staat zouden zijn om zonder eigenlijke persoonlijke verbondenheid de CV de door hen gewenste handelingen in het rechtsverkeer te laten verrichten, hetgeen de wetgever met artikel 21 lid 2 WvK Pro heeft willen voorkomen” (cursivering toegevoegd; LK).
Lunchroom De Katterug), ECLI:NL:HR:2015:1413, NJ 2015/380 m.nt. P. van Schilfgaarde, JOR 2015/192 m.nt. Chr.M. Stokkermans, OR 2015/77 m.nt. A.J.S.M. Tervoort, JIN 2015/152 m.nt. J.W.P.M van der Velden. Volgens de Hoge Raad strekt de sanctie van art. 21 WvK Pro ertoe te voorkomen dat commanditaire vennoten die op een van de in art. 20 WvK Pro vermelde manieren onduidelijkheid laten ontstaan over hun rechtspositie in de vennootschap, zich kunnen onttrekken aan de aansprakelijkheid die art. 18 WvK Pro voorziet voor de gewone vennoten. Daarbij gaat het erom te voorkomen, enerzijds dat een commanditaire vennoot ten name van de vennootschap aan het handelsverkeer deelneemt als ware hij beherend vennoot en aldus misbruik maakt van het rechtsgevolg dat is verbonden aan de hoedanigheid van commanditaire vennoot, en anderzijds dat derden door het optreden van een commanditaire vennoot in de veronderstelling kunnen worden gebracht dat zij van doen hebben met een beherend vennoot, die ingevolge art. 19 lid 2 in Pro verbinding met art. 18 WvK Pro met zijn gehele vermogen voor de nakoming van de verbintenissen van de vennootschap instaat (rov. 3.4.2). Het bestreden oordeel laat zich naar mijn mening echter niet zonder meer in deze tweeledige ratio inpassen.
“derden daardoor de indruk (…) (gegeven) dat zij in werkelijkheid beherend vennoot zijn”. Kennelijk hebben zij in de gedachtegang van het hof aldus bijgedragen aan een (onjuiste) veronderstelling van derden dat zij met een beherend vennoot van doen hadden, welke (onjuiste) veronderstelling art. 21 WvK Pro nu juist beoogt te voorkomen. Ik kan die gedachtegang niet volgen. Door in de bedoelde gevallen aan te geven dat zij namens (de directie van) Distriport BV handelden, hebben [betrokkene 1] en [betrokkene 2] juist géén onjuiste indruk gegeven en géén onjuiste veronderstelling gewekt, nu zij als directeuren van (de directie van) Distriport BV daadwerkelijk namens de beherend vennoot konden optreden. Dat zij tevens directeur waren van de vennootschappen die in dit geding als commanditaire vennoten jegens de Provincie gelden, doet daaraan niet af; die omstandigheid sloot immers niet uit dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] (exclusief) voor de beherend vennoot optraden. De doelstelling misleiding van derden te voorkomen vordert niet enkel vanwege de personele unie van de (middellijk) bestuurder van een commanditaire vennoot en de (middellijk) bestuurder van de beherend vennoot een door die bestuurder namens de beherend vennoot verrichte handeling als beheershandeling van de commanditaire vennoot aan te merken.
nietuitdrukkelijk heeft aangegeven deze namens de beherend vennoot te verrichten en - zoals het hof in rov. 3.30.1 met betrekking tot [betrokkene 1] en [betrokkene 2] (mijns inziens in cassatie niet met succes bestreden) als vaststaand heeft aangenomen - in zijn externe communicatie zijn hoedanigheid in het ongewisse heeft gelaten, meen ik dat zijn handelingen wél als handelingen van de commanditaire vennoot en derhalve als verboden bestuurshandelingen van die commanditaire vennoot in de zin van art. 20 lid 2 WvK Pro kunnen worden aangemerkt [41] . Een andere opvatting zou - zoals ook ligt besloten in de overweging van het hof aan het slot van rov. 3.30.2 - wél in strijd komen met de strekking van de sanctie van art. 21 WvK Pro. Als dezelfde natuurlijke persoon van zowel de commanditaire vennoot als de (directie van de) beherend vennoot bestuurder is en hij bij zijn handelen in naam van de CV niet duidelijk aangeeft in welke hoedanigheid hij optreedt, zal dit licht leiden tot bij de wederpartij (en derden) gewekte schijn dat zij met de beherend vennoot van doen heeft (hebben). Voor toerekening van de betrokken handeling aan de commanditaire vennoot pleit in een dergelijk geval dat het mijns inziens niet aanvaardbaar is dat de wederpartij zonder een dergelijke toerekening voor de schier onmogelijke taak komt te staan vast te stellen en te bewijzen in welke hoedanigheid de natuurlijke persoon handelde [42] . De hier verdedigde opvatting van toerekening aan de commanditaire vennoot (waartegen Stokkermans zich overigens heeft uitgesproken [43] ) sluit bovendien aan bij de vermelding in art. 20 lid 2 WvK Pro dat het de commanditaire vennoot krachtens dat artikel óók is verboden de daar genoemde handelingen
“uit kracht eener volmagt”te verrichten, alhoewel de vraag of dit verbod zinvol is, op uiteenlopende wijze werd en wordt beantwoord [44] .
