Conclusie
1.Feiten
1.3 Definities(…)
Standplaats
Pauze is een tijdsruimte waarmee de arbeid tijdens de dienst wordt onderbroken en de werknemer geen enkele verplichting heeft ten aanzien van zijn werk.
Indien de werknemer buiten standplaats langdurig moet wachten, kan van hem worden verlangd dat hij een pauze opneemt. De pauze buiten standplaats kan niet eerder aanvangen dan 3 uur na het begin van zijn diensttijd. De duur van deze pauze bedraagt, bij een diensttijd tussen 4,5 uur en 10,5 uur, in geen geval meer dan een half uur, en bestaat uit 1 aaneengesloten tijdvak. Bij een diensttijd van 10,5 uur of meer bedraagt deze pauze in geen geval meer dan een uur, en mag maximaal uit 2 aaneengesloten tijdvakken bestaan, mits hij deze pauze niet al op standplaats heeft genoten. Het staat de werkgever niet vrij de werknemer te verzoeken pauze of andere vormen van onbetaalde tijd op te nemen anders dan in dit lid bepaald.
De dagelijkse pauze op of buiten standplaats mag niet worden opgedeeld in meer dan vier aaneengesloten tijdvakken. Geen van deze tijdvakken mag korter zijn dan 15 minuten.”
Naleving CAO
(...)”
Artikel 9
(...)
(…)”
Voorbeeld [betrokkene 1]
(…)”
2.Procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Nietigheid vaststellingsovereenkomst
onderdeel 1.1dat het hof heeft miskend dat art. 7:902 BW Pro zich niet beperkt tot de vaststelling die ertoe strekt om uitsluitend “een reeds bestaand geschil” te beëindigen, maar dat deze wetsbepaling ook ziet op vaststellingen ter voorkoming van een geschil dan wel “een onzekerheid die tot een geschil kan uitgroeien”. Volgens het onderdeel doet hieraan niet af, anders dan het hof in rov. 4.2 heeft overwogen, het arrest van de Hoge Raad van 9 januari 2015 [4] , nu het in die zaak ging om het door de wetgever bedoelde uitzonderingsgeval, waar partijen vooraf dan wel reeds bij voorbaat bij het aangaan van een arbeidsovereenkomst de werking of gelding van een dwingende wetsbepaling hebben opzij gezet.
tenzijzij tevens naar inhoud of strekking in strijd komt met de goede zeden of de openbare orde. Dit wetsartikel berust op het ‘verkeersbelang’ dat partijen, ook als hun rechtsproblemen met dwingend recht verweven blijken te zijn, daarvoor in der minne een oplossing kunnen bereiken en niet gedwongen zijn naar de rechter te gaan. [7] Zolang partijen op vermogensrechtelijk gebied blijven, moet daarbij op de koop toe worden genomen dat er ook een afdwingbare vaststellingsovereenkomst bestaat als naderhand blijkt dat zij naar haar resultaat strijdt met dwingend recht omdat inmiddels duidelijkheid is verkregen over de uitleg of het effect van de regel van dwingend recht. [8] Geldige vaststellingsovereenkomsten die betrekking hebben op een onderwerp van niet-vermogensrechtelijke aard kunnen onbeperkt aan dwingend recht worden getoetst, hetgeen meebrengt dat zij in deze gevallen weinig zin zullen hebben. [9] Voorts volgt uit art. 7:902 BW Pro dat een vaststelling in een vaststellingsovereenkomst die in strijd is met dwingend recht, niet in strijd mag zijn met de goede zeden of openbare orde. [10]
[A]/[B]) betrof een arbeidszaak. [11] De werkgever en de werknemer hadden achtereenvolgens drie arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd gesloten. Daarna is tussen hen een vierde arbeidsovereenkomst gesloten en daarbij zijn in een vaststellingsovereenkomst afspraken gemaakt over de duur van deze arbeidsovereenkomst. De vaststellingsovereenkomst hield onder meer in dat partijen zijn overeengekomen dat de tussen hen bestaande arbeidsovereenkomst op 18 februari 2011 op gelijke arbeidsvoorwaarden wordt verlengd en dat partijen vaststellen dat zij deze arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd