Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
subonderdeel 1.1klaagt de Gemeente dat het hof heeft miskend dat het aan de hand van de Haviltex-maatstaf had moeten beoordelen of de bepaling, opgenomen in de overeenkomst onder 3.2, voor de Gemeente de verplichting meebracht tijdig akoestisch onderzoek te (laten) doen en, op basis van het resultaat daarvan, een bouwvoorschrift in het bestemmingsplan op te nemen. Ingeval het hof de Haviltex-maatstaf niet heeft miskend, acht het middel het oordeel dat die verplichting voortvloeit uit de overeenkomst onbegrijpelijk, omdat zo’n aanvullend bouwschrift zou hebben geleid tot extra kosten: in de overeenkomst was het uitgangspunt dat de realisatie van het project ‘Spuikolk’ voor de Gemeente ten minste budgetneutraal zou plaatsvinden en De Eylaenden zelf was niet bereid die kosten te dragen. Om die reden zou geen bestemmingsplan zijn opgesteld of door het college van burgemeester en wethouders aan de Gemeenteraad zijn voorgelegd, zelfs al zou de Gemeente zich hebben ingespannen op de door het hof bedoelde wijze. Kortom, voor het uiteindelijke resultaat (te weten: de realisatie van de bouwplannen ter plaatse gaat niet door) maakt de veronderstelde tekortkoming geen enkel verschil. Bovendien is de fasering van de voorgenomen woningbouw, die (in de redenering van de ABRvS) de oorzaak was van de te duchten geluidhinder, in het plan opgenomen op verzoek van De Eylaenden.
onderdeel 1.2klaagt de Gemeente dat het hof de grenzen van de rechtsstrijd heeft miskend, althans een ontoelaatbare verrassingsbeslissing heeft gegeven, door in rov. 2.2 belang toe te kennen aan een publicatie van de VNG, ‘Bedrijven en milieuzonering’ [15] , op welke publicatie geen van de partijen in dit geding een beroep had gedaan. Volgens de klacht kan (de inhoud van) deze publicatie niet worden aangemerkt als een feit van algemene bekendheid. Het hof had daarom de publicatie niet in zijn oordeel mogen betrekken zonder partijen eerst in de gelegenheid te stellen zich daarover uit te laten.
normaliterbepaalde richtafstanden in acht moeten worden genomen om geluidsoverlast te vermijden en, zo nodig, fysieke maatregelen moeten worden voorgeschreven zoals gevelvoorzieningen of geluidsschermen, en dat dit bij de Gemeente reeds bekend was ten tijde van de besluitvorming over het bestemmingsplan, is in dit geding geen punt van geschil geweest; het wordt blijkens middelonderdeel 1.4 ook door de Gemeente ingezien. Onderdeel 1.2 faalt.
Onderdeel 1.3klaagt dat de motivering tekortschiet omdat het hof de uitspraken van de bestuursrechter waarnaar in rov. 2.2 wordt verwezen niet heeft gespecificeerd. Volgens de klacht is op die manier niet duidelijk voor partijen of en, zo ja, in hoeverre de zaken waarop die uitspraken betrekking hadden, vergelijkbaar zijn met het onderhavige geval, waarin het gaat om een slechts
tijdelijkegeluidsoverlast. Bedoeld is kennelijk: dat de fasering van de voorgenomen woningbouw tot gevolg zou hebben dat de bewoners van de in de eerste fase opgeleverde woningen tijdelijk geluidshinder kunnen ondervinden van bedrijven in de nabijheid die pas in de tweede fase van dit bouwproject uit dit plangebied moeten verdwijnen.
rechtsoordeel geen nadere motivering behoeft. De klacht faalt.
onderdeel 1.5klaagt de Gemeente dat ook de vaststelling dat de Gemeente eerst na het vaststellen van het bestemmingsplan milieurapporten heeft laten uitbrengen en kennelijk pas op dat moment de ernst van de situatie heeft ingezien, de beslissing niet kan dragen, nu de Gemeente meende dat – gelet op het tijdelijke karakter van de te duchten geluidhinder − een uitzondering mocht worden gemaakt op de normaliter gehanteerde richtafstand.
onderdeel 1.6wordt geklaagd over onbegrijpelijkheid van het oordeel in rov. 2.3, dat partijen het erover eens zijn dat deze onzorgvuldigheid in het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan betrekkelijk eenvoudig te vermijden zou zijn geweest. In dit verband acht de Gemeente van belang dat De Eylaenden ter zitting van de Afdeling Bestuursrechtspraak heeft aangegeven niet bereid te zijn de hiermee verband houdende extra kosten van € 46.000,- te dragen en (op die grond) zich ertegen heeft verzet dat een dergelijk voorschrift in het bestemmingsplan werd opgenomen [17] .
