Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Overzicht
BNB2014/204, af dat (i) voorkomen moet worden dat
bona fidevervreemders aansprakelijk worden; (ii) wél getroffen moeten worden vervreemders die weten of behoren te beseffen dat de verhaalsmogelijkheden van de Ontvanger verkort worden door uitgesproken onzakelijk handelen; (iii) onder de term ‘anders dan door de normale bedrijfsvoering’ verstaan moet worden ‘door uitgesproken onzakelijke handelingen’; (iv) als de vervreemder niets van doen heeft met onzakelijke daling van het vennootschapsvermogen, noch vóór de vervreemding (er is voldoende geld ten tijde van de vervreemding), noch ná de vervreemding (een eventuele vermogensdaling nadien ligt ‘buiten zijn toedoen’), hij kan volstaan met bewijs dat hij ten tijde van de vervreemding niet wist of behoorde te weten dat de koper c.s. betaalcapaciteit aan de BV zou gaan onttrekken en met name niet hoeft te bewijzen dat hij zich vergewist heeft van ordentelijke afwikkeling van de HIR of andere latenties; en (v) de niet-bonafide vervreemder (niet-bonafide betekent dat er ten tijde van de vervreemding
nietvoldoende vermogen is
ofdat ná de vervreemding het vermogen
niet(geheel) buiten toedoen van de vervreemder onzakelijk daalt) moet bewijzen ofwel dat hij zich van ordelijke HIR-afwikkeling heeft vergewist, ofwel dat de ontoereikendheid van het vermogen niet het gevolg is van de onzakelijke handelingen. Het Hof heeft mijns inziens correct deze maatstaf toegepast, zodat voornamelijk bewijslastbepaling en -verdeling en motiveringsklachten resteren.
comfortbood omdat die BV evenveel schulden als bezittingen had, is feitelijk en, gegeven de vaststaande feiten, geenszins onbegrijpelijk. Ook ’s Hofs oordeel dat de belanghebbenden het voorstel van de constructie-aanbieder hebben omarmd zonder onderzoek te (laten) doen naar de relevante achterliggende documenten is niet in strijd met de vastgestelde feiten en niet onbegrijpelijk.
BNB2015/80 de fiscus onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van potentieel aansprakelijken zoals de belanghebbenden. Uit HR
NJ2002, 94 [1] en HR
V-N2016/28.17.28 [2] blijkt dat het handelen van de Inspecteur niet kan worden toegerekend aan de Ontvanger, zodat dit middel faalt. Het Hof heeft voorts feitelijk vastgesteld dat als de Inspecteur de voorlopige aanslag niet had verminderd, zulks niet zou hebben uitgemaakt voor de (on)inbaarheid van de vennootschapsbelastingschuld en daarmee evenmin voor de kans dat de belanghebbenden aansprakelijk gesteld zouden worden.
BNB2014/204 impliceert, zou niet bestaan als tegenbewijs uitgesloten zou zijn.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
BNB2012/312, dat zij moeten bewijzen dat het niet aan hen is te wijten dat het vermogen van de belastingschuldige ontoereikend is voor het voldoen van de vennootschapsbelasting. Zij wijzen er daartoe op dat op initiatief van [G] de aandelen zijn verkocht aan één van diens vennootschappen en dat [G] lid was van de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs, waarvan een zekere integriteit en deskundigheid mag worden verwacht, aldus de belanghebbenden. Zij hebben voorts de nodige zorgvuldigheid in acht genomen zoals blijkt uit het memo van 4 augustus 2009 en uit de email van 25 augustus 2009. [G] geeft immers op hun verzoek garanties, onder meer via zijn [N] BV en [FF] BV, wier jaarrekening 2006 en tussentijdse cijfers per 30 juni 2007 aan de belanghebbenden zijn toegestuurd. Bovendien heeft [X2] BV € 847.110 op de derdengeldenrekening van de notaris gestort om de te betalen vennootschapsbelasting zeker te stellen, aldus de belanghebbenden. De Inspecteur heeft ten slotte de voorlopige aanslag Vpb 2009 ten laste van de belastingschuldige op 6 maart 2011 verminderd tot nihil terwijl hij wist dat de HIR-vrijval tot een aanzienlijk bedrag aan te betalen Vpb zou leiden. Dat op een later moment onvoldoende vermogen aanwezig blijkt om de verschuldigde Vpb te voldoen is onder deze omstandigheden volgens de belanghebbenden niet aan hen te wijten.
