Conclusie
Stichting Leerorkest,
1.Feiten en procesverloop
grief 2is [verzoeker] opgekomen tegen de overweging van de kantonrechter (in rov. 22) dat [verzoeker] onvoldoende heeft gesteld om aan te nemen dat hij in de periode 2007-2011 werkzaam was op basis van een arbeidsovereenkomst met het Leerorkest en dat die periode niet kan meetellen bij de berekening van de opzegtermijn. In het kader van zijn
grief 3heeft [verzoeker] o.m. betoogd dat er in de periode 2007-2011 sprake was van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd met het Leerorkest. Deze is opgevolgd door twee arbeidsovereenkomsten met het Leerorkest voor bepaalde tijd, zodat op grond van art. 7:667 lid 4 BW Pro opzegging vereist was, aldus [verzoeker]. De tegen rov. 19 gerichte
grief 4strekt tot betoog dat het Leerorkest in redelijkheid geen beroep toekomt op de vrijstelling van artikel 2 lid Pro 1b BBA.
incidentele grief 1is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat de rechtsverhouding tussen [verzoeker] en het Leerorkest vanaf 2011 moet worden gekwalificeerd als een arbeidsovereenkomst (rov. 17) en strekt (primair) tot betoog dat [verzoeker] vanaf 7 juni 2011 werkzaam is geweest op basis van achtereenvolgens één mondelinge en twee schriftelijke overeenkomsten van opdracht. De
incidentele grief 2strekt (subsidiair) tot betoog dat vanaf 2011 geen sprake is van
meer dan driearbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 7:668a BW.
grief 2 en grief 3 in het principale appelfalen, dat
grief 2 in het incidentele appelslaagt en dat de overige grieven buiten bespreking kunnen blijven.
2.Bespreking van het cassatieberoep
onderdelen 2.1 tot en met 2.6zijn gericht tegen het oordeel van het hof (rov. 3.5) dat in de periode 2007-2011 niet, zoals [verzoeker] betoogt, sprake is geweest van een arbeidsovereenkomst tussen [verzoeker] en het Leerorkest, maar van een uitzendovereenkomst tussen [verzoeker] en Tentoo in de zin van artikel 7:690 BW Pro.
allocatiefunctie,althans een onbegrijpelijk dan wel ongemotiveerd oordeel heeft gegeven in het licht van de als essentieel aan te merken stelling van [verzoeker] dat van zodanige allocatiefunctie in casu geen sprake is geweest nu Tentoo is opgetreden als payrollbedrijf.
ruimezin wordt met allocatiefunctie niet meer bedoeld dan dat de werkgever zich bedrijfs- of beroepsmatig bezighoudt met de terbeschikkingstelling van werknemers aan opdrachtgevers. In die betekenis is de allocatiefunctie wel terug te vinden in de definitie van de uitzendovereenkomst in art. 7:690 BW Pro. In de ‘
traditionele’betekenis wordt aangeknoopt bij het klassieke uitzendbureau. Daarbij is sprake van het actief bij elkaar brengen van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt van (in de regel) werk van tijdelijke aard, ook wel aangeduid als het opvangen van ‘ziek of piek’. Aan de hand van een uitvoerige analyse van parlementaire geschiedenis, rechtspraak en literatuur heeft Van Peursem op mijns inziens overtuigende wijze onderbouwd dat een allocatiefunctie in traditionele zin geen constitutief vereiste is voor de toepassing van art. 7:690 BW Pro (maar wel voor de toepassing van artikel 7:691 BW Pro). Ook Wattel komt tot die conclusie.