ten tijde van de besluitvorming over het bestemmingsplaneen eenvoudig te vermijden fout heeft gemaakt. Het hof heeft immers vastgesteld (i) dat de Gemeente niet vóór de vaststelling van het plan akoestisch onderzoek had moeten laten doen en (ii) dat naar aanleiding van dat onderzoek een eenvoudig bouwvoorschrift in het plan had moeten opnemen. Daarmee is voldoende begrijpelijk hoe het hof tot zijn oordeel is gekomen dat hier sprake is van een eenvoudig te vermijden fout. De motiveringsklacht faalt.
onderdeel 1.7klaagt de Gemeente dat indien het oordeel zo moet worden begrepen dat de Gemeente op grond van de overeenkomst zich had moeten inspannen om eenvoudig vermijdbare fouten te voorkomen, zijn beslissing rechtens onjuist althans onbegrijpelijk is, omdat het hof dit aan de hand van de Haviltex-maatstaf had moeten beoordelen. Indien het hof deze maatstaf niet heeft miskend, acht de Gemeente de beslissing onbegrijpelijk, omdat De Eylaenden niet bereid bleek de kosten die met een dergelijk bouwvoorschrift zijn gemoeid, op zich te nemen: zonder die bereidheid zou geen voorstel voor het bestemmingsplan zijn opgesteld en/of aan de gemeenteraad zou zijn voorgelegd.
kunnendoen. In de redenering van het hof gaat het erom dat, indien het bestemmingsplan in beroep in stand zou zijn gebleven, voor De Eylanden de optie zou hebben opengestaan om het bouwplan in de oorspronkelijke vorm en het oorspronkelijke tempo wel of niet door te zetten (met een lagere opbrengst). De slotsom is dat de klacht faalt.
onderdelen 1.9 en 1.10bouwen voort op de middelonderdelen 1.1 - 1.8. Zij missen zelfstandige betekenis en behoeven geen afzonderlijke bespreking.
onderdeel 1.11klaagt de Gemeente dat het hof (in rov. 4.3) ten onrechte is voorbijgegaan aan het aanbod van de Gemeente te bewijzen dat aanvullende bouwvoorschriften tot extra kosten ten bedrage van € 46.000,- zouden hebben geleid, van welke kosten De Eylaenden niet heeft aangegeven dat zij bereid was die te betalen.
onderdeel 2.1klaagt de Gemeente dat de beslissing dat zij geen beroep kan doen op het aansprakelijkheidsbeding, rechtens onjuist is: de enkele omstandigheid dat sprake is van een toerekenbare tekortkoming van de Gemeente levert geen geldige reden op om het beroep op een exoneratiebeding te verwerpen.
onderdeel 2.2dat dit oordeel onbegrijpelijk is zonder nadere motivering. De Gemeente had immers het standpunt ingenomen dat de overeenkomst in artikel 3.4 een exoneratie inhield voor het uitblijven van het eindresultaat.
onderdeel 2.3dat deze beslissing rechtens onjuist althans onbegrijpelijk is. Een exoneratiebeding is juist bedoeld voor gevallen waarin sprake is van een aan de Gemeente toerekenbare omstandigheid; daarbuiten heeft een aansprakelijkheidsbeperking geen betekenis. De exoneratie in de overeenkomst onder 3.4 ziet dus mede op het geval dat het bestemmingsplan wordt vernietigd naar aanleiding van ingediende ‘zienswijzen’, die het gevolg zijn van een aan de Gemeente toe te rekenen omstandigheid.
onderdeel 2.4klaagt de Gemeente dat de vaststelling dat, in het hypothetische geval dat De Eylaenden de realisering van het bestemmingsplan ter hand zou hebben kunnen nemen, tegelijkertijd de beoogde uitplaatsing van de (hinder gevende) bedrijven had kunnen worden uitgevoerd, onbegrijpelijk is: de Gemeente wijst erop dat het verdwijnen van de bedrijven uit dit plangebied gefaseerd zou plaatsvinden.
onderdeel 4.1wordt geklaagd dat rov. 2.8 en 2.9 rechtens onjuist althans onbegrijpelijk zijn, nu de door het hof bedoelde vertragingsschade niet rechtstreeks een gevolg is van de tekortkoming van de Gemeente. De toelichting herhaalt het argument dat, ook al zou de Afdeling Bestuursrechtspraak het bestemmingsplan in stand hebben gelaten, niet valt in te zien dat De Eylaenden aan haar bouwplan uitvoering zou zijn gaan geven, nu er een substantieel tekort was en De Eylaenden had aangegeven niet daaraan te willen bijdragen.
onderdeel 4.2klaagt de Gemeente dat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden, dan wel een ontoelaatbare verrassingsbeslissing heeft gegeven, nu De Eylaenden zich niet had beroepen op (de mogelijkheid van) geleden vertragingsschade.
Onderdeel 5bevat slechts een op onderdeel 4 voortbouwende klacht. Ook die klacht faalt.