met wederzijds goedvinden beëindigen met ingang van 1 januari 2012, en voorts dat zij tot vaststelling van deze afspraken zijn gekomen ter voorkoming van onzekerheid en ter vermijding van een procedure daarover. De werknemer stelde zich vervolgens in rechte op het standpunt dat de vaststellingsovereenkomst nietig was wegens strijd met art. 7:668a BW en dat zijn instemming met de vaststellingsovereenkomst tegen zijn wil was afgedwongen. Hij vorderde een verklaring voor recht dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst tegen 1 januari 2012 nietig was en hij stelde een loonvordering in. De werkgever vorderde in reconventie een verklaring voor recht dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen per 1 januari 2012 was geëindigd. Het hof wees de vorderingen van de werknemer af en verklaarde voor recht dat de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst met ingang van 1 januari 2012 was beëindigd. In cassatie klaagde de werknemer onder meer dat in het oordeel van het hof de onjuiste rechtsopvatting besloten lag dat een vaststelling ter voorkoming van een (toekomstig) geschil in strijd mag komen met bepalingen van dwingend recht. De Hoge Raad oordeelde deze klacht als volgt gegrond:
onzekerheidwas op dat moment derhalve
geensprake. Door het sluiten van de vaststellingsovereenkomst sloten partijen de werking van (in dat geval: driekwart-) dwingend recht op voorhand uit. Dat is niet toegestaan, omdat daarmee het dwingende karakter van dat recht op ontoelaatbare wijze zou worden ondermijnd. De Raad verwijst in dat verband naar de volgende antwoorden van de Minister van Justitie op vragen van Kamerleden:
reeds bestaandeonzekerheid of een
reeds bestaandgeschil. De onzekerheid of het geschil moet – binnen de context van art. 7:902 BW Pro - betrekking hebben op (i) de uitleg van een regel van dwingend recht of (ii) het resultaat waartoe een door een zodanige regel beheerste verhouding van partijen in het gegeven geval leidt. Partijen die een overeenkomst sluiten met het oog op wat de wenselijke rechtsverhouding tussen hen is, sluiten géén vaststellingsovereenkomst:
geen enkele onduidelijkheidis over de uitleg van een bepaalde regel, maar het juist de bedoeling is die regel te omzeilen. [15]
een reeds bestaand geschil, maar juist ter voorkoming daarvan, is zeker niet onbegrijpelijk. In dat verband is van belang dat de vaststellingsovereenkomsten gesloten zijn na het ontstaan van een geschil dat is gerezen tussen Blue Taxi en een
derde(SFT) en dus niet tussen Blue Taxi en de chauffeurs. Art. 1 van Pro de vaststellingsovereenkomsten komt er in feite op neer dat
voor het gevalzou blijken dat de chauffeurs nog een loonvordering hebben jegens Blue Taxi, zij daarvan (bij voorbaat) afstand doen. Hieruit blijkt niet van een
eigengeschil van de chauffeurs met Blue Taxi over de toepassing van de pauzeregeling uit de CAO. Dat daarvan geen sprake is, is ook uit af te leiden uit de verklaringen die de vijf chauffeurs van Blue Taxi op 5 juli 2012 hebben ondertekend. [16] In die verklaringen staat immers dat de werknemers tijdens hun pauzes hun dienst daadwerkelijk onderbreken en geen verplichtingen hebben ten aanzien van hun werk, dat Taxi Blue hen altijd salaris heeft betaald volgens de werktijden die zij hebben ingevuld op hun weekstaten en dat er absoluut geen sprake is van achterstallige salarisbetaling door Taxi Blue. Derhalve kan inderdaad worden geconcludeerd dat van een tussen de contractanten (Blue Taxi en de chauffeurs) reeds bestaand geschil geen sprake was. Ingevolge het arrest van 9 januari 2015 (
[A]/[B]) mag de vaststelling dan ook niet in strijd komen met dwingend recht.
