Conclusie
payroller, waarbij het begrip uitzendovereenkomst uit art. 7:690 BW Pro en het al dan niet vereist zijn van een allocatieve functie mede een rol spelen. A-G Wattel concludeert in die zaak een dezer dagen eveneens. Uit oogpunt van rechtseenheid zou het overweging kunnen verdienen de uitspraken in deze zaken op dit punt te coördineren. [3]
1.Feiten
2.Procesverloop
3.Juridisch kader
payrollingen arbeidspools. Dit zijn geen vastomlijnde begrippen. Het is lang niet altijd duidelijk welke varianten uit de praktijk binnen de reikwijdte van de titel over de uitzendovereenkomst vallen. Met name (vormen van)
payrollingworden met argusogen bekeken, waar de vrees voorzit dat zij worden misbruikt als schijnconstructie om werkgeversverplichtingen te omzeilen. Dat speelt vaak mee wanneer ervoor wordt gepleit bepaalde vormen al of niet binnen de reikwijdte van het begrip “uitzendovereenkomst” uit art. 7:690 BW Pro te begrijpen. In onder meer de Wet aanpak schijnconstructies (WAS) [16] , een wijziging van het Ontslagbesluit op 1 januari 2015 en de vervanging van het Ontslagbesluit door de Ontslagregeling in 2015 [17] zijn op dit vlak maatregelen doorgevoerd.
- a) een
- b) in het kader van diens
- c) een
- d) krachtens een door deze aan de werkgever verstrekte
- e) arbeid te verrichten
werkgevers die daadwerkelijk een allocatiefunctie op de arbeidsmarkt vervullen, dus die in het kader van de uitoefening van hun beroep of bedrijf arbeidskrachten ter beschikking stellen aan derden. Het incidenteel in voorkomende gevallen ter beschikking stellen van arbeidskrachten door werkgevers die in feite geheel andersoortige beroeps- of bedrijfsactiviteiten hebben kan derhalve niet onder het regiem van de uitzendovereenkomst worden gebracht. Door voorts toepassing van de regeling van de uitzendovereenkomst, zoals neergelegd in artikel 691 Boek Pro 7 BW, uit te sluiten voor het ter beschikking stellen van arbeidskrachten tussen werkgevers die onderling in een concernrelatie tot elkaar staan, als bedoeld in de artikelen 24a en 24b van Boek 2 BW, wordt beoogd te voorkomen dat arbeidsorganisaties via een eigen uitzendbureau personeel ter beschikking stellen van de eigen organisatie, maar dan met minder verplichtingen. Van een allocatiefunctie voor de arbeidsmarkt kan in dat geval niet worden gesproken.
De voorgestelde regeling van de uitzendovereenkomst geeft derhalve een uniforme wettelijke regeling voor de vele onder verschillende benamingen in de praktijk voorkomende vormen van het ter beschikking stellen van arbeidskrachten, zoals: uitzenden, uitlenen, detacheren, of te werk stellen in het kader van een arbeidspool. Wel wijzen wij er nadrukkelijk op, dat de voorgestelde regeling beperkt is tot het ter beschikking stellen in het kader van zodanig beroep of bedrijf. In de praktijk gaat het dan dus alleen om organisaties zoals uitzendbureaus, detacheerbedrijven, arbeidspools en andere organisaties, die er hun beroep of bedrijf van maken arbeidskrachten onder welke noemer dan ook tijdelijk aan derden ter beschikking te
De terbeschikkingstelling moet geschieden in het kader van het beroep of het bedrijf van de werkgever. Dat betekent dat terbeschikkingstelling (een) doelstelling van de bedrijfs- of beroepsactiviteiten van de werkgever moet zijn; de toepasselijkheid van de uitzendovereenkomst is aldus gekoppeld aan de allocatieve functie van de werkgever.Op de uitzendovereenkomst is de regeling van de arbeidsovereenkomst in titel 7.10 onverkort van toepassing, behoudens voor zover anders is bepaald.” [19]
De voorgestelde regeling van de uitzendovereenkomst geldt alleen voor die werkgevers die daadwerkelijk een allocatiefunctie op de arbeidsmarkt vervullen. Het gaat daarbij om werkgevers (intermediairs) die er hun bedrijf of beroep van maken om vraag en aanbod van tijdelijke arbeid bij elkaar te brengen.Het gaat in de praktijk dan om uitzendbureaus, detacheerbedrijven en arbeidspools.” [23]
opvolgende alinea’s van p. 10 van de MvT– en dus in die context begrepen moeten worden – waarin juist duidelijk wordt dat een ruim begrip uitzendovereenkomst beoogd is en tegelijkertijd gerefereerd wordt aan een dienovereenkomstig ruim allocatiebegrip, zoals we hebben gezien.
