Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
ATP [4] , over een Deense pensioenregeling, was dit standpunt niet langer houdbaar. Sindsdien legt de staatssecretaris de Vrijstelling zo uit dat het beheer van collectieve ‘defined benefit’-regelingen, waarbij de hoogte van het pensioen is vastgesteld op basis van loon en dienstjaren, niet onder de vrijstelling valt en van ‘defined contribution’-regelingen wel. Tijdens de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel Wet algemeen pensioenfonds is verscheidene malen ter discussie gesteld of Nederland op de juiste wijze uitvoering geeft aan de richtlijnbepaling, met name of het gemaakte onderscheid tussen defined benefit- en defined contribution-regelingen in overeenstemming is met de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ). [5]
ATPheeft het HvJ geoordeeld dat het neutraliteitsbeginsel met zich brengt dat ook het beheer van een pensioenfonds kan delen in de Vrijstelling, indien het pensioenfonds in concurrentie treedt met fondsen die ‘Instellingen voor Collectieve Belegging in Effecten’ (hierna: icbe’s) zijn in de zin van richtlijn 85/611/EEG van de Raad van 20 december 1985, PB L 347, blz. 3‑18 (hierna: de icbe richtlijn) [6] . Ik meen dat de jurisprudentie van het HvJ en de feiten van deze zaak voldoende ruimte bieden Stichting Pensioenfonds als ‘gemeenschappelijk beleggingsfonds’ in de zin van de Vrijstelling aan te merken. Ik concludeer tot gegrondverklaring van belanghebbendes beroep in cassatie.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
ATPvan het HvJ.
uitsluitendedoel de collectieve belegging in effecten en/of in bepaalde andere liquide financiële activa van uit het publiek aangetrokken kapitaal, met toepassing van het beginsel van risicospreiding. Niet kan worden gezegd dat de rechten van deelneming op verzoek van de houders ten laste van de activa van deze instellingen direct of indirect worden ingekocht of terugbetaald. Weliswaar is [A] een instelling waarin een groot aantal beleggingen is samengevoegd en gespreid over verschillende waardepapieren, die doeltreffend worden beheerd met het oog op een optimaal resultaat en waarin de individueel belegde bedragen betrekkelijk klein zijn, en beheert dit fonds, zo nodig met behulp van buitenstaanders als belanghebbende, de beleggingen in eigen naam en voor eigen rekening, maar niet kan worden gezegd dat elke deelnemer, te weten de pensioengerechtigde, zelf de beleggingsproducten van het fonds bezit. Gelet op de voorhanden zijnde gegevens, in het bijzonder de regeling omtrent de storting van mogelijk verschuldigde herstelpremies, de afhankelijkheid van de deelnemers van derden omtrent de wettelijke vaststelling van de dekkingsgraad voor indexering van en het op niveau houden van de uitkering, het beperkt mogelijk zijn het aandeel bij uittreding, bijvoorbeeld wanneer door een deelnemer van werkkring wordt veranderd, mee te nemen en het fors beperkt zijn van het recht op uitkering in geval van (voortijdig) overlijden, kan niet worden gesproken van begunstigden in de zin dat hun risico bij deelneming enkel afhankelijk is van en wordt gespreid over een aantal beleggingen. Een deelnemer in [A] heeft aldus een (in de tijd) begrensd recht op een pensioenuitkering en daarmee niet een vast recht op een deel van het vermogen. In het perspectief van
dat alles, waaruit ook blijkt dat het
verzekeringselement in de verplichtingen die [A] heeft ten overstaan van de deelnemers vooropstaat en de beleggingsresultaten in feite het doel dienen de verzekeringsuitkeringen mogelijk te maken, moet het ervoor worden gehouden dat het karakter van een instelling als [A] wezenlijk anders is dan dat van een (gemeenschappelijk) beleggingsfonds.”
3.Het geding in cassatie
ATP,geciteerd in punt 4.10 hierna). Indien het Hof van de juiste rechtsopvatting is uitgegaan, is de vooropstelling van het Hof naar de mening van belanghebbende onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd, nu zij volgens belanghebbende geen steun vindt in de feiten.