Hiermee falen de klachten in onderdeel 1.1 en 1.2.
van een voor juist veronderstelde uitleg van die CAO’s, is die vaststelling, ook los van het voorgaande, in strijd met de openbare orde en derhalve nietig. Zie de volgende passage in de memorie van toelichting op art. 7.15.3:
Schmitz BV/Caspers), waarnaar ook onderdeel 1.1 verwijst. [18] In deze zaak was Caspers, een fysiotherapeut, als medewerker op notabasis werkzaam in de praktijk van Schmitz BV. Bij rechterlijke uitspraak kwam vast te staan dat de BV over de nota’s van medewerkers-werknemers onder meer over het jaar 1984 sociale verzekeringspremies verschuldigd was. De inhouding daarvan had ten aanzien van Caspers nooit plaatsgehad. In 1986 hebben partijen een vaststellingsovereenkomst gesloten op grond waarvan Schmitz BV door Caspers wordt gevrijwaard ter zake van eventuele aanslagen van de Bedrijfsvereniging. Vervolgens werden aan Schmitz BV verschillende aanslagen opgelegd. In de door Schmitz BV tegen hem ingestelde verhaalsprocedure verweerde Caspers zich met de stelling dat de vaststellingsovereenkomst in strijd is met dwingendrechtelijke bepalingen in de toenmalige ZW, WAO, en WW, waarin was bepaald dat een werkgever ten onrechte niet-ingehouden premies niet op een werknemer mag verhalen. Het hof achtte dit verweer gegrond en wees de vordering van Schmitz BV af. Volgens het hof zou de vaststelling voor wat betreft het werknemersdeel van de premie verplichten tot een prestatie die in strijd is met de dwingendrechtelijke bepalingen uit de ZW, WAO en WW. In het tegen het arrest ingestelde cassatieberoep overwoog de Hoge Raad als volgt (onderstreping a-g):
Schmitz BV/Caspersvoordeed is tot op zekere hoogte vergelijkbaar met de onderhavige zaak. Ook voor de onderhavige zaak geldt dat Blue Taxi en zijn werknemers in de tussen hen gesloten overeenkomst geen einde maken aan de onzekerheid of Blue Taxi de pauzeregeling correct heeft nageleefd dan wel of de chauffeurs nog recht hebben op nabetaling van loon. Zij strekt ertoe dat ‘wanneer het standpunt van SFT zou worden gevolgd’, de chauffeurs voor dat geval afstand doen van een eventuele loonvordering over het verleden. De overeenkomsten zijn dan ook in strijd met de openbare orde en derhalve nietig.
Wanneer een dergelijke overeenkomst toelaatbaar zou worden geacht, zou dat betekenen (zoals ook door SFT is aangevoerd) [19] dat de betekenis van een CAO aanzienlijk zou worden uitgehold. Een werkgever zou immers steeds met zijn werknemers overeen kunnen komen dat indien (in de toekomst) blijkt dat onjuiste toepassing is gegeven aan een CAO-bepaling, de werknemer afstand doet van zijn rechten uit die CAO. Daarmee zou het in het arbeidsrecht ten grondslag liggende beginsel van ongelijkheidscompensatie worden uitgehold. [20] In feite is immers niets anders beoogd dan het dwingende karakter van een CAO-bepaling opzij te zetten.
Onderdeel 1.3bevat een klacht die uitsluitend voortbouwt op de onderdelen 1.1 en 1.2 en geen afzonderlijke bespreking behoeft.
onder akomt erop neer dat op grond van het bepaalde in art. 15 Wet Pro CAO in verbinding met art. 3 lid 4 Wet Pro AVV aan SFT in de gegeven omstandigheden niet een vorderingsrecht toekomt, omdat partijen bij de CAO Taxivervoer en de CAO SFT aan SFT volgens art. 9 van Pro Bijlage I bij het Reglement van de CAO SFT alleen hun bevoegdheid tot het instellen van vorderingen als bedoeld in genoemde artikelen hebben overgedragen “voor zover het betreft de vorderingen terzake van de schade, die zij zelf lijden”. Volgens de klacht zijn derhalve aan SFT niet overgedragen de vorderingen van bij de CAO Taxivervoer aangesloten werknemers tot vergoeding van schade die zij lijden als gevolg van met verbindend verklaarde CAO-bepalingen handelen van aangesloten werkgevers, zodat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat SFT op grond van die wetsbepalingen een eigen vorderingsrecht heeft, een eigen belang heeft bij de handhaving van de CAO en bevoegd is tot het vorderen van een schadevergoeding.