BNB2014/204 [8] - in dat bewijs geslaagd. De Rechtbank oordeelde:
BNB2016/8 [10] . In dat arrest heeft u geoordeeld dat ook rechtspersonen onder art. 20 Inv Pro. aansprakelijk gesteld kunnen worden. Naar aanleiding daarvan heeft de Ontvanger opgemerkt dat [X2] BV terecht aansprakelijk is gesteld en dat nu de feiten in beide zaken identiek zijn, reden voor hem is om te volstaan met aanvulling van hoger beroepsgronden alleen in de procedure van [X1], met verzoek om die als ingelast te beschouwen in de procedure van [X2] BV.
BNB2014/204 [11] komt [X1] volgens hem dan ook niet toe, nu de feiten anders zijn dan in die zaak. Andere disculpatiegronden zijn door [X1] niet gesteld. Door zijn pogingen zich tegen aansprakelijkstelling in te dekken heeft [X1] aangegeven rekening te hebben gehouden met verschuldigdheid van vennootschapsbelasting en met het niet in staat of niet bereid zijn van [BB] BV om die te voldoen. Kennis van zijn adviseur kan bij risico-aansprakelijkheid zoals die ex art. 40 Inv Pro. aan [X1] worden toegerekend.
3.Het geding in cassatie
BNB2009/114 [13] , waarin u overwoog:
V-N2017/8.8 [14] . Hoewel deze arresten fiscale boeten betreffen, zijn zij volgens de belanghebbenden van overeenkomstige toepassing op aansprakelijkstellingen ex art. 40 Inv Pro. Dat geldt volgens hen ook voor de arresten HR
BNB2015/192 [15] en HR
BNB2016/112 [16] waarin u de lijn van HR
BNB2009/114 ook volgt bij aansprakelijkstelling van bestuurders van rechtspersonen. Zij merken op dat zij zowel bij de Rechtbank als bij het Hof onweersproken hebben gesteld dat zij mochten vertrouwen op een deskundige en zorgvuldige taakuitoefening door hun advieskantoor in het algemeen en door [E] in het bijzonder. De Hoge Raad heeft in HR
BNB2017/39 [17] uitdrukkelijk geoordeeld dat ook in het kader van art. 40(6) Inv. een ieder in beginsel alleen voor zijn eigen handelen en nalaten aansprakelijk is, behoudens welomschreven wettelijke uitzonderingen.
BNB2009/114 en HR
V‑N2017/8.8 (zie ad (ii)).
BNB2015/80 [18] en HR
BNB2009/75 [19] , de Ontvanger (bedoeld zal zijn de Inspecteur) onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van derden die aansprakelijk gesteld kunnen worden. Ingevolge art. 5 Uitvoeringsregeling Pro Belastingdienst 2003 zijn de Ontvanger en de Inspecteur functioneel verenigd in één persoon, zodat huns inziens het handelen en nalaten van de Inspecteur wel degelijk aan de Ontvanger kan worden tegengeworpen. Het Hof heeft voorts onvoldoende gemotiveerd zijn oordeel dat begin 2010 het vermogen van [BB] BV al ontoereikend zou zijn geweest voor het voldoen van de voorlopige aanslag.
verweerstelt de Staatssecretaris dat alle middelen feitelijke oordelen bestrijden die niet onbegrijpelijk en daarmee in cassatie onaantastbaar zijn. Ad (i) merkt hij op dat de parlementaire behandeling wel degelijk vermeldt dat opname van gelden bij de vennootschap zonder terugbetaling of voldoende zekerheid, een vermindering van het vermogen van de vennootschap buiten de normale bedrijfsvoering is. Ad (ii) stelt hij dat de belanghebbenden weliswaar op hun fiscale adviseur zouden mogen vertrouwen, maar dat geen enkel stuk is overgelegd waaruit blijkt wat dat advies dan inhield; hoe dan ook kan zijns inziens het handelen en de veronderstelde kennis van de adviseur de Ontvanger niet worden tegengeworpen. Middel (iii) acht de Staatssecretaris een herhaling van middel (ii) en hoe dan ook hebben de belanghebbenden door eigen onzakelijk handelen verhaal illusoir gemaakt en pas onderzoek naar de gegoedheid van de koper ingesteld ruim ná de aandelenoverdracht. Ad (iv) merkt de Staatssecretaris op dat de belanghebbenden niet aannemelijk hebben gemaakt dat de Ontvanger genoegen zou hebben genomen met minder zekerheid omdat de belanghebbenden aansprakelijk gesteld konden worden.
