ECLI:NL:PHR:2016:85

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
9 februari 2016
Publicatiedatum
8 maart 2016
Zaaknummer
15/03468
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 94 SvArt. 552a SvArt. 36b SrArt. 552f Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt beschikking teruggave geldbedrag wegens onvoldoende motivering belangen strafvordering

De Rechtbank Oost-Brabant verklaarde het beklag van klager gegrond en beval de teruggave van een geldbedrag van € 7.900,- dat in beslag was genomen op Eindhoven Airport. De rechtbank vond de verdenking van witwassen onvoldoende substantieel en achtte het hoogst onwaarschijnlijk dat het geld verbeurd zou worden verklaard.

Het Openbaar Ministerie stelde cassatieberoep in tegen deze beschikking. De Hoge Raad oordeelde dat de rechtbank in haar beslissing onvoldoende rekening had gehouden met het summiere karakter van de beklagprocedure en te vroeg was voorgegaan op een mogelijke uitkomst van een strafzaak. Tevens werden door het OM aanvullende feiten aangevoerd, zoals het voorkomen van grote coupures van € 500,- en wisselende verklaringen van klager over de herkomst van het geld.

De Hoge Raad concludeerde dat de rechtbank haar oordeel onvoldoende had gemotiveerd en dat het belang van strafvordering het voortduren van het beslag mogelijk rechtvaardigt. Daarom vernietigde de Hoge Raad de bestreden beschikking en verwees de zaak terug voor nadere beoordeling.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en verwijst de zaak terug wegens onvoldoende motivering omtrent het belang van strafvordering bij het beslag.

Conclusie

Nr. 15/03468 B
Mr. Harteveld
Zitting 9 februari 2016
Conclusie inzake:
[klager]
1. De Rechtbank Oost-Brabant heeft bij beschikking van 3 juli 2015 het namens de klager ingediende beklag ex art. 552a Sv gegrond verklaard en de teruggave aan hem gelast van een geldbedrag van € 7.900,-.
2. Tegen deze beschikking is door de officier van justitie, mr. R. van Schijndel, cassatieberoep ingesteld. De plaatsvervangend officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Brabant, mr. H.H.J. Knol, heeft een middel van cassatie voorgesteld.
3. Namens de klager is het cassatieberoep van het openbaar ministerie bij schrijven van 27 oktober 2015 - ingekomen bij de Hoge Raad op 27 oktober 2015 - door mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, tegengesproken.
4.1. Het
middelklaagt over de gegrondverklaring van het beklag, onder meer op de grond dat het oordeel van de Rechtbank dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, het inbeslaggenomen geldbedrag verbeurd zal verklaren, ontoereikend is gemotiveerd.
4.2. De bestreden beschikking houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
“Het klaagschrift strekt tot opheffing van het op 5 april 2015 door de douane in de vertrekhal van de Internationale luchthaven Eindhoven Airport gelegde beslag op een aan klager toebehorend geldbedrag van € 7.900,- en de teruggave daarvan aan klager.
(…)
Op 3 juli 2015 is het klaagschrift in openbare raadkamer behandeld. De bepaaldelijk gemachtigde raadsman van klager, mr. D. Nieuwenhuis, is in raadkamer verschenen. De raadsman heeft gepersisteerd bij het klaagschrift. Het geldbedrag dat is aangetroffen bij klager betreft volgens klager spaargeld, giften en een lening.
De officier van justitie heeft zich verzet tegen de inwilliging van het klaagschrift. Zij aangegeven dat klager wordt verdacht van witwassen en dat te zijner tijd ter terechtzitting door de officier van justitie de verbeurdverklaring van voornoemd geldbedrag gevorderd zal worden.

