Conclusie
conclusiestrekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep op de voet van art. 80a RO.
Parket bij de Hoge Raad
De rechtbank Noord-Holland verleende op 4 maart 2016 een machtiging tot voortgezet verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis op grond van de Wet Bopz. Betrokkene stelde in cassatie dat hij bereid was vrijwillig in het ziekenhuis te verblijven, zodat de machtiging onterecht was verleend. De Hoge Raad oordeelt dat het begrip 'nodige bereidheid' inhoudt dat de patiënt in staat moet zijn tot een redelijke waardering van zijn belangen en dat de rechter enige ruimte heeft om een bereidverklaring te betwijfelen bij inconsistent gedrag of onaanvaardbare voorwaarden.
De rechtbank had vastgesteld dat betrokkene onvoldoende blijk gaf van de nodige bereidheid om vrijwillig te verblijven, mede gelet op het chronische karakter van zijn autisme spectrum stoornis en katatonie en het te duchten gevaar voor zichzelf en anderen. De behandelend psychiater stelde dat ondanks vooruitgang met zware interventies de kans op terugval zeer waarschijnlijk is, vooral bij onvoorziene situaties waarbij betrokkene niet rationeel zou reageren.
De Hoge Raad benadrukt dat de beoordeling van de feiten en het geschilpunt over vrijwilligheid aan de feitenrechter toekomt en dat de rechtbank volstond met een summiere motivering. Het cassatieberoep leidt niet tot een ander oordeel en wordt niet-ontvankelijk verklaard. Hiermee blijft de machtiging tot voortgezet onvrijwillig verblijf gehandhaafd.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard en de machtiging tot voortgezet onvrijwillig verblijf blijft gehandhaafd.