BNB2014/204 [20] ) en falen de cassatiemiddelen (i) tot en met (iii) van de belanghebbenden, nu geen mogelijkheid tot disculpatie bestaat als het vermogen bij de aandelenoverdracht ontoereikend is.
verweerstellen de belanghebbenden dat ook als het vermogen ten tijde van de aandelenoverdracht ontoereikend zou zijn, de mogelijkheid tot disculpatie bestaat.
4.Regelingen tegen de handel in HIR-lichamen
heffingte voorkomen; niet om [B B.V.] frauduleus leeg te (laten) halen. De bedoeling was om legaal maar creatief gebruik te maken van art. 12a Wet Vpb, niet door die bepaling te omzeilen, maar juist door haar in werking te doen treden en de daardoor ontstane
tax capacity(de vrijvalwinst) te vullen met verliezen van fiscaal te voegen vennootschappen van de koper.
5.Artikel 40 Invorderingswet Pro 1990 (vervreemdersaansprakelijkheid)
Wettekst en wetsgeschiedenis
BNB2014/204 de aansprakelijkgestelde vervreemder zich te makkelijk zou kunnen disculperen. De tekst van art. 40(6) Inv. luidt per die datum:
BNB2012/312 [36] betrof een grootaandeelhouder in een BV met een HIR, gevormd na de verkoop van het bedrijfspand in 2002. Na de verkoop daarvan had de aandeelhouder de liquide middelen van de BV opgenomen en als schuld in rekening-courant geboekt. In 2003 verkocht hij de aandelen in de BV aan een koper die de koopsom voldeed door overname van de rekening-courantschuld van de verkoper. In 2006 staakte de BV haar activiteiten en in dat jaar werd haar een navorderingsaanslag Vpb 2003 opgelegd ter zake van vrijval van de HIR in 2003, die de BV niet betaalde. De ontvanger stelde de verkoper aansprakelijk voor de onbetaalde vennootschapsbelasting. Niet in geschil was dat de BV ten tijde van de aandelenoverdracht over voldoende vermogen beschikte om de navorderingsaanslag Vpb 2003 te voldoen en dat de koper over voldoende vermogen beschikte om de r.-c. schuld te voldoen. De vraag was of het vermogen nadien verminderd was buiten de normale bedrijfsuitoefening. Volgens de rechtbank was dat het geval en kon de verkoper zich niet disculperen:
NJ1996, 285, [39] waarin uw eerste kamer overwoog:
BNB2012/315 betoogt hij [40] dat, wil een vervreemder/niet-leeghaler zich disculperen, hij zal moeten bewijzen dat hij ofwel geen rekening kon of hoefde houden met de mogelijkheid van leeghalen door een derde, ofwel dat hij voldoende rekening heeft gehouden met de belangen van de ontvanger.
BNB2012/315 anders. Hij overwoog dat de aansprakelijk gestelde verkoper buiten het plan van de koper stond om verhaal door de ontvanger illusoir te maken en dat art. 40 Inv Pro. voor een dergelijk geval niet is bedoeld. Zou art. 40 Inv Pro. wel van toepassing zijn, dan had de aansprakelijkgestelde volgens het Hof bewezen dat het niet aan hem te wijten was dat verhaal door de ontvanger illusoir werd, nu geen sprake was van ‘bewust verwijtbaar handelen’.
