Conclusie
eerste middelricht zich met twee deelklachten tegen de kwalificatiebeslissing. Ten eerste wordt geklaagd dat “het met kracht bij de keel pakken en tegen de grond drukken niet [als mishandeling] te kwalificeren is, omdat niet is ten laste gelegd dat die handelingen pijn en/of letsel hebben veroorzaakt”. Deze eerste deelklacht gaat aldus uit van de rechtsopvatting dat het vereist is dat, om bepaalde handelingen als ‘mishandeling’ te kunnen kwalificeren, “ten laste [is] gelegd dat die handelingen pijn en/of letsel hebben veroorzaakt”.
art. 300 Sr Pro., maar het woord in zooverre ook eene feitelijke beteekenis heeft, dat daarin ligt opgesloten, dat de iemand aangedane feitelijkheden pijn of letsel aan diens lichaam of gezondheid hebben veroorzaakt;
dat, waar hier is telastegelegd en bewezen verklaard, dat is mishandeld door het opzettelijk gewelddadig geven van een stomp, daarmede genoegzaam tot uitdrukking is gebracht, dat daardoor pijn of letsel is toegebracht.”
eerste middelfaalt in al zijn onderdelen.
tweede middelklaagt over de verwerping van het beroep op noodweer, “omdat het hof geen feiten en omstandigheden heeft [vastgesteld] waarop het oordeel kan worden gebaseerd dat verdachte op elk moment tijdens de ruzie weg had kunnen gaan en de deur van de keuken achter zich dicht had kunnen doen”. Aldus heeft de motiveringsklacht betrekking op het onttrekkingsvereiste in noodweersituaties.
Indien de rechter het beroep verwerpt, dient hij duidelijk te maken of hij de door of namens de verdachte aan het verweer ten grondslag gelegde feitelijke toedracht niet aannemelijk geworden acht, dan wel of die toedracht het beroep niet kan doen slagen.
3.5.2. Aan de subsidiariteitseis is niet voldaan indien de verdachte zich niet behoefde te verdedigen en er dus geen noodzaak tot verdediging bestond.
Daarvan is bijvoorbeeld sprake indien de verdachte zich niet alleen aan de aanranding had kunnen, maar zich daaraan ook had moeten onttrekken. Bij de verwerping van een beroep op noodweer kan dus niet worden volstaan met het enkele argument dat de verdachte zich aan de aanranding had kunnen onttrekken.
Het zich aan de aanranding kunnen onttrekken houdt in dat daartoe voor de verdachte een reële en redelijke mogelijkheid moet hebben bestaan. Dit is bijvoorbeeld niet het geval wanneer de positie van de verdachte en de ruimte waarin hij zich bevindt, redelijkerwijs geen mogelijkheid bieden tot onttrekking aan de aanranding.
Onttrekking aan de aanranding moet voorts van de verdachte kunnen worden gevergd. Dit behoeft bijvoorbeeld niet het geval te zijn wanneer de situatie zo bedreigend is dat zich onttrekken aan de aanranding geen reëel alternatief is.”
Met de politierechter is het hof van oordeel dat er geen sprake is geweest van een situatie waarin de verdachte zich noodzakelijkerwijs moest verdedigen, ook als wordt uitgegaan van zijn verklaring. De verdachte had immers op elk moment tijdens de ruzie weg kunnen gaan en de deur van de keuken achter zich dicht kunnen doen. Het verweer wordt dan ook verworpen.
Ook overigens is er geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.”
Dochter [betrokkene 2] bevestigt meer het verhaal van [verdachte] dan van [betrokkene 1]. Die zegt namelijk dat [betrokkene 1] de politie al gebeld had voordat er iets was gebeurd en dat [betrokkene 1] niet eerlijk is en ook iets heeft gedaan, namelijk [verdachte] bijten. [verdachte] heeft [betrokkene 1] bij de keel gepakt, hij pakte haar zo beet dat ze op de grond viel.
(…)
Maar als het feit bewezen verklaard kan worden, heeft [verdachte] zich verdedigd tegen [betrokkene 1] die hem sloeg en beet, en waren de handelingen die bestonden uit het naar de grond brengen van [betrokkene 1] en het daar houden, door met zijn handen haar bij haar hals en schouders op de grond te drukken, geboden ter noodzakelijke verdediging tegen de aanval van [betrokkene 1] en dient een ontslag van rechtsvervolging plaats te vinden.”