subonderdeel 6.3richt zich tegen het oordeel van het hof in rov. 3.30.2 en het begin van rov. 3.30.3. Het subonderdeel gaat ervan uit dat het hof tot uitgangspunt heeft genomen dat het optreden van commanditaire vennoten als (middellijk) bestuurder van een beherend vennoot schending van art. 20 lid 2 WvK Pro oplevert of daarmee op een lijn moet worden gesteld, en betoogt dat het hof in dat geval is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Het subonderdeel stelt dat van (een situatie die op een lijn is te stellen met) schending van art. 20 lid 2 WvK Pro buiten het geval dat een commanditaire vennoot beheersdaden verricht of werkzaam is in de zaken van de vennootschap, hooguit sprake is indien de commanditaire vennoot beslissende invloed heeft op het optreden van de beherend vennoot. Dat daarvan sprake is heeft het hof evenwel niet (op voldoende kenbare of begrijpelijke wijze) vastgesteld, terwijl niet (kenbaar) is gerespondeerd op het essentiële betoog dat de verschillende commanditaire vennoten die beslissende invloed niet hadden. Het oordeel van het hof is volgens het subonderdeel temeer onjuist althans onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd nu de commanditaire vennoten geen van alle (middellijk) bestuurder van de beherend vennoot waren. Het onderdeel acht hierom onjuist of onbegrijpelijk het oordeel van het hof in het slot van rov. 3.30.2 dat
Lunchroom De Katterug), ECLI:NL:HR:2015:1413, NJ 2015/380 m.nt. P. van Schilfgaarde, JOR 2015/192 m.nt. Chr.M. Stokkermans, OR 2015/77 m.nt. A.J.S.M. Tervoort, JIN 2015/152 m.nt. J.W.P.M van der Velden, waarin de Hoge Raad - op een vordering tot cassatie in belang der wet - als volgt oordeelde:
NJ1970/406; vgl. ook HR 13 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:588).
NJ1943/201 (Walvius) waarin is beslist dat niet van belang is of een wederpartij van de commanditaire vennootschap van de commanditaire hoedanigheid van de desbetreffende vennoot op de hoogte was of behoorde te zijn.
NJ1981/377, aan degene tegen wie (de sanctie van) art. 21 WvK Pro wordt ingeroepen, in elk geval steeds enig verwijt van zijn handelwijze zal moeten kunnen worden gemaakt. Daarbij dient in aanmerking te worden genomen dat een commanditaire vennoot ervan op de hoogte behoort te zijn dat hij geen daden van beheer mag verrichten.
in dat kaderin dat de Provincie via NHN Projectbeheer BV en NHN - als geen ander - op de hoogte was van de commanditaire verhoudingen. Deze stellingen houden overigens ook in dat de vermelding van partijen door Distriport c.s. te wensen over liet. Al eerder (zie hiervóór onder 2.79, slot) is aan de orde gekomen dat ook Distriport c.s. erkende dat het optreden van de betrokken directeuren bij de Provincie tot verwarring heeft geleid. Ten slotte heeft het hof - in cassatie niet succesvol bestreden - vastgesteld dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] in hun externe communicatie hun hoedanigheid in het ongewisse lieten (rov. 3.30.1).
