Conclusie
1.De payrollkracht wordt tewerkgesteld bij:
3.Beloningskeuze
4.Uitbetaling loon
5.Duur van de overeenkomst
6.CAO voor Uitzendkrachten
7.Einde van rechtswege
8.Uitzendbeding
9.Uitsluiting loondoorbetalingsverplichting
10.Veiligheidsinstructies
11.Overige condities
12.Toepasselijk recht
2.Procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Telfort/Scaramea) neergelegde maatstaf miskend door het verstekvonnis van 13 mei 2013, waarin oorspronkelijk gedaagde is veroordeeld tot betaling van de loonvordering van oorspronkelijk eiser, te vernietigen op de grond dat eerstgenoemde zijn veroordeling is nagekomen en [eiser] daardoor ten tijde van de bestreden vonnissen in de verzetprocedure én in hoger beroep geen belang meer bij zijn loonvordering had (
klacht 1a);
klacht 1b) en de grenzen van de rechtsstrijd miskend althans ten onrechte aangenomen dat het hier om een rechtsgrond van openbare orde gaat op grond waarvan de appelrechter buiten de rechtsstrijd mag/moet treden (
klacht 1c);
klacht 1d);
klacht 2).
ex nunc [2] . Dit is een uitvloeisel van de devolutieve werking van het appel die meebrengt dat de zaak wordt beoordeeld naar de stand van zaken ten tijde van de beslissing van de appelrechter, zowel ten aanzien van het spoedeisend belang, als ten aanzien de toewijsbaarheid van de vordering [3] . De aan te leggen toets draait in wezen om de vraag of, de belangen van partijen afwegende, een bodemprocedure kan worden afgewacht [4] . De voorzieningenrechter dient dat ambtshalve te controleren, ook buiten de grieven om [5] . In cassatie staat vast dat de aan de gevorderde voorziening ten grondslag liggende loonvordering ten tijde van het bestreden arrest nagenoeg volledig was voldaan (en wel door medegedaagde [B] na betekening van het verstekvonnis). Met het (nagenoeg volledig) tenietgaan van de loonvordering door deze betaling kon het hof in kort geding oordelen dat daarmee niet langer sprake was van spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening ten tijde van het wijzen van arrest [6] . Het is juist dat een loonvordering in kort geding meestal spoedeisend is, omdat de werknemer het loon nodig heeft voor zijn levensonderhoud [7] , maar in dit geval lag dat door voornoemde betaling inmiddels in appel anders. Voor het hof leverde het marginale geldbedrag dat resteerde kennelijk onvoldoende spoedeisend belang op. Dat kan gelet op de minder strenge motiveringseisen in kort geding volgens mij zo door de beugel [8] . Voor het overige gaat het hier om een feitelijk oordeel, dat in cassatie verder niet kan worden getoetst [9] .
Telfort/Scaramea. De steller van het middel heeft, zo valt uit diens s.t. op te maken, moeite met de uitkomst van de onderhavige procedure: een werkgever wordt bij verstek veroordeeld tot betaling van loon, voldoet aan daaraan en stelt tevergeefs verzet in, in appel wordt de uitspraak van de kantonrechter vernietigd, omdat aan de veroordeling is voldaan en vervolgens wordt de werknemer veroordeeld in de kosten van beide instanties. Hier is iets misgegaan, luidt zijn stelling [10] .
Z/B) en zou klacht 1a slagen.
