ECLI:NL:HR:2012:BU3777
Hoge Raad
- Cassatie
- E.J. Numann
- A.M.J. van Buchem-Spapens
- F.B. Bakels
- C.E. Drion
- G. Snijders
- J.C. van Oven
- Rechtspraak.nl
Verrekening alimentatievordering met aan kind gecedeerde vordering uit hoofde van overbedeling
In deze zaak stond de vraag centraal of een alimentatievordering van de moeder verrekend kon worden met een vordering die de vader namens het kind had uit hoofde van overbedeling bij de echtscheiding. Partijen waren gehuwd in algehele gemeenschap van goederen en hadden een echtscheidingsconvenant gesloten waarin de moeder overbedeling aan de vader betaalde, waarna de vader deze vordering aan de kinderen cedeerde.
De moeder wilde haar alimentatievordering verrekenen met de aan het kind gecedeerde vordering, maar het hof verwierp dit beroep op verrekening omdat volgens het hof geen wederkerigheid bestond tussen partijen. De Hoge Raad stelde dat de uitzondering in art. 6:130 lid 1 BW Pro slechts geldt als er een voldoende nauwe samenhang is tussen de vordering en tegenvordering, en dat het enkele feit dat beide vorderingen in hetzelfde convenant zijn geregeld niet automatisch betekent dat zij uit dezelfde rechtsverhouding voortvloeien.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof wegens ontoereikende motivering en verwees de zaak terug voor nadere beoordeling van de samenhang tussen de vorderingen en de omvang van de tegenvordering. Tevens oordeelde de Hoge Raad dat de moeder ontvankelijk was in cassatie, ondanks dat het kind inmiddels meerderjarig was geworden.
Deze uitspraak verduidelijkt het uitzonderingskarakter van verrekening bij cessie en benadrukt de noodzaak van een nauwe samenhang tussen vorderingen om de hoofdregel van identiteit van partijen te doorbreken.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor nadere beoordeling van de samenhang tussen de vorderingen en de omvang van de tegenvordering.