ECLI:NL:PHR:2016:965
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid gemeente Rijnwaarden tot opleggen aanslag afvalstoffenheffing 2013 na intrekking verordening
In deze zaak stond de vraag centraal of de gemeente Rijnwaarden in februari 2014 nog bevoegd was om aan belanghebbende een aanslag afvalstoffenheffing over 2013 op te leggen, nadat de Verordening afvalstoffenheffing 2013 per 1 januari 2014 was ingetrokken zonder overgangsrecht. Belanghebbende was gebruiker van een perceel en ontving op 28 februari 2014 een aanslag op basis van de ingetrokken verordening. Hij maakte bezwaar en stelde dat de aanslag niet rechtsgeldig was.
De Rechtbank Gelderland stelde belanghebbende in het gelijk en vernietigde de aanslag, omdat een aanslag moet berusten op een op het moment van oplegging geldende verordening. Het Hof Arnhem-Leeuwarden bevestigde dit oordeel en wees het hoger beroep van de gemeente af. Het Hof overwoog dat de intrekking zonder overgangsrecht betekende dat de oude verordening niet langer rechtsgrond bood voor aanslagen na 1 januari 2014.
Het College van B&W stelde in cassatie primair dat de materiële belastingschuld in 2013 was ontstaan en dat de gemeente op grond van artikel 11 AWR Pro de aanslag binnen drie jaar mocht opleggen. Subsidiair stelde het College dat de heffing in 2014 was voortgezet onder dezelfde materiële en formele bepalingen. De Advocaat-Generaal concludeerde dat een aanslag moet berusten op een verordening die op het moment van opleggen verbindend is en dat artikel 11 AWR Pro niet bevoegdheidsgebreken kan herstellen. Omdat de oude verordening was ingetrokken zonder overgangsrecht, was de aanslag nietig. De Hoge Raad volgde deze conclusie en verklaarde het cassatieberoep ongegrond.
Uitkomst: De aanslag afvalstoffenheffing 2013 opgelegd in 2014 is nietig omdat de verordening waarop deze berustte per 1 januari 2014 zonder overgangsrecht was ingetrokken.