ATPomschreven essentiële kenmerken van een icbe, te weten: i) financiering door de deelnemers, ii) belegging van de inleg volgens het beginsel van risicospreiding en iii) de deelnemers dragen het beleggingsrisico. Belanghebbende wijst erop dat de deelnemers wel degelijk het beleggingsrisico dragen doordat slechte beleggingsresultaten tot een lagere dekkingsgraad leiden, hetgeen tot gevolg kan hebben dat de pensioenen worden afgestempeld of niet geïndexeerd.
ATP, zodat ’s Hofs oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting.
ATPjuist aan dat van weinig belang is dat het spaargeld op diverse financiële wijzen kan worden terugbetaald.
ATP, getoetst of deelnemers een vast recht hebben op een deel van het fondsvermogen. Ook daarmee stelt het Hof een strengere eis dan het HvJ, aldus belanghebbende.
ATPimmers voor recht dat het voldoende is dat het beleggingsrisico wordt gedragen door de leden van het pensioenfonds. Vast staat dat in het onderhavige geval de beleggingsrisico’s worden gedragen door het geheel (het collectief) van deelnemers in het fonds. Dit is nu juist het meest onderscheidende kenmerk van collectieve belegging. Indien, zoals het Hof kennelijk eist, voor de toepasbaarheid van de Vrijstelling de deelnemer recht moet hebben op een vast percentage van het vermogen, zou daarmee de onderlinge solidariteit tussen groepen deelnemers worden beperkt.
Wheels [16] en niet met die van
ATP. De Staatssecretaris concludeert dat Stichting Pensioenfonds geen ‘gemeenschappelijk beleggingsfonds’ is in de zin van de Vrijstelling en dat daarom het beheer van het vermogen van Stichting Pensioenfonds niet kan delen in de Vrijstelling.
Het rechtskader: de vrijstelling voor het beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen
Wheels. Daarin overwoog het HvJ in verband hiermee het volgende (met mijn cursivering):
De betrokken bepalingen laten de definitie van het begrip „gemeenschappelijke beleggingsfondsen” over aan de lidstaten.”
Wheelsvolgt dat deze invullingsbevoegdheid van de lidstaten beperkt is.
Fiscale eenheid X [22] :
Abbey National [23] en
JP Morgan [24] , uitgelaten over de invulling van het begrip ‘gemeenschappelijk beleggingsfonds’. In deze arresten heeft het HvJ overwogen dat de lidstaten bij de invulling van dat begrip het door de betreffende richtlijnbepaling nagestreefde doel moeten eerbiedigen. Dat doel is, aldus het HvJ, het voor kleine beleggers vergemakkelijken van het beleggen in effecten via beleggingsinstellingen. Tegelijkertijd moeten lidstaten bij de invulling van de term acht slaan op het neutraliteitsbeginsel met het oog op concurrentie van gemeenschappelijke beleggingsfondsen die vallen onder de werkingssfeer van icbe‑richtlijn. [25]
ATPgeoordeeld dat bedrijfspensioenfondsen niet onder de icbe‑richtlijn vallen, maar dat het neutraliteitsbeginsel met zich kan brengen dat de Vrijstelling wel van toepassing is op het beheer van deze pensioenfondsen indien dergelijke fondsen zodanig vergelijkbaar zijn met een icbe dat ze daarmee concurreren. Het HvJ overwoog:
ATPvolgt dat in die casus geen sprake was van een vrije keus voor de deelnemers. Dat heeft er niet aan in de weg gestaan de pensioenfondsen uit de ATP-casus te beoordelen als tredende in concurrentie met icbe’s. Op grond daarvan kan worden geconcludeerd dat een pensioenfonds ten minste potentieel in concurrentie treedt met icbe’s.