Telfort/Scaramea,de analyse te beginnen bij het arrest waar dit op voortborduurt,
Meccano/Remco Toys c.s. [12] . In dat kort geding werd in eerste aanleg aan Remco Toys en Otto Simon op straffe van een dwangsom op drie gronden (slaafse nabootsing, merkinbreuk en strijd met veiligheidsvoorschriften) bevel gegeven om de distributie en verkoop in Nederland van bepaald speelgoed te staken, met toewijzing van een aantal nevenvorderingen, zoals bekendmaking van de uitspraak in een aantal kranten en gedwongen berichtgeving aan afnemers dat sprake is van gevaarlijk speelgoed. In hoger beroep liet het hof slechts één van die gronden (slaafse nabootsing) in stand en oordeelde daarnaast dat er geen spoedeisend belang meer bestond bij een aantal in eerste aanleg toegewezen nevenvorderingen, omdat die volgens het hof grotendeels samenhingen met de afgewezen grondslagen en het hof ervan uitging dat na tenuitvoerlegging van het kort geding vonnis het inbreukmakend geacht handelen was gestaakt (en de wat annotator Verkade noemt: “landelijke (schandpaal-) advertenties” het hof sowieso te ver ging). Meccano stelde zich in cassatie op het standpunt dat zij wel degelijk belang behield bij toewijzing van de oorspronkelijke nevenvorderingen vanwege de (dreigende) terugbetaling van reeds geïncasseerde dwangsommen (ad f 210.000,- volgens annotator Verkade) en (dreigende) veroordeling tot schadevergoeding wegens de tenuitvoerlegging van het vonnis in eerste aanleg. Uw Raad oordeelde daarover anders:
Meccano, dat het hof een splitsing aanbrengt in
ex tuncen
ex nuncbeoordelingen, in die zin dat het in appel ontbrekende spoedeisend belang wel tot afwijzing leidt van de voorzieningen voor de toekomst, maar de gevolgen van de eerdere veroordeling voor het verleden of tot een bepaald tijdstip gelegen voor de appeluitspraak in stand worden gelaten [13] . De appelrechter kan dit doen door vast te stellen dat er voor de gevraagde voorziening nu geen spoedeisend belang meer is (het achterstallig loon is betaald door [B]), maar dat dit in eerste aanleg wel zo was (openstaande loonvordering van [eiser] nog niet betaald toen), dat de maatregel toen terecht is opgelegd (en eventuele verbeurde dwangsommen (speelt uiteraard niet in onze zaak) zodoende verbeurd blijven). In de conclusie voor
Meccanowijst A-G Langemeijer op deze ‘retrospectie’ als mogelijke oplossing voor het probleem van een vernietiging in hoger beroep van een in eerste aanleg op straffe van een dwangsom opgelegd bevel waardoor de grondslag aan inmiddels verbeurde dwangsommen komt te ontvallen (een oplossing die overigens in de betreffende casus vanwege de formulering van de concrete veroordeling door het wegvallen van twee grondslagen in appel, niet kon worden toegepast):
mogelijkvervallen van de titel van de betaling door [B] aan [eiser]. Ik zeg met nadruk mogelijk: in
Meccanowas er buiten het vernietigde vonnis geen rechtsgrond waarop Otto Simon dwangsommen aan Meccano verschuldigd was, maar dat kan met de betaling aan [eiser] in onze zaak heel goed anders liggen.Weliswaar heeft vernietiging van het verstekvonnis in kort geding tot gevolg dat deze uitspraak van meet af aan geacht moet worden niet te hebben bestaan en dat eventueel op grond van die uitspraak verrichte betalingen teruggedraaid moeten worden als onverschuldigd betaald [14] , bepaald niet uitgesloten is volgens mij dat de (bodemrechter zal oordelen dat de) aan [eiser] gedane betaling berust op de overeenkomst [B]-[eiser]. Dat is een belangrijk verschil met
Meccano: of de rechtsgrond van de betaling in stand blijft hangt in de onderhavige zaak niet uitsluitend af van de beslissing in het hoger beroep van dit kort geding; die vraag kan in een latere bodemprocedure aan de orde komen. In zoverre spreekt de door A-G Langemeijer genoemde tegenwerping uit 2.6 dat retrospectie in een kort geding niet nodig is omdat het slechts om voorlopige voorzieningen gaat en niet om een definitieve vaststelling van rechten en verplichtingen, in onze zaak wél aan. Om deze reden zou aangenomen kunnen worden dat het oordeel in
Meccanodat het hof niet verplicht is rekening te houden met het wegvallen van de titel voor de tenuitvoerlegging van het in eerste aanleg gewezen vonnis,
a fortiorigeldt ten aanzien van het (mogelijk) wegvallen van de titel voor het voldoen aan de veroordeling in eerste aanleg.
