De doorzoeking zou plaatsvinden met als doel het opsporen en in beslag nemen van het vermoedelijk aanwezig zijnde vuurwapen.
Op maandag 27 januari 2014 te 16.31 uur stonden wij tezamen met de hulpofficier van Justitie H.R. Keijzer voor de voordeur van een woonboot, welke is gelegen aan de [a-straat 2] te [plaats] . Ik, [verbalisant 1] , zag dat er werd opengedaan door een slecht ter been zijnde bejaarde man, welke verklaarde dat hij alleen in de woning woonde. Ik, [verbalisant 1] , vermoedde dat we niet bij de juiste woonboot aanwezig waren.
Op datzelfde moment zagen wij uit het zijraam van een andere woonboot gelegen naast de woonboot van nummer [2] , een jonge vrouw met een baby op haar arm. Wij hoorden dat de vrouw ons vroeg of ze wat voor ons kon doen. Gezien de voorinformatie over de bewoners van de woonboot, waar we naar het vuurwapen wilde zoeken, leek het ons aannemelijk dat we bij die woonboot moesten zijn.
Wij zijn vervolgens naar de woonboot, waar de vrouw uit het raam ons had toegesproken, toegelopen. Ik, [verbalisant 1] , belde bij de woonboot, welke voorzien bleek te zijn van perceelnummer [3] aan. De vrouw opende de voordeur van de woonboot. Deze vrouw bleek later de eerdergenoemde [betrokkene 1] te zijn. Ik, [verbalisant 1] deelde [betrokkene 1] mee dat we in verband met een tip op zoek waren naar een vuurwapen dat in de woonboot aanwezig zou zijn. Ik heb [betrokkene 1] de uitlevering van het vuurwapen gevorderd. Ik hoorde [betrokkene 1] zeggen dat ze niets van een vuurwapen wist. Ik heb [betrokkene 1] vervolgens gevraagd of we met haar toestemming de woning in mochten om deze te doorzoeken. Ik vertelde [betrokkene 1] dat ik een machtiging tot binnentreden had. Ik hoorde dat [betrokkene 1] aan mij verklaarde dat ze niets te verbergen had en dat we naar binnen mochten en mochten doorzoeken. Ik hoorde [betrokkene 1] tevens verklaren dat ze de machtiging niet hoefde te zien.
Nadat wij binnen waren gelaten door [betrokkene 1] , gaf [betrokkene 1] aan mij, [verbalisant 1] , de telefoon en zei tegen mij dat [verdachte] met mij wilde spreken. Nadat ik de telefoon had aangenomen, hoorde ik [verdachte] aan mij verklaren dat er geen vuurwapen in de woonboot aanwezig was, maar er wel een blauwe doos van een vuurwerkpistool op het keukenkastje lag.
Wij, [verbalisant 5] en [verbalisant 4] , hebben vervolgens bovenop de keukenkastjes een blauwe kunststof doos van een (nep-)vuurwapen, merk Colt Government en een kartonnen doos met meerdere knalpatronen van het merk Pyro aangetroffen. De genoemde goederen zijn in beslag genomen.
Ik, [verbalisant 1] , hoorde [verdachte] aan de telefoon mij tevens verklaren dat het pistool, dat bij de blauwe doos hoorde, niet in de woonboot aanwezig was, maar in zijn auto lag, die in Amsterdam-Noord staat. Ik hoorde [verdachte] zeggen dat hij naar de woonboot toe zou komen.
Wij, [verbalisant 2] , [verbalisant 4] , [verbalisant 3] en [verbalisant 5] , zijn vervolgens de woonboot systematisch gaan doorzoeken. Daarbij werd door mij, [verbalisant 5] , in een keukenkastje een doosje met daarin drie knalpatronen van het merk Walther aangetroffen. Dit doosje met knalpatronen is in beslag genomen.
Tijdens de doorzoeking arriveerde [verdachte] in de woonboot. [verdachte] verklaarde mij, [verbalisant 1] , desgevraagd nogmaals dat er in zijn auto, die in Amsterdam-Noord in een garage zou staan, het pistool lag, welke bij het blauwe doosje hoorde. Ik hoorde dat [verdachte] mij verklaarde mee te werken en met ons mee te willen gaan naar de garage, teneinde het pistool aan ons uit te leveren.