nietingesteld namens iedere werknemer en voor de toewijsbaarheid is
nietnodig dat wordt vastgesteld welke aantallen individuele werknemers tegen de door de werkgever gevolgde handelwijze bezwaar maakten. [23] Partijen bij de CAO kunnen in geval van schending daarvan door een van hen nakoming en/of schadevergoeding vorderen.
schadedie de chauffeurs van Blue Taxi naar haar mening hebben geleden als gevolg van de gestelde niet-naleving van de pauzeregeling uit de CAO Taxivervoer. Deze stelling mist evenwel feitelijke grondslag. In haar memorie van grieven, par. 35-37, heeft SFT als volgt aangevoerd wat de grondslag is van haar
eigenrecht tot vordering tot betaling van de haars inziens verbeurde forfaitaire schadevergoeding (onderstreping a-g):
Een voorbeeld van een dergelijke vergoeding is een gefixeerde schadevergoeding die verschuldigd is bij overtredingen van CAO bepalingen. De schadevergoeding betreft derhalve ook de schade die CAOpartijen lijden doordat zij bij hun leden vertrouwen en prestige hebben verloren, alsmede het verlies aan wervingskracht. De immateriële schadevergoeding ex artikel 15 Wet Pro CAO en artikel 3 lid 4 Wet Pro AVV is ook opgenomen omdat in zodanige gevallen de werkelijke, door de CAO partijen geleden schade niet, althans zeer moeilijk te bewijzen is en veelal van immateriële aard. Tot slot gaat het bij de schadevergoeding om een prikkel tot nakoming.Het een en ander is door de Hoge Raad reeds uitgemaakt in het arrest van 2 november 1979 (De Bruin/Vervoersbond, NJ 1980, 227).
onder btegen het oordeel dat een afstandsverklaring van de chauffeurs niet kan afdoen aan het eigen vorderingsrecht van SFT. De klacht stelt dat art. 7:903 BW Pro blijkens de bedoeling van de wetgever niet eraan in de weg staat dat aan een vaststelling een zekere werking tegen derden kan toekomen, zoals bijvoorbeeld de vaststelling van de omvang van een vorderingsrecht, of doordat partijen door hun afspraken een beroep op hetgeen in het verleden tussen hen rechtens is geweest, door de vaststelling uitsluiten. [26] Dit zou betekenen dat aan de afstandsverklaringen van de chauffeurs in de vaststellingsovereenkomsten ten opzichte van SFT werking toekomt in die zin dat Blue Taxi jegens de chauffeurs is ontheven van een eventuele verplichting tot nabetaling van loon ingeval zou komen vast te staan dat Blue Taxi de in de CAO Taxivervoer vervatte pauzeregeling niet correct heeft nageleefd, en jegens hen in zoverre niet meer tot naleving van de CAO Taxivervoer kan worden verplicht. Voorts klaagt het onderdeel in de ingesprongen tekst dat het hof heeft miskend dat het in deze procedure alleen gaat om de vordering van SFT tot verstrekking van verlangde gegevens op last van de forfaitaire boete en schadevergoeding. Het onderdeel betoogt dat het wegvallen van de eventuele loonaanspraken van de chauffeurs als gevolg van hun afstandsverklaringen in de vaststellingsovereenkomsten aan de vordering van SFT elke grond heeft weggenomen, nu voor afgifte van de specifieke bewijsstukken ter bevestiging van de door SFT gestelde nabetaling van achterstallig loon geen noodzaak meer bestaat nu de oud-werknemers daarvan hebben afgezien.
onder cdat in het licht van de in de klacht onder b genoemde feiten en omstandigheden onbegrijpelijk is dat het hof heeft geoordeeld dat de vorderingen van SFT niet zijn achterhaald door de vaststellingsovereenkomsten en de afstandsverklaringen van de chauffeurs geen effect sorteren jegens SFT. Volgens de klacht maakt het hof niet duidelijk waarom het van oordeel is dat Blue Taxi tegenover zijn oud-werknemers gehouden is tot naleving van de CAO, terwijl zij niet meer bij Blue Taxi in dienst zijn en Blue Taxi als eenmanszaak thans geen werknemers in dienst heeft. Niet voldoende is hetgeen het hof in rov. 6.4 heeft geoordeeld, omdat de veroordeling van Blue Taxi tot naleving van de CAO SFT en de CAO Taxivervoer niet kan worden gedragen door de daar gegeven motivering, dat Blue Taxi haar eerst ter zitting in hoger beroep aangevoerde stelling dat zij wel wachttijd uitbetaalt, niet heeft onderbouwd.