commanditairestatus van de vennoten voor wie de directeuren
mogelijkoptraden, mede in het licht van de in rov. 3.4.2 van de uitspraak van de Hoge Raad vermelde ratio van art. 21 WvK Pro, niet aan aansprakelijkheid van die vennoten in de weg. Die wetenschap sluit onduidelijkheid over de vraag voor wie de betrokken directeuren optraden (de beherend vennoot dan wel een commanditaire vennoot) in de situatie dat die directeuren zelf zulks in het ongewisse lieten, immers niet uit. Daarbij komt dat reeds over de vraag
wieals commanditaire vennoten van Distriport CV moesten worden aangemerkt, onduidelijkheid bestond als gevolg van een verschil tussen de samenwerkingsovereenkomst en de CV-akte. Dat de Provincie nimmer zou hebben aangegeven dat de vermelding van de vennootschappen voor haar tot onduidelijkheden heeft geleid, had het hof ten slotte niet tot een ander oordeel behoeven te leiden, nu de Provincie niet behoefde te stellen en/of te bewijzen dat zij
nietop de hoogte was of behoorde te zijn van de vennootschappelijke hoedanigheid van de commanditaire vennoten.
Subonderdeel 6.5stelt dat de klachten van onderdeel 6 óók vitiëren 1) de overwegingen van het hof in de eerste volzin van rov. 3.30.3, die te meer doet uitkomen dat het hof een “uitgangspunt” formuleert, dat volgens het subonderdeel geen steun vindt in het recht, 2) het oordeel in rov. 3.30.3 dat de commanditaire vennoten “overigens” wel beheershandelingen hebben verricht, en 3) de beslissing in rov. 3.30.3 dat Zeeman Vastgoed oud en [A] naast Distriport BV en Distriport CV hoofdelijk aansprakelijk zijn.
Onderdeel 7telt vier subonderdelen.
Subonderdeel 7.1vermeldt slechts (een deel van) de rechtsoverweging waartegen het onderdeel is gericht. Het gaat om rov. 3.39:
Het hof leidt uit de opzet van het petitum van de Provincie af dat zij (net als in eerste aanleg) heeft bedoeld te vorderen dat ook deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. Dat zal eveneens worden toegewezen” (cursivering toegevoegd; LK).
Subonderdeel 7.2acht de hierboven gecursiveerd weergegeven beslissing in strijd met het recht, in zoverre het hof daarmee
ultra petitumis gegaan en derhalve iets heeft toegewezen wat niet is gevorderd. Het subonderdeel betoogt voorts dat het hof althans een onbegrijpelijke uitleg heeft gegeven aan het petitum.
Subonderdeel 7.3betoogt dat het petitum zoals dat is opgenomen in de memorie van antwoord van de Provincie niet voor tweeërlei uitleg vatbaar is. Het stelt dat noch voorafgaand aan, noch tijdens de pleitzitting de Provincie de uitvoerbaarheid bij voorraad aan de orde heeft gesteld, en dat voor een teruggrijpen op enig petitum uit de eerste aanleg rechtens geen plaats is. Ten aanzien van de (primaire en subsidiaire) vorderingen in reconventie strekkende tot betaling van een voorschot op de schadevergoeding heeft de Provincie niet gevorderd dat deze uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard; dat is wel het geval ten aanzien van de proceskosten c.a., aldus het subonderdeel. Er is rechtens geen ruimte voor het hof om het petitum anders te lezen, of aan te vullen, zoals het heeft gedaan.
Subonderdeel 7.4klaagt dat, voor zover zou moeten worden geoordeeld dat het hof niet de betreffende rechtsregel heeft geschonden, de beslissing van het hof (niettemin) in strijd is met het recht, althans niet (voldoende) begrijpelijk is gemotiveerd in zoverre (alsdan) heeft te gelden dat het hof heeft gehandeld in strijd met de eisen van een goede procesorde. Distriport c.s. hebben zich immers in appel niet behoeven te - en zelfs niet kunnen - verweren tegen iets dat in appel niet was gevorderd, althans het hof heeft Distriport c.s. evenmin in de gelegenheid gesteld om zich (alsnog) te verweren tegen het petitum zoals het hof dat - aangevuld - wenste te lezen. Gelet op het eminente financiële belang dat is gemoeid met de uitvoerbaar bij voorraad verklaarde (hoofdelijke) veroordeling van alle vier de procespartijen is wederhoor op dit onderdeel een geenszins te verwaarlozen formeel procesrechtelijk vereiste.
