Conclusie
middelklaagt dat de in hoger beroep gegeven vrijspraak berust op een onjuiste rechtsopvatting over het bepaalde in artikel 181, derde lid, Wegenverkeerswet 1994, althans dat deze vrijspraak onbegrijpelijk is gemotiveerd.
Parket bij de Hoge Raad
De verdachte werd door het gerechtshof 's-Hertogenbosch vrijgesproken van een snelheidsovertreding op grond van de Wegenverkeerswet 1994, omdat een getuige verklaarde de bestuurder te zijn geweest. Het Openbaar Ministerie stelde cassatieberoep in en betoogde dat deze vrijspraak berustte op een onjuiste rechtsopvatting over artikel 181, derde lid, WVW 1994.
De Hoge Raad oordeelde dat het feit dat een ander persoon als bestuurder werd genoemd, niet automatisch betekent dat de verdachte niet eigenaar of houder was van het voertuig of dat er geen sprake is van een onbekend gebleven bestuurder bij ontdekking van het feit. Cruciaal is dat de naam en het volledige adres van de bestuurder uiterlijk de dag vóór de terechtzitting in eerste aanleg bekend worden gemaakt; een latere bekendmaking, zoals in deze zaak tijdens de appelzitting, heft de strafbaarheid niet op.
Het hof had de vrijspraak gebaseerd op de verklaring van de getuige tijdens de appelzitting en een brief van ruim zestien maanden na de veroordeling in eerste aanleg, wat volgens de Hoge Raad onbegrijpelijk is of getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest en verwijst de zaak terug voor hernieuwde behandeling in hoger beroep.
De Hoge Raad bevestigt hiermee de vaste rechtspraak dat de bekendmaking van de bestuurder alleen tijdens de terechtzitting in hoger beroep niet leidt tot ontslag van rechtsvervolging en dat de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in deze zaak niet ter discussie staat.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de vrijspraak en verwijst de zaak terug voor hernieuwde behandeling wegens onjuiste toepassing van artikel 181 WVW 1994.