Conclusie
1.Inleiding
4.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdeel 1is het oordeel dat (i) [verweerder] voorafgaand aan de akte van verdeling een verrekeningsverklaring in de zin van art. 6:127 BW Pro heeft uitgebracht onbegrijpelijk (
subonderdeel 1.2) en heeft het hof miskend dat (ii) [verweerder] ná de akte van de verdeling niet meer kon verrekenen, omdat de overbedelingsvordering van [eiser] jegens [verweerder] teniet is gegaan en de notaris het bedrag vanaf de voltooide levering van de woning voor [eiser] is gaan houden (
subonderdeel 1.1).
onderdeel 2dat het hof heeft miskend dat verrekening door [verweerder] destijds niet mogelijk was, omdat (i) hij niet bevoegd was tot betaling van zijn schuld aan zijn schuldeiser, zoals bedoeld in art. 6:127 lid 2 BW Pro, maar slechts (exclusief) aan de notaris (
subonderdeel 2.1), (ii) partijen de bevoegdheid tot verrekening in de akte van verdeling (contractueel) hebben uitgesloten (
subonderdeel 2.2a) en (iii) een beroep (achteraf) op verrekening (bij voorbaat) bij de levering van een registergoed in strijd is met de regeling in art. 7:26 lid 3 BW Pro, waarbij partijen in de akte van verdeling zouden hebben aangesloten, en de eisen van de rechtszekerheid in het notariële rechtsverkeer (
subonderdeel 2.2b).
nrs. 14-15) heeft het hof miskend dat [verweerder] (i) voorafgaand aan de akte van verdeling geen verrekeningsverklaring heeft uitgebracht (subonderdeel 1.2) en (ii) na die akte niet mee kon verrekenen omdat de overbedelingsvordering teniet was gegaan (subonderdeel 1.1).
subonderdeel 1.2. Dit gaat uit van de – m.i. juiste – lezing dat het hof het oog heeft op verrekeningsverklaringen in de zin van art. 6:127 BW Pro die zijn uitgebracht voorafgaand aan de akte van verdeling (
nrs. 24-26).
nrs. 27-37). Dit zou temeer klemmen, omdat uit de processtukken juist zou blijken dat [verweerder] pas ná de akte van verdeling – zelfs pas voor het eerst tijdens de onderhavige procedure – een beroep op verrekening heeft willen doen (
nr. 34).
nrs. 38-39).
nrs. 29-31, 34). [19] Uit de stellingen van [eiser] kan worden afgeleid dat hij de stellingen van [verweerder] ook aldus opgevat dat deze voorafgaand aan de verdeling een beroep op verrekening heeft gedaan. [20]
nr. 37), naar mijn mening niet (laat staan dwingend) een betwisting van het bestaan van verrekeningsverklaringen besloten, maar (veeleer) een betwisting van het rechtsgevolg daarvan.
nrs. 38-39missen feitelijke grondslag en kunnen om die reden niet slagen.
nrs. 16-19). Dit berust echter op een onjuiste lezing van het arrest (zie bij 4.7), zodat deze klachten moeten falen.
nrs. 20-22betreft de uitleg van de verdelingsakte en faalt om de bij subonderdeel 2.2a genoemde redenen (onder
nr. 23bevat het middel geen klacht).
nr. 40). Het onderdeel valt uiteen in twee subonderdelen.
nr. 41). De rechts- en motiveringsklachten in
nrs. 42-43veronderstellen dat uit de akte van 11 december 2012 volgt, dat partijen zijn overeengekomen dat [verweerder] zijn schuld ter zake van de overbedeling uitsluitend kon voldoen door betaling aan de notaris en niet aan de schuldeiser de Erven [A] .
subonderdeel 2.2astaat de akte van verdeling aan verrekening in de weg, omdat partijen daarin de bevoegdheid tot verrekening hebben uitgesloten (
nr. 44).
nr. 45veronderstelt, niet miskend. In rov. 4.8 − in het bijzonder het oordeel dat de schuld van [verweerder] aan de Erven [A] ter zake van overbedeling door verrekening met de vorderingen van [verweerder] op de Erven [A] tot hun gemeenschappelijk beloop teniet is gegaan, omdat in dit geval aan alle wettelijke voorwaarden voor verrekening ex art. 6:127 BW Pro is voldaan − ligt het oordeel besloten dat in dit geval geen sprake is van een contractuele uitsluiting van de bevoegdheid tot verrekening.
nrs. 46-47.
nrs. 48-52dat de uitleg van het hof onbegrijpelijk is. Ik meen dat deze klacht moet falen.
nrs. 49-50). Uit de door het middel geciteerde tekst van de akte blijkt echter niet dat met zoveel woorden verrekening wordt uitgesloten of afstand wordt gedaan van eerdere verrekeningsverklaringen. Nu zou uit de omstandigheden van het geval kunnen blijken dat dit wel de bedoeling van partijen was. Een dergelijke partijbedoeling is door het hof echter niet aangenomen. Dat de betaling via de notaris liep, betekent ook niet zonder meer dat afstand wordt gedaan van verrekening of eerdere verrekeningsverklaringen (vgl. hieronder bij subonderdeel 2.2b). Hierom faalt ook het betoog in de
nrs. 20-22. Het leggen van beslag (of een stelling in eerste aanleg in de zaak. 241399 over het pandrecht van [betrokkene 6] ) door [verweerder] impliceert evenmin dat met de akte van verdeling afstand is gedaan van verrekeningsverklaringen.
nr. 51genoemde argumenten maken dat niet anders. Gezien het falen van subonderdeel 1.2 moet ervan worden uitgegaan dat voorafgaande aan de verdeling verrekeningsverklaringen zijn uitgebracht. Het feitelijke argument dat ondenkbaar is dat [eiser] zou hebben meegewerkt aan de verdeling indien [verweerder] kon verrekenen wordt kennelijk voor het eerst in cassatie aangevoerd, hetgeen niet mogelijk is. Dat in een eerder concept van de akte van verdeling sprake was van een depot [23] behoefde het hof niet van zijn oordeel te weerhouden.
nr. 52is het hof niet ingegaan op essentiële stellingen van [eiser] dat de akte van verdeling aan verrekening in de weg staat.
nr. 52dat het hof de akte van verdeling niet noemt in rov. 4.8 mist blijkens de eerste volzin van die rechtsoverweging feitelijke grondslag.
nrs. 53-54) − zou het, kort gezegd, in strijd zijn met de beschermingsgedachte van art. 7:26 lid 3 BW Pro indien de koper de koopprijs ook door verrekening met tegenvorderingen op de verkoper zou kunnen voldoen, terwijl deze betalingswijze niet in de akte is opgenomen (
nrs. 55-57).
nr. 58; s.t. nr. 7). Volgens art. 6:136 BW Pro kan de rechter een vordering toewijzen indien de tegenvordering waarop de gedaagde zich ter verrekening beroept, niet eenvoudig is vast te stellen. Deze situatie doet zich in de onderhavige zaak echter niet voor.
nrs. 59-61). Voor verrekening op de voet van art. 6:127 BW Pro was geen plaats. Niet [eiser] /Erven [A] , maar de bijzondere gemeenschap nalatenschap [B] had een schuld aan [verweerder] ter zake van het bedrag van € 61.845,78 (
nrs. 62-64).
nr. 65). Voor zover het hof heeft geoordeeld dat beide zich in het vermogen van [eiser] of de Erven [A] bevonden, is het oordeel onjuist en/of onbegrijpelijk gelet op het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden van 5 maart 2013 (
nr. 66).