Onderdeel 8omvat twee subonderdelen.
subonderdeel 8.1is het onderdeel gericht tegen (een deel van) rov. 3.41:
Beide partijen hebben bewijs aangeboden maar die bewijsaanbiedingen worden als niet ter zake dienend dan wel als onvoldoende concreet gepasseerd.(cursivering toegevoegd; LK)”
Subonderdeel 8.2klaagt dat het hof door aldus te overwegen en te oordelen in strijd met het recht heeft gehandeld, althans zijn beslissing, gelet op de door Distriport c.s. ter zake naar voren gebrachte en volgens het subonderdeel essentiële stellingen, voor zover het betreft het door Distriport c.s. gedane aanbod van bewijs door getuigen, niet (voldoende) begrijpelijk heeft gemotiveerd. Het subonderdeel voert aan dat Distriport c.s., laatstelijk bij memorie van grieven, gespecificeerd bewijs door een tiental mogelijke bij naam en functie genoemde getuigen hebben aangeboden. Volgens het subonderdeel is daarbij steeds concreet, in een relaas dat diverse pagina’s van de memorie van grieven beslaat, en met volledige aanhaling van de desbetreffende stelling(en), vermeld ten aanzien van welke stelling(en) van Distriport c.s. in deze procedure elk van deze getuigen kan verklaren. Aldus is volgens het subonderdeel gespecificeerd getuigenbewijs aangeboden, ten aanzien van evenzeer specifieke stellingen, waarvan niet kan worden gezegd dat deze voor de beslissing van deze zaak niet relevant zijn. Integendeel, de gereleveerde specifieke stellingen ten aanzien waarvan door de vermelde getuigen kan worden verklaard, zijn alle relevant voor de beslissingen die het hof in het bestreden arrest heeft genomen. Het hof heeft in rov. 3.41 (dan ook) ten onrechte niet, dan wel in elk geval onvoldoende gemotiveerd, duidelijk gemaakt waarom dit specifieke aanbod van getuigenbewijs, mede gelet op de wijze waarop het processuele debat zich heeft ontwikkeld en het stadium waarin de procedure verkeert, wordt gepasseerd.
“(w)ie de betreffende bewijsaanbiedingen leest, ziet dat deze niet (alleen) op dit thema(de bestuurdersaansprakelijkheid; LK)
betrekking hebben, maar ook relevant zijn voor het betoog van Distriport c.s. over schuldeisersverzuim en overmacht.”Ook bij repliek wordt die relevantie niet nader geadstrueerd dan met de aansporing de betreffende bewijsaanbiedingen in de processtukken te lezen. Een en ander illustreert dat het onontbeerlijk is dat de eisende partij zelf reeds in de cassatiedagvaarding de relevantie van de te bewijzen aangeboden stellingen adstrueert, waarop de wederpartij dan vervolgens kan reageren.
3.Bespreking van het incidentele cassatieberoep
Hoofdelijke aansprakelijkheid Zeeman Vastgoed oud en [A] als bestuurders van (de bestuurder van) Distriport CV
subonderdeel 1gaan deze overwegingen uit van een onjuiste rechtsopvatting en/of zijn zij onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd. Het subonderdeel wordt uitgewerkt in de subonderdelen 1.1-1.2.
fundingdoor de Provincie, niet anders kan worden gekwalificeerd dan als een bewust traineren ter voorkoming van - en daarmee: ter verlegging naar de Provincie van - de hiervoor sub (i) beschreven risico’s, waardoor de Provincie schade heeft geleden en waarmee (v) Zeeman Vastgoed oud en [A] , in hun hoedanigheid van directeur/feitelijk beleidsbepalers van Distriport B.V., moeten worden geacht te hebben bewerkstelligd, althans te hebben toegelaten, dat (Distriport B.V. als bestuurder van) Distriport C.V. de grondverkoopovereenkomst niet is nagekomen, waarmee Zeeman Vastgoed oud en [A] ernstig verwijtbaar jegens de Provincie hebben gehandeld. Gezien de inhoud en strekking van dit betoog is ’s hofs oordeel, dat de Provincie haar stellingname ter zake van de bestuurdersaansprakelijkheid van Zeeman Vastgoed oud en [A] niet concreet heeft toegelicht en onderbouwd, onbegrijpelijk. Een en ander klemt volgens het subonderdeel temeer in het licht van het eigen oordeel van het hof in de rov. 3.6-3.11, waaruit volgt dat de door Distriport c.s. gestelde, aanvullende voorwaarden, gelijk door de Provincie is betoogd, niet door partijen zijn overeengekomen.