payrolling“namelijk dat de uitzendrelatie de inleenrelatie volgt in plaats van andersom”.
consultancy-achtige figuren). Ook wordt wel relevant gevonden of de werkgever dan wel de opdrachtgever de werving en selectie doet. Bij
payrollingneemt de formele werkgever vaak alleen het formele werkgeverschap op zich of zelfs alleen enkele praktische aspecten zoals loonadministratie, maar onder deze noemer vallen uiteenlopende varianten. [38]
payroll-constructies. In zijn bespreking van de dissertatie van Zwemmer heeft Sagel (overigens cassatie-advocaat van StiPP in deze zaak) opgemerkt dat Zwemmer met “krachtige argumenten” onderbouwt dat de reikwijdte van art. 7:690 BW Pro beperkt is tot uitzenders met een daadwerkelijke allocatiefunctie op de arbeidsmarkt. [40] Ook Houweling en Van der Voet [41] menen dat de traditionele allocatiefunctie vereist is.
payrolling. Hoewel onder die vlag diverse schepen varen, is de grondtoon van die kritiek dat dit vaak een onwenselijke constructie is om werkgeversverplichtingen te omzeilen. Dan kan het niet de bedoeling zijn dat ook nog eens aanspraak gemaakt zou kunnen worden op het verlichte ontslagregime uit art. 7:691 BW Pro. Dat argument kan men ook hanteren voor andere driehoeksarbeidsrelaties met terbeschikkingstellingselement die uitstijgen boven traditioneel uitzendwerk (“ziek en piek”). Met de Wet werk en zekerheid is in dat opzicht op een aantal punten bijgestuurd. In de Ontslagregeling [48] is een aantal regels opgenomen die payrollwerknemers met betrekking tot ontslag in een vergelijkbare positie brengt als de reguliere werknemers van de opdrachtgever.
payrollingben ik in de parlementaire geschiedenis van de Flexwet niet tegen gekomen; dat fenomeen is kennelijk pas later tot ontwikkeling gekomen). Het gaat bij de definitie van art. 7:690 BW Pro zodoende om een ruimer begrip allocatie op de arbeidsmarkt dan bij klassieke uitzending. Grens was
consultancyzoals we dat kennen bij automatiseringsprojecten en dergelijke, dat viel er buiten. Tot zover lijkt het beeld helder.
payrolling. Er moet gelet op de wettelijke omschrijving van – heel kort samengevat – beroeps-/bedrijfsmatige terbeschikkingstelling van werknemers aan derden krachtens opdracht wel een vorm overblijven van allocatie op de arbeidsmarkt in deze ruim opgevatte zin. Klassieke
consultancy [49] valt daarbuiten, zo hebben we gezien, omdat geen sprake is van terbeschikkingstelling van arbeid, maar van dienstverlening en dat geldt ook voor niet beroeps-/bedrijfsmatige (incidentele) uitlening. Maar ik denk dat binnen dit denkkader ook bijvoorbeeld de meest vergaande vorm van
payrollingbuiten de uitzendovereenkomst van art. 7:690 BW Pro valt. Ik bedoel daarmee de variant waarbij de
payrollerin feite alle – oneerbiedig gezegd – “personeelssores” overneemt van de “inlener”, waar geen allocatieve functie op de arbeidsmarkt in welke ruime zin dan ook meer valt te ontwaren, maar er sprake is van een formeel werkgeverschap van de
payrollervolgens de arbeidsvoorwaarden van de opdrachtgever/“inlener” (permanente overname van arbeidscontracten) [50] . De
payrollwerkgever speelt dan geen enkele rol bij het bij elkaar brengen van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt, zo zou men kunnen zeggen, maar slecht bij de formele en administratieve uitvoering van de overeenkomsten.
omdathet vereiste van leiding en toezicht uit art. 7:690 BW Pro mee zou brengen dat het daarbij om vakinhoudelijke instructies zou moeten gaan. Dat komt ongerijmd voor, maar is in mijn analyse op de keper beschouwd wel de portee van de positie van C4C op dit punt in deze procedure. Dat dwaalspoor heeft het hof terecht niet op willen gaan en de cassatieklachten daartegen van onderdeel 2 zijn daarmee eigenlijk hierom al meteen gedoemd te falen.
