Conclusie
medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met artikel 3, eerste lid, onder A van de Landsverordening Verdovende middelen”, 3. “
deelneming aan een organisatie, die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven” en 4. “
medeplegen van witwassen”, veroordeeld tot vier jaren gevangenisstraf.
middelklaagt dat het Hof heeft verzuimd het verkorte vonnis met de bewijsmiddelen aan te vullen.
Het dossier bevat slechts een verkort vonnis, waarbij de bewijsmiddelen niet zijn uitgewerkt. Het hof is van oordeel dat dit conform de met de Hoge Raad gemaakte afspraken is toegestaan, aangezien hier sprake is van een evident niet-ontvankelijk cassatieberoep. Het betreft een vonnis dat door het Hof bij verstek is gewezen. Ingevolge artikel 10 lid 2 van Pro de Rijkswet Cassatierechtspraak kan geen beroep in cassatie ingesteld worden tegen bij verstek gewezen vonnissen. Het dossier bevat voorts de dagvaarding van de verdachte alsmede het proces-verbaal van de behandeling in hoger beroep gehouden op 18 mei 2015, waaruit blijkt dat de verdachte niet is verschenen ondanks het feit dat hij op de juiste wijze is opgeroepen en dat aan hem verstek is verleend.”
rücksichtslos” terugneemt.
19. (…). Indien de Hoge Raad omtrent het voorgaande een ander oordeel heeft, er in resulterend dat het hof de toegevoegde raadsman onverplicht in de gelegenheid heeft gesteld het woord tot verdediging te voeren, rijst de vraag of de Hoge Raad 's hofs respons op het aangevoerde integraal zal gaan toetsen. Men kan immers betogen dat de responderende overwegingen van het hof ten overvloede zijn gegeven en derhalve niet ter toetse komen. Echter, een onverplicht gegeven antwoord is niet per definitie een overweging ten overvloede: de onverplicht gegeven overweging kan wel degelijk een grond bevatten waarop de bestreden beslissing berust. Doet zich hier niet de onuitgesponnen regel voor die inhoudt dat ieder die onverplicht de behartiging van een bepaalde zaak aan zich trekt, daarmee de verplichting krijgt om deze vrijwillig op zich genomen taak naar behoren te volvoeren? Men kan hier wijzen op het civiele recht bij de zaakwaarneming (BW 6:199, eerste lid) terwijl ook het strafrecht hiervan voorbeelden geeft die in de sfeer van de Garantenstellung liggen (zie HSR 15e, p. 235). Ik wijs op het arrest van de Illegale werker (BRvC 24 juni 1946, NJ 1947, 149), waarin werd uitgemaakt, dat aan degenen die vrijwillig aan het verzet tegen de vijand hebben deelgenomen en die daardoor zowel grote persoonlijke risico's hebben aanvaard als voor andere deelnemers gevaarlijke wetenschap hebben verworven, hogere eisen moeten worden gesteld dan aan Nederlanders, die zich in dit opzicht afzijdig hebben gehouden.
3.3. De raadsman die niet ingevolge art. 279, eerste lid, Sv heeft verklaard door de verdachte uitdrukkelijk te zijn gemachtigd tot het voeren van de verdediging, is op de terechtzitting slechts bevoegd het woord te voeren met inachtneming van de beperkingen zoals hiervoor onder 3.2 sub 2 overwogen. Indien de rechter de raadsman toestaat buiten de bedoelde onderwerpen nog meer aan te voeren, geschiedt dit in strijd met het wettelijk systeem.”