duidelijk was dan wel behoorde te zijndat de bedoelde risico’s bij hen rustten en dat zij zich van de
aard en omvangvan die risico’s (zeer) bewust zijn geweest, brengt dit immers nog niet mee dat het stellen van voorwaarden voor afname van de gronden - zoals Distriport c.s. hebben gedaan - niet anders kan worden gekwalificeerd dan als een bewust traineren van die afname en het verleggen van die risico’s naar de Provincie, laat staan dat daaruit reeds volgt dat Zeeman Vastgoed oud en [A] - als directeur/feitelijk beleidsbepaler van Distriport BV - daarvan een ernstig persoonlijk verwijt kan worden gemaakt. Reeds in dat licht is niet onbegrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat de Provincie haar stellingname in deze onvoldoende concreet heeft toegelicht en onderbouwd. Dat het hof heeft geoordeeld dat de door Distriport c.s. gestelde voorwaarden niet door partijen zijn overeengekomen, kan hieraan - zoals ook het hof heeft overwogen - niet afdoen.
)reeds werd opgemerkt, kan niet worden gezegd dat het hof te hoge eisen heeft gesteld aan de op de Provincie rustende stelplicht. Zoals reeds aan de orde kwam, vloeit een aan Zeeman Vastgoed oud en [A] te maken ernstig persoonlijk verwijt niet zonder meer voort uit de in de schriftelijke overeenkomsten tussen partijen besloten liggende risicoverdeling of uit de houding van Distriport c.s. in de uitvoeringsfase van de tussen partijen gesloten overeenkomsten. Ook subonderdeel 1.2 is tevergeefs voorgesteld.
subonderdeel 2.1zijn deze overwegingen onbegrijpelijk in het licht van het betoog van de Provincie, dat het door Zeeman Vastgoed oud en [A] gelegde conservatoire leveringsbeslag louter is gelegd met een afgeleid belang (als commandiet) ten behoeve van Distriport CV en dus in hoedanigheid van commanditaire vennoten van Distriport CV. De Provincie heeft hierbij gewezen op de tekst van het beslagrekest van 23 juni 2011 en op de grondverkoopovereenkomst, op grond waarvan de Provincie de gronden diende te leveren aan Distriport CV en niet aan Zeeman Vastgoed oud en/of [A] . Op deze (volgens het subonderdeel essentiële) stellingname van de Provincie heeft het hof niet, althans niet voldoende begrijpelijk gerespondeerd. Dat Zeeman Vastgoed oud en [A] zelfstandig contractspartij van de Provincie waren en/of dat Zeeman Vastgoed oud en [A] in dit geding ook uit eigen hoofde vorderingen jegens de Provincie hebben ingesteld en/of dat Distriport BV zelf ook conservatoir leveringsbeslag heeft gelegd in verband met haar eigen vorderingen, doet aan de afgeleide aard van het belang waarmee Zeeman Vastgoed oud en [A] het conservatoire leveringsbeslag hebben gelegd in elk geval niet (zonder meer) af. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, valt immers niet in te zien dat uit deze drie, door het hof in aanmerking genomen omstandigheden valt af te leiden dat de beslaglegging aan de zijde van Zeeman Vastgoed oud en [A]
nietgeschiedde in hoedanigheid van commanditaire vennoten van Distriport CV. Een en ander klemt temeer nu de vorderingen van Distriport c.s., uitgelegd in het licht van de aan het petitum van de inleidende dagvaarding voorafgaande passages, aanvankelijk alleen strekten tot levering van de gronden aan Distriport CV en niet ook aan Zeeman Vastgoed oud en/of [A] . Zeeman Vastgoed oud en/of [A] moeten worden geacht aanvankelijk alleen schadevergoeding te hebben gevorderd wegens wanprestatie en/of onrechtmatige daad; tot zekerheid van
dievorderingen is het conservatoir leveringsbeslag volgens het subonderdeel echter (onmiskenbaar) niet gelegd.