de CAO-partijenen niet de (inmiddels: oud-)werknemers. Aangezien beide CAO’s algemeen verbindend zijn verklaard was SFT zelfstandig bevoegd om naleving daarvan te vorderen en, blijkens het Reglement, schadevergoeding te vorderen. [28] Het eigen vorderingsrecht van de CAO-partijen is niet afhankelijk van een vorderingsrecht van de (oud-)werknemers. Verwezen zij naar de bespreking van de vorige klachten.
moetenkomen, indien het deze normen, zo die al dwingendrechtelijk van aard zijn, had toegepast. In dat verband is op te merken dat art. 15 van Pro de Arbeidstijdenrichtlijn bepaalt dat de Richtlijn er niet aan in de weg staat dat lidstaten wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen toepassen of invoeren die
gunstigerzijn voor de bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers, dan wel de toepassing bevorderen of mogelijk maken van collectieve overeenkomsten of bedrijfsakkoorden tussen de sociale partners die gunstiger zijn voor de bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers. Art. 2.5:1 lid 3 Arbeidstijdenbesluit vervoer, waarnaar het onderdeel verwijst, bevat voor de werknemer die taxivervoer verricht afwijkende
rusttijden, waarvan blijkens het vierde lid, en met inachtneming van lid 5, bij collectieve regeling kan worden afgeweken. Het onderdeel geeft niet aan of en, zo ja, in welk opzicht, de bepalingen in de onderhavige CAO’s minder gunstige bepalingen bevat dan de wettelijke minimumnormen.
onder aklaagt dat het hof in rov. 5.4 er ten onrechte vanuit gaat dat, indien (betaalde) wachttijd valt onder arbeidstijd, de werknemer in die wachttijd (onbetaalde) pauze
moetopnemen. De klacht stelt dat art. 2.1.4 onder B CAO Taxivervoer weliswaar bepaalt dat als de werknemer buiten standplaats langdurig moet wachten, van hem kan worden verlangd dat hij een pauze opneemt, maar dat blijkens de parlementaire toelichting op art. 1:7 onderdeel Pro 3 Arbeidstijdenwet met de wettelijke definitie ‘pauze’, welke definitie lijkt op die van art. 2.1.4 onder A CAO Taxivervoer, is bedoeld dat de pauze géén onderdeel uitmaakt van de werktijd dan wel arbeidstijd. [33]
ten gunste van de werkgever. In zoverre ontbeert de klacht belang. Verder geldt het volgende. In rov. 6.3 overweegt het hof dat uit de bepalingen van de CAO Taxivervoer blijkt dat de diensttijd van een chauffeur kan bestaan uit rijtijd, wachttijd en pauze, waarbij de pauze is gelimiteerd door de pauzeregeling. Het hof overweegt vervolgens dat moet worden aangenomen dat de (betaalde) arbeidstijd van een chauffeur bestaat uit wachttijd en rijtijd. In dit oordeel ligt besloten het oordeel dat pauze geen onderdeel uitmaakt van de werktijd. Daarmee komt het oordeel van het hof overeen met de parlementaire geschiedenis waarnaar de klacht verwijst. Op grond van art. 2.1.4 onder B van de CAO Taxivervoer kan de werkgever van een chauffeur verlangen dat hij buiten standplaats (indien hij moet wachten) pauze opneemt. Die pauze is dan gemaximeerd en, zoals blijkt uit het voorgaande, onbetaald.