BNB2014/204 blijkt dat de wetgever (althans tot 1 januari 2016) wilde voorkomen dat
bona fidevervreemders aansprakelijk zouden zijn en alleen vervreemders die van de hoed en de rand hadden moeten weten wilde treffen. Hoe dan ook, voor de vraag wat de disculpatiemogelijkheid tot 1 januari 2016 inhield, biedt het arrest weinig houvast, nu u slechts de wettekst herhaalde. Elbers [41] maakt uit HR
BNB2012/315 wel op dat voor het verwijt bedoeld in art. 40(6) Inv. geen sprake hoeft te zijn van opzet of bewuste schuld.
BNB2014/204. [43] U overwoog:
BNB2015/80. [44] Ook in die zaak was het vermogen van de vervreemde BV ten tijde van de vervreemding voldoende en had de latere vermindering buiten toedoen van de vervreemder plaatsgevonden. U achtte in die omstandigheden onjuist ’s Hofs oordeel dat disculpatie ex art. 40(6) Inv. slechts mogelijk zou zijn als de vervreemder aannemelijk maakt ‘dat hij voorafgaand aan de verkoop van de aandelen in voldoende mate onderzoek heeft gedaan om zich ervan te vergewissen dat [de koper] de in de BV ten tijde van de verkoop aanwezige fiscale claim ordelijk afwikkelt’.
bona fidevervreemders het slachtoffer worden van de aansprakelijkheidsregeling van art. 40 Inv Pro.:
bona fidevervreemder hoeft, gezien HR
BNB2015/80, met name niet te bewijzen dat hij zich vergewist heeft van ordelijke afwikkeling van de HIR of andere latenties.
bona fidevervreemder is niet aansprakelijk als hij niet hoefde te zien dat de koper c.s. niet deugde. De niet-
bona fidevervreemder (niet-
bona fidebetekent in dit verband dat er ten tijde van de vervreemding
onvoldoende vermogen was
ofdat ná de vervreemding het vermogen
niet(geheel) buiten toedoen van de vervreemder onzakelijk is gedaald) heeft een zwaardere bewijslast. Die vervreemder moet zich wél vergewist hebben van ordelijke HIR-afwikkeling, want als één van beide (of beide) omstandigheden (a) of (b) ontbreekt, is hij ofwel vóór, ofwel ná de vervreemding betrokken geweest bij de onzakelijke daling van het vennootschapsvermogen (is het vermogen niet onzakelijk maar door normale bedrijfsvoering gedaald, dan is hij hoe dan ook niet aansprakelijk, omdat dan niet voldaan is aan de criteria van lid 1). De enige andere disculpatiemogelijkheid naast bewijs van zorgplichtvervulling lijkt mij dan het bewijs dat de oninbaarheid van de volle vennootschapsbelasting niet het gevolg was van de onzakelijke handelingen, hetgeen zich niet vaak zal voordoen.
NTFR2014/1804) concludeert dat u de bewijslast van de
bona fidevervreemder heeft verlicht, maar dat u niets zegt over de disculpatiemogelijkheid als
nietvaststaat dat het vermogen van de vervreemde BV ten tijde van de vervreemding toereikend was. Staat dat niet vast, dan meent hij met IJzerman (zie diens conclusie voor HR
BNB2012/315), dat de zorgplicht jegens de Ontvanger en de onderzoeksplicht van de vervreemder relevant blijven.
BNB2014/204 dat uw term ‘wist of behoorde te weten’ verwijst naar de begrippen ‘opzet’ en ‘grove schuld’ in het fiscale boeterecht.
6.Beoordeling van de principale middelen
BNB2014/204 en in het aldaar genoemde arrest HR
BNB2015/80. Het Hof heeft geoordeeld dat het vermogen van de vervreemde vennootschap ten tijde van de vervreemding voldoende was, maar meteen nadien verminderd is tot onvoldoende omdat de omzetting van liquiditeiten in een vordering op de nieuwe eigenaar en de verdeling van de liquiditeiten tussen de koper en de belanghebbenden onzakelijk was (‘onttrokken’) én leidde tot insolvabiliteit wegens oninbaarheid van die vordering. Daaruit volgt dat de belanghebbenden in beginsel aansprakelijk zijn (onder lid 1 van art. 40 Inv Pro. vallen). Daartegen is middel (i) gericht.