Wheels, ATPen
Fiscale Eenheid X [27] komt naar voren dat het HvJ vier criteria heeft ontwikkeld om te toetsen of het pensioenfonds in concurrentie treedt met een icbe, te weten:
5.Het beleid van de staatssecretaris
ATPheeft de staatssecretaris beleid gevormd. [28] De staatssecretaris trekt de grens bij het onderscheid tussen de uitkeringsovereenkomst (defined benefit) en de premieovereenkomst (defined contribution) pensioenregelingen. Het beleid luidt als volgt (met mijn cursivering):
Bij een dergelijk pensioenfonds is de hoogte van de pensioenuitkering niet vastgesteld; de hoogte van en de termijn voor de te betalen pensioenpremies staan vast. In de praktijk worden dit soort pensioenfondsen als Defined Contribution fondsen (hierna: DC-pensioenregeling) aangeduid. De tegenpool van deze pensioenvorm is een fonds dat een zogenoemde Defined Benefit regeling uitvoert (hierna: DB-pensioenregeling). Bij een dergelijk fonds is de hoogte van de uitkering vastgesteld op basis van het aantal dienstjaren bij de werkgever en het bedrag van het loon, waarbij de werkgever door de deelname aan het pensioenfonds voldoet aan zijn wettelijke verplichtingen. Over dit soort pensioenfondsen heeft het Hof van Justitie EU in het arrest Wheels geoordeeld dat geen sprake is van een gemeenschappelijk beleggingsfonds waarvan het beheer is vrijgesteld. In het ATP-arrest heeft het Hof van Justitie EU dit oordeel herhaald. Verder heeft het Hof van Justitie EU in het ATP-arrest bepaald wat onder het beheer van een gemeenschappelijk beleggingsfonds moet worden verstaan, namelijk ‘dat deze handelingen over het geheel genomen een afzonderlijk geheel moeten vormen en onderdelen moeten vormen die specifiek en essentieel zijn voor het beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen’. Hieronder worden ook de diensten begrepen waarmee de rechten van de leden van pensioenfondsen worden gematerialiseerd door accounts aan te maken en de gestorte bijdragen op hun accounts in het systeem van de pensioenregelingen te boeken. Tot slot heeft het Hof van Justitie EU beslist dat pensioenbetalingen onder de btw-vrijstelling voor handelingen betreffende betalingen en overmakingen kunnen vallen (indien sprake is van een aparte dienst).
ATPof
Wheels. Het HvJ eist met name dat de deelnemers voldoende beleggingsrisico dragen.
ATP] toegezongen als een doorbraak in de behandeling van pensioenuitvoering voor de btw. Op het eerste gezicht lijkt het ook inderdaad een aardverschuiving omdat pensioenbeheer tot dusver werd gezien als het beheer van individueel vermogen waarvoor geen vrijstelling geldt, terwijl het administratieve beheer als een belaste dienst werd gekwalificeerd waarvoor soms de koepelvrijstelling van art. 11 lid 1 onderdeel Pro u Wet OB 1968 kon worden toegepast. Is dat met dit arrest nu veranderd? Ik denk het niet. Het begrip ‘pensioenfonds’ wordt in verschillende betekenissen gebruikt; enerzijds voor de klassieke pensioenverzekeraars die een defined-benefit-regeling uitvoeren en anderzijds voor een grote verscheidenheid aan gewone spaar- en beleggingsproducten waarbij gespaard of belegd wordt met als doel met de eindopbrengst te zijner tijd een pensioenuitkering te financieren. Hieronder vallen ook de defined-contribution-regelingen. Voor deze laatste categorie staat nu inderdaad de deur open naar vrijgesteld beheer en vrijgestelde uitvoeringswerkzaamheden. Die deur is naar mijn mening echter niet door dit arrest geopend; hij stond al open. In de kern zegt het HvJ
ATPin BNB 2014/207 het volgende (met mijn cursivering):
6.Beoordeling van de uitspraak van het Hof
uitsluitendedoel de collectieve belegging in effecten,
uitsluitendedoel de collectieve belegging in effecten. Die overweging kan niet dienen ter onderbouwing van laatstbedoeld oordeel, omdat deze eis geldt voor icbe’s (waarvan tussen partijen niet in geschil is dat Stichting Pensioenfonds niet als zodanig kan worden beschouwd). Artikel 1, lid 2, van de icbe-richtlijn bepaalt namelijk dat deze richtlijn ziet op instellingen (icbe’s) waarvan het
uitsluitendedoel is gelegen in de collectieve belegging van aangetrokken gelden. Uit het arrest
ATPvolgt nu juist dat ook het beheer van fondsen die beleggen om een pensioenvoorziening voor hun deelnemers te realiseren, en derhalve beleggen niet als exclusief doel hebben, door hun gelijkenis met icbe’s en hun concurrerende activiteiten toch onder de Vrijstelling kan vallen. Het cassatiemiddel treft in zoverre doel. Dat geldt ook voor zover belanghebbende in de toelichting op het cassatiemiddel klaagt over de overweging onder (2). Zoals belanghebbende terecht betoogt (zie hiervoor punt 3.8) volgt uit het dictum van
ATPdat van weinig belang is dat het spaargeld op diverse financiële wijzen kan worden terugbetaald (zie ook punt 55 van
ATP). De overweging onder (3) kan evenmin dienen ter onderbouwing van het oordeel dat Stichting Pensioenfonds niet in concurrentie treedt met icbe’s, nu die voorwaarde zelfs niet geldt voor icbe’s (zie punt 33 van
Deutsche Bank [40] en punt 7.3 van deze conclusie). Ook met overweging (4) en (5) stelt het Hof strengere eisen dan die voortvloeien uit de rechtspraak van het HvJ. Ik verwijs in verband hiermee naar punt 7 van deze conclusie.