onder bklaagt dat het hof in rov. 5.4 ten onrechte ‘wachttijd’ als bedoeld in art. 2.1.4 onder B van de CAO Taxivervoer voor de werknemer, die volgens de CAO taxivervoer verricht, gelijk stelt aan die van werknemers met een beschikbaarheidsdienst zoals de artsen of brandweerlieden met wachtdienst en/of beschikbaarheidsdienst in de door het hof vermelde rechtspraak van het HvJEG. Het onderdeel betoogt in dat verband dat er bij de werknemer die taxivervoer verricht geen sprake is van fysieke aanwezigheid in de instelling van de werkgever, maar dat er wel sprake kan zijn van tijdvakken van inactiviteit waarbinnen de werknemer de keuze heeft om zijn dienst zolang te beëindigen en te hervatten indien hij voor klanten van de werkgever taxivervoer moet verrichten. [34] Volgens het onderdeel valt de wachttijd binnen de tijdvakken van inactiviteit buiten de arbeidstijd dan wel samen met de door de Arbeidstijdenrichtlijn bepaalde dagelijkse rusttijd, zodat voor een pauze binnen deze tijdvakken geen aanleiding of verplichting bestaat in de zin van art. 2, leden 1, 2 en 9, en art. 4 Arbeidstijdenrichtlijn (en daarmee art. 5:4 Arbeidstijdenwet Pro juncto art. 2.5:1 Arbeidstijdenbesluit vervoer).
wilwerken, voor hem ook direct een rit beschikbaar is.
onder cklaagt dat het hof er in de rechtsoverwegingen 5.4 en 5.5 vanuit gaat dat de CAO-partijen ervoor hebben gekozen de in art. 2.1.4 onder B van de CAO Taxivervoer genoemde maximering in de pauzeregeling alleen te laten gelden “buiten standplaats”, terwijl de tekst van art. 2.1.4 daarvoor geen aanknopingspunten biedt. Het onderdeel wijst erop dat art. 2.1.4 onder C van de CAO Taxivervoer voor de dagelijkse pauze “op of buiten standplaats” bepaalt dat deze niet mag worden opgedeeld in meer dan vier aaneengesloten tijdvakken en dat geen van deze tijdvakken korter mag zijn dan 15 minuten.
buitenstandplaats. De CAO bevat geen bepaling waarin de pauze van een chauffeur
opeen standplaats wordt gemaximeerd. Anders dan het onderdeel stelt, kan uit het bepaalde in art. 2.1.4 C van de CAO Taxivervoer niet worden afgeleid dat de maximering van pauze ook op de standplaats geldt. Die bepaling garandeert de chauffeur op en buiten standplaats slechts een minimum-pauze.
onder dklaagt dat het hof in rov. 5.5 er ten onrechte vanuit gaat dat onder ‘standplaats’, zoals omschreven in art. 1.3 onder p van de CAO Taxivervoer (luidend: “plek waar het bedrijf is gevestigd en waar de werknemer zijn dienst aanvangt en beëindigt”), niet wordt verstaan ‘elke plek die door de chauffeurs als een soort thuisbasis wordt beschouwd waaronder een gekozen plek in de nabijheid van grote taxistandplaatsen’. [38]
eigenvorderingsrecht heeft, waaraan de afstandsverklaring van de chauffeurs niet afdoet. De tegen dit oordeel gerichte klachten falen. In rov. 6.4 heeft het hof overwogen dat Blue Taxi in hoger beroep (voor het eerst) heeft gesteld “dat hij wel degelijk wachttijd uitbetaalt, namelijk de tijd dat een chauffeur op zijn ritstaat aangeeft dat hij zijn dienst hervat (bijvoorbeeld om aan te sluiten in de rij op de taxistandplaats) tot het moment dat hij een rit aanvangt”. Het hof heeft vervolgens geoordeeld dat Blue Taxi deze stelling op geen enkele wijze heeft onderbouwd. In het bestreden oordeel ligt besloten dat het hof van oordeel is dat, indien de in hoger beroep door Blue Taxi ingenomen stelling op waarheid berust, hij deze stelling richting SFT ook gedocumenteerd had moeten onderbouwen. Het oordeel van het hof dat de brieven met daarin weergegeven de vaststellingsovereenkomsten met de chauffeurs geen geloofwaardige verklaring geven voor het ontbreken van betaalde wachttijd en het oordeel dat met deze brieven evenmin is aangetoond dat Blue Taxi, naar zij voor het eerst in hoger beroep heeft gesteld, wachttijd heeft verloond conform de pauzeregeling van de CAO Taxivervoer is zeker niet onbegrijpelijk.