BNB2014/204 voorziet. Zij kunnen dus niet volstaan met aannemelijk maken zij ten tijde van de vervreemding niet wisten of behoorden te weten dat de koper betaalcapaciteit aan de BV zou gaan onttrekken. Uit de analyse in 5.19 en 5.20 hierboven volgt dat zij dan aannemelijk moeten maken ofwel dat zij zich vergewist hebben van ordelijke HIR-afwikkeling (aan hun zorgplicht jegens de Ontvanger hebben voldaan), ofwel dat het vermogenstekort niet het gevolg is van onzakelijke handelingen. ’s Hofs oordeel houdt in dat zij zich onvoldoende vergewist hebben van een ordelijke HIR-afwikkeling en (dus) onvoldoende van hun zorgplicht jegens de Ontvanger hebben gekweten. Tegen dat oordeel zijn de middelen (ii) en (iii) gericht.
nietgenoemd is, nu daaruit niet meer af te leiden valt dan dat zij niet genoemd is; dat niet-noemen maakt haar uiteraard nog niet zakelijk. De stelling dat pas veel later uit een andere (belasting)procedure is gebleken dat [H] niet over de verhoopte afwaardeerbare vorderingen beschikte, is niet relevant: de vraag of [H] daarover al dan niet beschikte (de vraag of voor de beoogde heffingsverijdelingsconstructie het juiste materiaal voorhanden was), zegt niets over het vermogen van de belastingschuldige, noch over de (on)zakelijkheid van de omzetting van geld in omvangrijke vorderingen zonder enige zekerheid en het verdwijnen van de helft van dat geld, maar hoogstens iets over verhoopt toekomstig fiscaal geconsolideerd vermogen van een beoogde fiscale eenheid. Overigens is mijns inziens het opzettelijk doen vrijvallen van een HIR met het enkele oogmerk die vrijval te doen neutraliseren door aftrek van gezochte latente verliezen van derden om de neutraliseringsopbrengst met die derden te delen geen normale bedrijfsuitoefening, maar een antifiscale structuur, zij het op het eerste gezicht niet in strijd met (doel en strekking van) de wet.
BNB2009/114 [46] , HR
V-N2017/8.8 [47] , HR
BNB2015/192 [48] , HR
BNB2016/112 [49] en HR
BNB2017/39 [50] slechts aansprakelijk kunnen worden gesteld voor eigen doen en laten en niet voor dat van de adviseurs.
comfortbood omdat die BV evenveel schulden als bezittingen had, is feitelijk en, gegeven de vaststaande feiten, geenszins onbegrijpelijk. Ook ’s Hofs oordeel dat de belanghebbenden het voorstel van [G] hebben omarmd zonder onderzoek te (laten) doen naar de relevante achterliggende documenten is niet in strijd met de vastgestelde feiten en niet onbegrijpelijk.
BNB2015/80 de fiscus onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van potentieel aansprakelijken zoals de belanghebbenden.
NJ2002, 94 [51] en HR
V-N2016/28.17.28 [52] blijkt dat het handelen van de Inspecteur niet kan worden toegerekend aan de Ontvanger, zodat dit middel faalt. Ten overvloede heeft het Hof feitelijk vastgesteld dat als de Inspecteur de voorlopige aanslag niet had verminderd, zulks niet zou hebben uitgemaakt voor de (on)inbaarheid van de vennootschapsbelastingschuld van [B B.V.] en daarmee evenmin voor de omvang van de kans dat de belanghebbenden aansprakelijk gesteld zouden worden.
7.De incidentele middelen
BNB2014/204 (zie 5.18) impliceert, zou niet bestaan als het standpunt van de Staatssecretaris juist zou zijn. Het kan de Staatssecretaris worden toegegeven dat als de vervreemder na de vervreemding betrokken is geweest bij vermogensvermindering door onzakelijk handelen, het niet voor de hand ligt dat hij nog tegenbewijs kan leveren, maar het is niet uitgesloten; hij zou bijvoorbeeld aannemelijk kunnen maken dat ook ná die onzakelijke handelingen waarbij hij betrokken was, er nog genoeg vermogen was. De aansprakelijkheid van lid 1 wordt immers niet gebaseerd op ontoereikendheid van het vermogen, maar reeds op vermindering van het vermogen, ongeacht of die vermindering tot de ontoereikendheid bedoeld in lid 6 leidt.