Tentooals wederpartij en strekken tot betoog dat bij een payrollconstructie in het algemeen althans bij de onderhavige constructie sprake is van een arbeidsovereenkomst met de
opdrachtgever(in casu: het Leerorkest). Deze constructie ligt echter niet aan de Ontslagregeling ten grondslag: volgens de minister is ook in geval van payrolling sprake van een arbeidsovereenkomst met het payrollbedrijf. [13]
Subonderdeel 2.7.2betoogt dan ook terecht dat in cassatie bij wijze van hypothetisch feitelijke grondslag heeft te gelden dat de overeenkomsten tussen [verzoeker] en het Leerorkest na 31 mei 2011 moeten worden aangemerkt als arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd. [16] Er tevens van uitgaande dat, zoals het hof heeft geoordeeld, [verzoeker] in de periode 2007-2011 in dienst is geweest van Tentoo, klaagt [verzoeker] dat het hof heeft miskend dat het Leerorkest moet worden beschouwd als
opvolgend werkgeverin de zin van artikel 7:688a lid 2 BW en dat, zo begrijp ik, artikel 7:667 lid 4 BW Pro ook van toepassing is op een reeks arbeidsovereenkomsten tussen een werknemer en verschillende werkgevers die ten aanzien van de verrichte arbeid redelijkerwijs geacht moeten worden elkaars opvolger te zijn.
onbepaaldetijd meetellen. Wanneer een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd wordt beëindigd en wordt opgevolgd door een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd bij een andere werkgever die moet worden beschouwd als een opvolger van de eerste werkgever, wordt die eerste arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd gerekend tot de keten, bedoeld in lid 1. Uit lid 4 volgt dat de betreffende arbeidsovereenkomst moet worden meegeteld voor het berekenen van de opzegtermijn. [22]
artikel 7:668a BW (oud). Hij heeft daartoe aangevoerd dat hij in de periode april 2007-mei 2011 (hierna: periode 1) zonder tussenpozen van meer dan drie maanden voor het Leerorkest heeft gewerkt in het kader van een
uitzendovereenkomst met Tentoo.Vanaf juni 2011 (hierna: periode 2) zou er sprake zijn geweest van (verkapte)
arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd met het Leerorkest, waarbij de intervallen nooit langer zijn geweest dan drie maanden. Hij verwijst daarbij naar de brief van zijn advocaat van 1 oktober 2012, waarin het Leerorkest met zoveel woorden als “opvolgend werkgever” in de zin van artikel 7:668a lid 2 BW wordt aangeduid. Voorts heeft hij erop gewezen in de periode tussen 5 juli en 5 oktober 2011 ook nog werkzaamheden te hebben verricht voor de Stichting Muziekcentrum Zuidoost, waarbij het Leerorkest volgens hem als “opvolgend werkgever” van die stichting heeft te gelden. [30] Ten slotte heeft hij bij herhaling gesteld dat de feitelijke invulling van zijn werkzaamheden in periode 1 en periode 2 gelijk was. [31]
artikel 7:667 lid 4 BW Pro (oud). Uitgedaagd door het oordeel van de kantonrechter (in het kader van de berekening van de opzegtermijn) dat hij niet voldoende had gesteld om aan te nemen dat hij in de periode 2007-2011 werkzaam was op basis van een arbeidsovereenkomst met het Leerorkest, heeft hij, in afwijking van zijn eerdere stellingname dat in periode 1 sprake zou zijn van een uitzendovereenkomst met Tentoo, betoogd dat in die periode sprake was van een
arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd met het Leerorkest,welke in periode 2 is opgevolgd door arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd met het Leerorkest, zodat op grond van artikel 7:667 lid 4 BW Pro opzegging nodig was. [32]
“de periode van 36 maanden niet hebben overschreden”respectievelijk
“omdat in elk geval geen sprake is van meer dan drie, maar ten hoogste drie voor bepaalde tijd aangegane arbeidsovereenkomsten”, hetzij de regel van artikel 7:668a lid 2 BW (oud) miskend, hetzij een ontoereikend gemotiveerd oordeel gegeven. Met zijn stellingen, zoals aangegeven hiervoor onder 2.17 en samengevat door het hof in rov. 3.2, heeft [verzoeker] naar mijn mening voldoende feitelijke en juridische aanknopingspunten gegeven om het hof te noodzaken tot een onderzoek naar een mogelijk opvolgend werkgeverschap van het Leerorkest in de zin van art. 7:668a lid 2 BW (oud). De daarop gerichte klacht van subonderdeel 2.7.2 slaagt.
onderdeel 2.8behoeft geen afzonderlijke bespreking.