outsourcenvan werkzaamheden [55] . Het is goed denkbaar dat een opdrachtgever niet in staat is om leiding te geven of toezicht te houden op specialistisch, hooggekwalificeerd personeel, maar dat zal dan altijd moeten blijken bij de beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval. Het omgekeerde is ook goed voorstelbaar, zoals we hiervoor hebben gezien. Met name als een (beweerdelijke) uitzendwerkgever zich erop toelegt aan organisaties die actief zijn in een bepaalde sector personeel ter beschikking te stellen dat is gespecialiseerd op
hetzelfde terrein, is in een bepaalde feitenconstellatie wel degelijk mogelijk dat de materiële feitelijke gezagsverhouding/instructiebevoegdheid/toezicht en leiding bij de opdrachtgever liggen. Dat kan bijvoorbeeld zo zijn bij terbeschikkingstelling van medisch of sector gespecialiseerd personeel aan zorginstellingen. Het komt daarbij uiteindelijk aan op een beoordeling van de relevante omstandigheden van het concrete geval en met name de aard van de opdracht van de inlener en dat is een in hoge mate feitelijke exercitie.
4.Bespreking van het cassatiemiddel
allocatiefunctiein rov. 3.12 van het arrest gebruikt in
klassiekezin, omdat de kantonrechter dat in rov. 5-7 ook in die zin heeft opgevat en grieven I en II met hun bestrijding van een allocatiefunctie als constitutief vereiste zodoende ook (alleen) die klassieke vorm op het oog (kunnen) hebben.
sec, zoals gebezigd door het hof in rov. 3.12 misschien minder gelukkig – omdat wel een allocatie in ruime zin moet kunnen worden gedetecteerd, zoals we hebben gezien. Wij moeten daarbij voor ogen houden dat het hof blijkens de bewoordingen van rov. 3.12 met allocatiefunctie
secallocatiefunctie in ruime zin bedoelde, gelet op de “ziek of piek”-kwalificatie die volgt op “allocatiefunctie vervult”, namelijk: “in die zin dat, zoals C4C bepleit, art. 7:690 BW Pro uitsluitend van toepassing is indien de werkgever zich met name bezig houdt met het bij elkaar brengen van vraag en aanbod van tijdelijke ziekte zoals vervanging van werknemers tijdens ziekte of andere afwezigheid, het opvangen van piekuren of soortgelijke plotseling opkomende werkzaamheden.”
kanvariëren. Niet is aangegeven hoe vaak en in welke zin, laat staan dat onderbouwd is dat de betreffende bepaling, waarin zeggenschapsbevoegheid expliciet wordt overgedragen aan de inlener, in de praktijk anders wordt overeengekomen. Het hof mocht menen dat dat niet kwalificeert als voldoende gemotiveerde betwisting in deze omstandigheden. Bovendien ontkracht de stelling dat een bepaling
kanvariëren op zich nog niet dat die bepaling doorgaans
pleegtte worden overeengekomen.
- vi) de aard van de door haar ontplooide activiteiten en
- vii) de wijze waarop haar bedrijfsvoering is opgezet.
aldeze stellingen niet zou zijn ingegaan, want dat is niet zo, zoals we hebben gezien.
kunnendoen aan het oordeel dat leiding en toezicht bij de opdrachtgever ligt, gaat het hof volgens deze klacht uit van een onjuiste rechtsopvatting.
in dit gevalonvoldoende zijn om tot een ander oordeel te komen.
daaromgeen toezicht en leiding kunnen geven. Dat is gegeven de afhankelijkheid van de feitelijke omstandigheden niet onbegrijpelijk. C4C heeft haar positie ook hier onvoldoende concreet onderbouwd, terwijl uit de gedingstukken blijkt dat C4C in haar externe communicatie zelf benadrukt dat zij medisch personeel c.a. bij zorginstellingen detacheert. Zie bijvoorbeeld productie 5c van StiPP in eerste aanleg. Daar loopt het eerste deel van de klacht op stuk.
anderestellingen ziet, voldoet het subonderdeel niet aan de aan een cassatiemiddel te stellen eisen. Een algemeen bewijsaanbod mag niet gepasseerd worden, als in de gedingstukken of het processuele debat duidelijk wordt gemaakt op welke de stellingen van een partij het aanbod betrekking had. [73] Ook hoeft een aanbod tot tegenbewijs in beginsel niet te worden gespecificeerd. [74] Maar subonderdeel 3 maakt op geen enkele wijze duidelijk tegen welke concrete, ondanks voldoende gemotiveerde betwisting, bewezen geachte stellingen van StiPP het hof ten onrechte geen tegenbewijs door C4C heeft toegelaten (naast de hiervoor besproken onderwerpen). Nu dat is verzuimd, kan het onderdeel ook in zoverre niet tot cassatie leiden. [75]