Conclusie
1.Feiten en procesverloop
primair: € 1.655.200,-, vermeerderd met wettelijke rente daarover vanaf 14 mei 1991, doch verminderd met het door de erven [eiser 4] van de Gemeente ontvangen bedrag (€ 97.738,- plus wettelijke rente vanaf 7 maart 2007), zulks op de grondslag dat wijlen [eiser 4] c.q. zijn erfgenamen zelf de bestemming zouden hebben gerealiseerd;
subsidiair: € 511.836,52, vermeerderd met wettelijke rente daarover vanaf 14 mei 1991, doch verminderd met € 97.738,- plus wettelijke rente vanaf 7 maart 2007, zulks op de grondslag dat Eurowoningen de gronden ten noorden van de [a-straat] in eigendom overneemt;
meer subsidiair:€ 185.218,-, zijnde de wettelijke rente van € 97.738,- over de periode 14 mei 1991 – 5 maart 2007.
2.Bespreking van de cassatiemiddelen
onderdeel 1.2dat het hof onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt hoe deze regels zijn toegepast. Volgens
onderdeel 1.3is het oordeel onbegrijpelijk gemotiveerd, gelet op de essentiële stellingen en bewijsaanbiedingen van de erven [eiser 4] .
Onderdeel 2a.1klaagt dat het hof met dit oordeel miskent dat de schadestaatprocedure een voortzetting is van de aansprakelijkheidsprocedure die werd ingeleid met de dagvaarding d.d. 14 mei 1991.
Onderdeel 2a.2klaagt dat het hof miskent dat (binnen het bereik van de veroordeling in de aansprakelijkheidsprocedure) een eisende partij nieuwe posten in de schadestaat mag opnemen, onverschillig of in de aansprakelijkheidsprocedure al schadeposten waren gesteld.
Onderdeel 2a.3houdt in dat het hof miskent dat de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van een veroordelend vonnis verjaart na het verstrijken van 20 jaar en dat de termijn vijf jaar bedraagt uitsluitend ten aanzien van hetgeen ingevolge de uitspraak bij het jaar of een kortere termijn moet worden betaald.
Onderdeel 2a.4komt neer op de klacht dat het hof heeft miskend dat het dictum van het (voormelde) vonnis van 30 september 1994 niet inhield een veroordeling tot het betalen van een bepaald bedrag: ter zake van de betaling van wettelijke rente kon, volgens de erven [eiser 4] , deze veroordeling niet worden tenuitvoergelegd binnen de door art. 3:324 lid 3 BW Pro genoemde termijn. Mocht het hof deze regels niet hebben miskend, dan is het oordeel van het hof onbegrijpelijk gemotiveerd, aldus
onderdeel 2a.5. De toelichting op deze klacht houdt kort samengevat in dat de omvang van de wettelijke rente in deze periode nog niet concreet kon worden vastgesteld.
ingevolge de uitspraakbij het jaar of kortere termijn moet worden betaald’): het hof heeft in het dictum een vast bedrag (groot € 107.782,04) toegewezen. Op het tijdstip waarop de vordering werd ingesteld moest de hoogte van de schadevordering nog worden vastgesteld en zou, bij toewijzing van enig bedrag aan schadevergoeding, de wettelijke vertragingsrente het karakter hebben van een nevenverplichting (bijv: wijst toe bedrag X, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de datum van dagvaarding tot de dag van betaling); in die situatie is de vijfjaarstermijn van art. 3:324 lid 3 BW Pro van toepassing op de tenuitvoerlegging van het vonnis waarin de vertragingsrente wordt toegewezen. De erven [eiser 4] hebben twee schuldenaren naast elkaar aangesproken − de Gemeente en Eurowoningen – voor schade die gedeeltelijk dezelfde was. De omstandigheden van dit geval brachten mee dat de hoofdsom van de schade (€ 97.738,-) al was betaald door de andere schuldenaar (de Gemeente), zodat tegen Eurowoningen slechts kon worden toegewezen de wettelijke rente over € 97.738,-, vervallen in het tijdvak tussen 14 mei 1991 en 5 maart 2007. Wat aanvankelijk een nevenvordering was, lijkt in de formulering van het dictum de hoofdverplichting van Eurowoningen te zijn geworden. Het ligt m.i. meer voor de hand voor de uitleg van art. 3:324 lid 3 BW Pro aansluiting te zoeken bij art. 3:308 BW Pro. De ratio van die bepaling is de bescherming van de schuldenaar tegen het oplopen van zulke periodiek verschijnende geldelijke nevenverplichtingen. Zo opgevat, geeft de bestreden beslissing geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het bepaalde in art. 3:324 BW Pro. Een zuiver rechtsoordeel kan niet met vrucht worden bestreden via een motiveringsklacht, zodat onderdeel 2a.5 verder onbesproken kan blijven. De klachten onder 2.a falen.
Onderdeel 2b.1klaagt dat het hof miskent dat de lopende verjaring wordt gestuit, althans gedurende een bepaalde periode niet doorloopt, indien tussen partijen de afspraak is gemaakt dat de vordering in die periode niet opeisbaar zal zijn.
Onderdeel 2b.2klaagt dat het hof miskent dat een bevrijdende verjaring alleen ziet op de periode waarin de vordering opeisbaar is.
Onderdeel 2b.3voegt hieraan toe dat het hof heeft miskend dat partijen bij overeenkomst een opeisbare vordering niet-opeisbaar kunnen maken. Mocht het hof dit niet hebben miskend, dan is het oordeel volgens
onderdeel 2b.5ontoereikend gemotiveerd, gezien de essentiële stellingen en (tegen)bewijsaanbiedingen van de erven.
3.Voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep
onderdeel 1klaagt Eurowoningen over een onbegrijpelijke lezing van de processtukken: de erven [eiser 4] hebben in de procedure bij het hof niet aangevoerd dat sprake is van stuiting van de verjaring in de zin van art. 3:325 BW Pro, althans daartoe niet voldoende kenbaar een beroep gedaan op de genoemde brieven.
Onderdeel 2klaagt over een onjuiste rechtsopvatting althans ontoereikende motivering, nu de mededeling dat nakoming zal worden gevorderd niet de gevolgtrekking kan dragen dat sprake is geweest van een stuiting in de zin van art. 3:325 BW Pro.
Onderdeel 3klaagt dat, nu de erven [eiser 4] niet (althans niet voldoende kenbaar) hebben gesteld dat de brief van 17 december 2002 de verjaring stuitte, het hof − door niettemin te oordelen dat de brief de verjaring stuitte − in strijd met art. 24 Rv Pro de feitelijke grondslag van de vordering heeft aangevuld.