De beoordeling

(…) De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat het belang van strafvordering zich verzet tegen opheffing van het beslag op voornoemd geldbedrag. Naar het oordeel van de rechtbank is uit de stukken en het verhandelde in raadkamer de verdenking dat klager zich schuldig gemaakt zou hebben aan witwassen, niet voldoende substantieel geworden. Het enkel aantreffen van een geldbedrag van € 7.900,- (gedeeltelijk in coupures van € 500,-) in een broekzak en de informatie dat klager vanaf 2010 tot medio mei 2013 een bijstandsuitkering heeft genoten en van hem over het jaar 2014 geen bronnen van inkomen bekend zijn, is niet voldoende om klager te verdenken van het plegen van witwassen. De rechtbank acht vooralsnog het verifieerbaar verhaal van klager dat het aangetroffen geldbedrag, spaargeld, giften en een lening betreft, niet volstrekt ongeloofwaardig. De rechtbank acht dan ook hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter, later oordelend, voornoemd in beslag genomen geldbedrag verbeurd zal verklaren. Nu van een ander belang van strafvordering niet is gebleken, staat aan opheffing van het op het geldbedrag gelegde beslag niets in de weg, zodat de rechtbank de teruggave van het geldbedrag aan klager zal bevelen.

DE BESLISSING

De rechtbank verklaart het beklag
gegronden gelast de teruggave van voornoemd geldbedrag aan klager.”
4.3.
In geval van een beklag van de beslagene tegen een op de voet van art. 94 Sv Pro gelegd beslag dient de rechter a. te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen, b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd.
Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor art. 94 Sv Pro de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer het inbeslaggenomene kan dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen. Voorts verzet het door art. 94 Sv Pro beschermde belang van strafvordering zich tegen teruggave indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer zal bevelen, al dan niet naar aanleiding van een afzonderlijke vordering daartoe als bedoeld in art. 36b, eerste lid onder 4°, Sr in verbinding met art 552f Sv.
Bij dit een en ander dient de rechter in aanmerking te nemen dat het onderzoek in raadkamer een summier karakter draagt en dat hij niet ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure mag treden. [1]
4.4.
De Rechtbank heeft aan haar oordeel dat het belang van strafvordering zich in het onderhavige geval niet tegen teruggave van het inbeslaggenomen geldbedrag verzet ten grondslag gelegd dat de witwasverdenking “niet voldoende substantieel [is] geworden”, nu “het enkel aantreffen van een geldbedrag van € 7.900,- (gedeeltelijk in coupures van € 500,-) in een broekzak en de informatie dat klager vanaf 2010 tot medio mei 2013 een bijstandsuitkering heeft genoten en van hem over het jaar 2014 geen bronnen van inkomen bekend zijn, niet voldoende is om klager te verdenken van het plegen van witwassen” en dat “vooralsnog het verifieerbare verhaal van klager dat het aangetroffen geldbedrag, spaargeld, giften en een lening betreft, niet volstrekt ongeloofwaardig [wordt geacht]”. Gelet hierop acht de Rechtbank het hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het inbeslaggenomen geldbedrag zal bevelen. Tegen voornoemde overwegingen richt het middel zich mijns inziens terecht. Door aldus te oordelen is de Rechtbank in haar overwegingen voorbij gegaan aan het summiere en voorlopige karakter van de beklagprocedure. De Rechtbank is immers met haar beslissing in de beklagprocedure vooruitgelopen op een mogelijke uitkomst van een nog te voeren strafzaak tegen de klager. Voorts acht ik van belang hetgeen de officier van justitie daarnaast nog in raadkamer heeft aangevoerd onder meer inhoudende dat sprake was van een tweetal “witwastypologieën”: het geldbedrag betrof voor een groot deel coupures van € 500,- die in het criminele circuit plegen te worden gebruikt, terwijl het fysiek vervoer van grote bedragen in contanten een aanzienlijk veiligheidsrisico met zich mee brengt, dat de klager niet beschikte over bekende legale inkomsten en dat hij wisselende verklaringen heeft afgelegd over de herkomst van het bij hem inbeslaggenomen geldbedrag. Het voorgaande in ogenschouw genomen, meen ik dat de door de Rechtbank in aanmerking genomen feiten en omstandigheden niet zonder meer kunnen meebrengen dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de later oordelende strafrechter de verbeurdverklaring van het inbeslaggenomen geldbedrag zal bevelen. De beslissing van de Rechtbank is derhalve ontoereikend gemotiveerd.
4.5.
Het middel klaagt daarover terecht.
5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot zodanige beslissing met betrekking tot verwijzen of terugwijzen als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Zie o.m. HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654, rov. 2.2, 2.9 en 2.11, en HR 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:976.