7.Treedt Stichting Pensioenfonds in concurrentie met icbe’s?
ATP(met mijn cursiveringen):
werkgever niet verplicht is aanvullende bijdragen te betalen om de pensioenspaarders een bepaalde opbrengst te waarborgen.
Deutsche Bank AGmoet het bij icbe’s gaan om fondsen die beleggingen beheren in eigen naam en voor eigen rekening, terwijl elke belegger een deelneming in het fonds, maar niet de beleggingsproducten zelf van het fonds bezit. Uit
ATPblijkt niet dat deze eis ook geldt voor lichamen die onder de Vrijstelling vallen op de grond dat zij concurreren met icbe’s. In juridische zin zijn deelnemers in een pensioenfonds geen eigenaar van (een deel van) de beleggingsproducten van het fonds; zij
bezittenenkel een aanspraak op pensioenuitkeringen. Het is deels een semantische discussie of het ‘bezitten van een deelneming’ ook kan refereren aan het deelnemen in pensioenfonds, maar die uitleg ligt niet voor de hand.
ATP, waar de deelnemers een persoonlijke pensioenrekening bezitten, en Nederlandse pensioenregelingen zoals de onderhavige waarbij de deelnemers ‘slechts’ een recht op pensioenuitkeringen bezitten.
ATPniet over hun pensioenrekening konden beschikken alvorens zij de pensioengerechtigde leeftijd bereikten. Het is dus de vraag in hoeverre hun eigendomsrechtsituatie daadwerkelijk verschilt van die in de onderhavige casus. Ik meen derhalve dat de juridische vorm van de rechten die de deelnemers hebben jegens het pensioenfonds niet van belang is.
Fiscale Eenheid Xheeft het HvJ geoordeeld dat de Vrijstelling van toepassing is op beleggingsinstellingen die op nationaal niveau aan bijzonder toezicht zijn onderworpen. Het HvJ overwoog:
bijzonderoverheidstoezicht? Is dat iets anders dan normaal overheidstoezicht?
publiekin de Gemeenschap te koop aanbieden en waarvan het uitsluitende doel is te beleggen in effecten [...];”
Fiscale eenheidX, waarin is overwogen dat het toezicht dient ‘ter bescherming van de beleggers’.
ATParrest is de waarschijnlijkheid dat een risico zich materialiseert niet van belang. Doorslaggevend zou enkel moeten zijn het antwoord op de vraag wie het risico draagt als het zich materialiseert. De twee meest in het oog springende gevolgen van slechte beleggingsresultaten zijn: 1. het risico op non-indexatie en 2. het risico op afstempeling [43] van de aanspraken. Daarom is het van belang te bepalen of het risico op non‑indexatie binnen de definitie van ‘beleggingsrisico’ valt.
ATPlopen.
ATPen
Wheelstot een antwoord op deze vraag te komen.