Telfort/Scaramea. Tussen Scaramea (die internetdiensten aanbood) en netwerkbeheerder Telfort rees een geschil over niet-nakoming door Telfort van afspraken die partijen hadden gemaakt over de levering van ‘interconnectie-capaciteit’. Scaramea entameerde daarop een kort geding waarin Telfort werd veroordeeld om binnen acht dagen na betekening een interconnectie-capaciteit ter grootte van 5000 poorten aan Scaramea ter beschikking te stellen op straffe van een dwangsom in de miljoenen. Telfort kwam de veroordeling niet na en verbeurde het maximum aan dwangsommen. In hoger beroep werd deze veroordeling bekrachtigd, met uitzondering van het aantal poorten; in zoverre opnieuw rechtdoende werd het aantal poorten bepaald op 1656. Telfort klaagde in cassatie dat het hof niet had onderzocht of Scaramea in hoger beroep nog voldoende (spoedeisend) belang had bij haar vordering, in het bijzonder gelet op de bij pleidooi door haar betrokken stelling dat Scaramea inmiddels geheel op het netwerk van KPN was overgegaan en mitsdien geen prijs meer stelde op levering door Telfort (middel II). Daarnaast klaagde Telfort dat het hof het vonnis waarvan beroep had moeten vernietigen in plaats van de bekrachtigen met uitzondering van het daarin genoemde poorten (middel III). Middel II faalt, maar middel III slaagt:
ex nuncnog sprake is van spoedeisend belang voor de gevraagde voorziening hoeft niet uitgevoerd te worden in een geval dat appellant in hoger beroep uitsluitend ter discussie stelt of het vonnis van de voorzieningenrechter juist is gewezen in het kader van de vraag of daarin opgelegde dwangsommen zijn verbeurd. Alleen al daarom gaat de klacht uit 1a dat de maatstaf uit
Telfort/Scarameain onze zaak is miskend niet op [15] .
ex nunctoetsing van de spoedeisendheid én de toewijsbaarheid van de vordering meebrengt:
ambtshalvebeschikt over de
mogelijkheidvan retrospectie is dat in elk geval niet meer zo na HR 20 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6591, NJ 2011/240 (
[…]/Stichting Berregratte) [16] . In deze huurzaak werd verhuurster bij vonnis in kort geding in eerste aanleg veroordeeld om op straffe van een dwangsom onmiddellijk het rustig genot van de onroerende zaak aan de huurder te verschaffen. Het hof vernietigde dit vonnis, maar uit zijn overwegingen bleek dat het had bedoeld het vonnis te vernietigen enkel voor de periode na ommekomst van de opzegtermijn die, naar het oordeel dat naar alle waarschijnlijkheid door de bodemrechter zou worden geveld, door verhuurster in acht genomen had moeten worden. Dat oordeel, met het gevolg dat de aanspraak van huurder van door verhuurster vóór bedoeld tijdstip eventueel verbeurde dwangsommen kwam te vervallen, vond Uw Raad onbegrijpelijk gemotiveerd. Áls het hof retrospectie toepast, moet dat ook op logisch consistente wijze in het dictum weerklinken, zo begrijp ik het arrest. Daarbij past wel de nuancering dat Berregratte in cassatie niet had geklaagd dát het hof retrospectie heeft toegepast, althans had willen toepassen. A-G Huydecoper concludeerde tot verwerping; hij wees erop dat Berregratte in appel ook had aangevoerd dat er geen grond meer was voor de door de rechter in eerste aanleg opgelegde verbod, en vond niet dat op de appelrechter in kort geding de plicht rustte om ambtshalve retrospectie toe te passen. Omdat ik dat laatste onderschrijf, een citaat uit zijn conclusie voor deze zaak (andermaal in de context van verbeurde dwangsommen, die als gezegd niet speelt in onze zaak):
Telfort/Scarameaniet alleen de inhoudelijke juistheid van de uitspraak in eerste aanleg aan de orde is gesteld. Dat gaat volgens mij veel te ver en zou van de appelrechter al snel speculatieve bespiegelingen vergen, die deze op glad ijs zullen doen belanden. Het is geen kwestie van openbare orde.
Telfort/Scaramea. Maar of zij hiermee ook bedoeld zou hebben een ambtshalve plicht tot
ex tunctoetsing als het partijdebat daar in het geheel niet over is gegaan, kan ik niet met zekerheid uit haar dissertatie halen. Zelf lijkt mij dat, met A-G Huydecoper, geen goede zaak, als gezegd. Ik meen evenmin dat bij gebreke van enig partijdebat hierover, het hof ambtshalve zou moeten motiveren waarom geen retrospectie wordt toegepast [17] .