ECLI:NL:PHR:2003:AF5547
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Begrip balkons of soortgelijke werken in art. 5:50 BW en misbruik van bevoegdheid in burenrecht
In deze burenzaak ging het om de vraag of een plat dak van een uitbouw kan worden aangemerkt als een balkon of soortgelijk werk in de zin van art. 5:50 lid 1 BW Pro, dat het uitzicht op het naburig erf reguleert. Eisers wilden hun woning uitbreiden met een plat dak, waarover verweerders bezwaar maakten vanwege het uitzicht op hun erf en mogelijke inkijk.
De rechtbank wees de vordering af, maar het hof vernietigde dit en oordeelde dat het platte dak onder het begrip 'balkon of soortgelijk werk' valt, waarbij het hof ook een erfdienstbaarheid van uitzicht tot de diepte van het vroegere balkon aannam. Het hof verbood het plaatsen van een balustrade te dicht bij de erfgrens en verwierp het beroep op misbruik van bevoegdheid.
De Hoge Raad bevestigde dat het begrip 'balkon of soortgelijk werk' ruim moet worden uitgelegd en dat een plat dak, mits geschikt als dakterras, hieronder kan vallen. De beoordeling van de inrichting en gebruiksmogelijkheden van het dak is daarbij van belang. Ook oordeelde de Hoge Raad dat het beroep op misbruik van bevoegdheid niet slaagt, omdat het hof een eigen belangenafweging heeft gemaakt conform art. 3:13 BW Pro.
De uitspraak benadrukt dat het doel van art. 5:50 BW Pro is om de privacy van buren te beschermen tegen ongewenst uitzicht, en dat niet elk bouwwerk binnen twee meter van de erfgrens verboden is, maar dat de context en feitelijke omstandigheden doorslaggevend zijn.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; het platte dak valt onder art. 5:50 BW en het verbod op de balustrade is rechtmatig.