Wheelswas in geschil of de Vrijstelling van toepassing is op vermogensbeheerdiensten verricht voor het bedrijfspensioen van de Ford Motor Company. De pensioenuitkeringen werden berekend op basis van het laatstverdiende loon van de deelnemers en het aantal dienstjaren bij de onderneming. De pensioenen waren gegarandeerd door de werkgever door een bijstortverplichting ingeval van tekorten. De waarde van de belegde activa was daartoe niet van belang. Het betrof een uitkeringsovereenkomst of defined benefit-regeling. De verwijzende rechter had met betrekking tot de Wheels-pensioenregeling voorts vastgesteld dat (met mijn cursivering):
is de werkgever in beginsel verplicht om het tekort aan te zuiveren en, indien hij dit niet doet of daartoe niet in staat is, worden de uitkeringen aan de leden verminderd;”
Wheels-zaak niet onder de Vrijstelling kan vallen, omdat de deelnemers met name niet het risico dragen dat met het beheer van een beleggingsfonds gepaard gaat. Het HvJ overwoog (cursivering CE):
dragen de leden van een pensioenregeling zoals die in het hoofdgeding met name niet het risico dat verbonden is aan het beheer van het beleggingsfondswaarin de activa van die regeling zijn samengebracht (zie in die zin arrest Claverhouse, reeds aangehaald, punt 50
). Terwijl het pensioen dat een werknemer die lid is van een pensioenregeling als in het hoofdgeding kan ontvangen, geenszins afhankelijk is van de waarde van de activa van de regeling en de resultaten van de door de beheerders van de regeling verrichte beleggingen, maar vooraf is vastgesteld naargelang het aantal dienstjaren bij de werkgever en het bedrag van het loon, is het rendement dat personen mogen verwachten van de door hen gekochte rechten van deelneming in een instelling voor collectieve belegging afhankelijk van de resultaten van de beleggingen door de beheerders van het fonds in de periode waarin zij deze rechten van deelneming aanhielden.
PPG Holdings [53] . Op de vraag of het pensioenfonds dat was opgezet voor de werknemers van PPG onder de Vrijstelling valt, verwees het HvJ naar
Wheels:
ATPwas in geschil of de door
ATPaan Deense pensioenfondsen verrichte administratieve diensten onder de Vrijstelling vielen. De verwijzende rechter heeft over de eigenschappen van de betrokken Deense pensioenfondsen onder meer het volgende vermeld:
ATPhet volgende (met mijn cursiveringen):
met name niet het risico dat verbonden is aan het beheer van het beleggingsfondswaarin de activa van de rustpensioenregeling waren samengebracht, want het pensioen was vooraf vastgesteld naargelang het aantal dienstjaren bij de werkgever en het bedrag van het loon, en de bijdragen die de werkgever aan de pensioenregeling betaalde, waren voor hem een middel om zijn wettelijke verplichtingen jegens zijn werknemers na te komen (zie arrest Wheels, punten 27‑29). Zoals in punt 51 van het onderhavige arrest is uiteengezet, worden de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regelingen gefinancierd door de pensioenontvangers en dragen zij het investeringsrisico.
onder deze bepaling kunnen vallen wanneer zij worden gefinancierd door de pensioenontvangers, het spaargeld wordt belegd volgens het beginsel van risicospreiding en het beleggingsrisico wordt gedragen door de leden van het pensioenfonds.In dit opzicht is van weinig belang dat de bijdragen door de werkgever worden gestort, het bedrag ervan is vastgelegd in collectieve overeenkomsten tussen de werkgeversorganisaties en de vakbonden, het spaargeld op diverse financiële wijzen kan worden terugbetaald, de bijdragen volgens de regels inzake de inkomstenbelasting aftrekbaar zijn of een ondergeschikt verzekeringselement eraan kan worden toegevoegd.”
restrisico voor de pensioendeelnemers. In de
Wheelszaak lag dat anders, in die zin dat de bijstortingsverplichting van de werkgever ongelimiteerd was. Het HvJ overweegt in punt 27 van
Wheelsdat het desbetreffende pensioen ‘geenszins’ – dus: helemaal niet [55] – afhankelijk is van de waarde van de activa van de regeling en de resultaten van de door de beheerders van de regeling verrichte beleggingen. In de onderhavige casus hebben de bij Stichting Pensioenfonds aangesloten werkgevers daarentegen, na betaling van de door hen verschuldigde premies (inclusief eventuele herstelpremies), geen verplichtingen om bij te storten in geval van tekorten. De deelnemers dragen het restrisico op non-indexatie en afstempeling collectief. Er is geen andere persoon die dat risico draagt. Derhalve meen ik dat in de onderhavige casus geldt dat de deelnemers het beleggingsrisico dragen.