Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het principale cassatiemiddel
De echtgenoot of de echtgenote en de kinderen beneden de leeftijd van achttien jaar als bedoeld in art. 47, eerste lid, Vb
Parket bij de Hoge Raad
Deze zaak betreft de vraag of een minderjarige, die biologisch de kleindochter is van natuurlijke ouders die zijn genaturaliseerd, mede-genaturaliseerd kan worden met haar moeder op grond van het Nederlanderschap en het verblijfsrecht in Nederland. De kern is of de minderjarige op het moment van naturalisatie van haar moeder verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland had, zoals vereist volgens de Vreemdelingenwet en het Vreemdelingenbesluit.
De feiten tonen aan dat de geboorteaangifte onjuist was, waardoor de minderjarige aanvankelijk als kind van haar grootouders werd geregistreerd, die Nederlander waren. Later werd vastgesteld dat haar biologische ouders anders waren. De minderjarige verbleef jarenlang in Nederland en haar moeder werd genaturaliseerd in 1996. De rechtbank had geoordeeld dat de minderjarige mede-genaturaliseerd was met haar moeder omdat zij feitelijk tot het gezin van haar grootouders behoorde en daardoor verblijf voor onbepaalde tijd had.
De Hoge Raad oordeelt echter dat het verblijfsrecht voor onbepaalde tijd op grond van art. 10 lid 2 Vreemdelingenwet Pro en art. 47 Vreemdelingenbesluit Pro beperkt is tot het kerngezin, bestaande uit ouder(s) en hun kinderen, en niet strekt tot kleinkinderen. Omdat de minderjarige niet tot het kerngezin behoorde en de verblijfsvergunning frauduleus was verkregen, had zij geen verblijfsrecht voor onbepaalde tijd en kon zij niet mede-genaturaliseerd worden met haar moeder.
Het incidentele cassatiemiddel, dat betrekking had op het niet behandelen van het EEG-Associatieverdrag en het Rottmann-arrest, faalt omdat de minderjarige nooit het Nederlanderschap heeft gehad en deze rechtsgronden daarom niet van toepassing zijn. De Hoge Raad vernietigt het vonnis van de rechtbank en wijst het verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap af.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het vonnis en wijst het verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap af omdat de minderjarige geen verblijf voor onbepaalde tijd had.