Conclusie
Curaçao Real Estate Development N.V.
1. Feiten en procesverloop
- a) [betrokkene] heeft op 7 juni 2007 onder nummer [001] een vergunning gekregen tot het bouwen van een appartementencomplex aan de Penstraat z/n, bekend als ‘The Strand’.
- b) CRED is eigenaar van het terrein waarop ‘The Strand’ is gebouwd.
- c) [betrokkene] heeft de vergunning overgedragen aan CRED, die de exploitatie van het terrein heeft overgenomen.
- d) [verzoeker] is eigenaar en bewoner van een appartement in het complex ‘Beau Rivage’ aan de Penstraat. Het appartement van [verzoeker] grenst aan het perceel waarop ‘The Strand’ is gebouwd.
- e) Ter hoogte van het appartement en het terras van [verzoeker] is door CRED, na hiertoe vergunning te hebben verkregen, een scheidsmuur opgetrokken.
primair,dat het bouwen en hebben van de scheidsmuur hoger dan 1,50 meter in strijd is met art. 14 jo Pro. 12 Bouw- en Woningverordening en dat de bouw op grond van art. 5:49 BWC Pro onrechtmatig is.
Subsidiairberoept [verzoeker] zich op art. 5:37 BWC Pro omdat sprake is van onrechtmatige hinder wegens het onthouden van uitzicht en wind.
Meer subsidiairstelt [verzoeker] zich op het standpunt dat CRED misbruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid om de scheidsmuur te bouwen nu daarmee kennelijk geen ander doel is beoogd dan het schaden van de belangen van [verzoeker].
2.Bespreking van het cassatiemiddel
ten eerstedat het hof in rov. 2.3 t/m 2.5 ten onrechte niet is ingegaan op de (op p. 5 van het cassatierekest van vindplaatsen voorziene) stelling van [verzoeker] dat de door CRED opgerichte muur van 2,40 meter hoog onrechtmatige hinder voor [verzoeker] veroorzaakte. Daardoor zouden deze overwegingen onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd zijn.
tweedeklacht berust op de lezing dat het Hof in rov. 2.4 heeft geoordeeld (i) dat geen sprake is van onrechtmatige hinder, en wel (ii) doordat CRED bereid was mee te werken aan de door het hof geopperde oplossing. [5] Geklaagd wordt dat dit oordeel onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd is, gelet op het onbehandeld laten door het Hof van de hiervoor genoemde stellingen van [verzoeker] en/of omdat het Hof gelet op de vordering van [verzoeker] diende te beoordelen of de door CRED opgetrokken muur van 2,40 meter hoog onrechtmatige hinder veroorzaakte en niet of de door CRED verlaagde muur onrechtmatig was.
zodat van hinder geen sprake meer is…’), maar dat de vordering van [verzoeker] hoe dan ook niet kan worden toegewezen omdat de toewijzing ervan zou leiden tot een situatie in strijd met art. 5:50 BWC Pro. Aldus staat een wettelijke bepaling, art. 5:50 BWC Pro, in de weg aan toewijzing van een in beginsel daarvoor vatbare vordering op grond van onrechtmatige hinder ex art. 5:37 BWC Pro (zie art. 3:296 lid 1 BWC Pro). De schending van art. 5:50 BWC Pro bestaat hierin, dat na verlaging van de muur tot 1,50 meter hoogte (conform het vonnis van het GEA) de privacy van de aangrenzende bewoner van ‘The Strand’ onvoldoende verzekerd is tegen inkijk vanaf de houten vlonder vóór het appartement van [verzoeker] (rov. 2.3).
eersteklacht van onderdeel a, waarmee het Hof wordt verweten geen aandacht te hebben besteed aan de vraag of de door CRED opgerichte muur van 2,40 meter hoog onrechtmatige hinder voor [verzoeker] veroorzaakt.
tweedeklacht berust op een verkeerde lezing van het vonnis en faalt derhalve bij gemis aan feitelijke grondslag. Het Hof heeft immers niet geoordeeld dat de 2,40 meter hoge muur geen hinder oplevert. Voorts berust zijn eindoordeel dat de vordering van [verzoeker] niettegenstaande de vastgestelde hinder moet worden afgewezen niet op de in rov. 2.4 geconstateerde bereidheid van CRED om in te stemmen met het aanbrengen van wind doorlatende sierblokken, maar op het geslaagde beroep van CRED op art. 5:50 BWC Pro (rov. 2.3). In rov. 2.4 overweegt het Hof slechts ten overvloede dat het partijen in overweging heeft gegeven de naar aanleiding van het vonnis van het GEA verlaagde muur te verhogen met wind doorlatende sierblokken, maar dat [verzoeker] uiteindelijk heeft verklaard onder geen enkele omstandigheid bereid te zijn hieraan mee te werken.
bovenverdieping. Een dergelijk vereiste wordt door art. 5:50 lid 1 BWC Pro niet gesteld, terwijl het ook niet volgt uit de strekking van de bepaling. [16]
onderdeel dheeft het Hof in rov. 2.3 ten onrechte overwogen dat de privacy van de aangrenzende ‘The Strand’-bewoner onvoldoende verzekerd is tegen inkijk (zicht) vanaf het werk indien de scheidsmuur ten opzichte van het werk een hoogte heeft van 1,50 meter. Dit oordeel zou onjuist en/of onbegrijpelijk zijn, omdat er in wezen geen verschil bestaat tussen het onderhavige terras en een tuin waar langs (of op) de erfgrens een scheidsmuur is opgetrokken tot een hoogte van 1,50 meter als bedoeld in art. 5:49 BWC Pro, welke hoogte voor het naastgelegen perceel geacht wordt voldoende privacy te bieden.
onderdeel ehoudt in dat het hof in rov. 2.3 ten onrechte voorbij is gegaan aan de essentiële stelling van [verzoeker] dat hij bereid is op zijn terras voorzieningen aan te brengen zodat het zicht op het aangrenzende erf wordt ontnomen. [21] Dit maakt het oordeel van het hof onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd, aldus het middel.
onderdeel fwordt geklaagd dat het hof, mede gelet op de devolutieve werking van het hoger beroep, ten onrechte voorbij is gegaan aan de in eerste aanleg en in hoger beroep door [verzoeker] ingenomen en als essentieel aan te merken stellingen dat het optrekken door CRED van een 2,40 meter hoge scheidsmuur (i) misbruik van bevoegdheid oplevert (art. 3:13 BWC Pro) [24] en (ii) in strijd is met (de ratio van) art. 5:49 BWC Pro en art. 14 jo Pro. 12 Bouw- en Woningverordening 1935. [25] Daardoor zou het Hof een onbegrijpelijke althans ontoereikend gemotiveerde beslissing hebben gegeven.
onderdeel gdeelt het lot van de voorgaande klachten.