ECLI:NL:PHR:2017:1059

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
5 september 2017
Publicatiedatum
17 oktober 2017
Zaaknummer
16/02835
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 181 WVW 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt vrijspraak snelheidsovertreding wegens onjuiste rechtsopvatting over artikel 181 WVW 1994

De verdachte werd door het gerechtshof 's-Hertogenbosch vrijgesproken van een snelheidsovertreding op grond van de Wegenverkeerswet 1994, omdat een getuige verklaarde de bestuurder te zijn geweest. Het Openbaar Ministerie stelde cassatieberoep in en betoogde dat deze vrijspraak berustte op een onjuiste rechtsopvatting over artikel 181, derde lid, WVW 1994.

De Hoge Raad oordeelde dat het feit dat een ander persoon als bestuurder werd genoemd, niet automatisch betekent dat de verdachte niet eigenaar of houder was van het voertuig of dat er geen sprake is van een onbekend gebleven bestuurder bij ontdekking van het feit. Cruciaal is dat de naam en het volledige adres van de bestuurder uiterlijk de dag vóór de terechtzitting in eerste aanleg bekend worden gemaakt; een latere bekendmaking, zoals in deze zaak tijdens de appelzitting, heft de strafbaarheid niet op.

Het hof had de vrijspraak gebaseerd op de verklaring van de getuige tijdens de appelzitting en een brief van ruim zestien maanden na de veroordeling in eerste aanleg, wat volgens de Hoge Raad onbegrijpelijk is of getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest en verwijst de zaak terug voor hernieuwde behandeling in hoger beroep.

De Hoge Raad bevestigt hiermee de vaste rechtspraak dat de bekendmaking van de bestuurder alleen tijdens de terechtzitting in hoger beroep niet leidt tot ontslag van rechtsvervolging en dat de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in deze zaak niet ter discussie staat.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de vrijspraak en verwijst de zaak terug voor hernieuwde behandeling wegens onjuiste toepassing van artikel 181 WVW 1994.

Conclusie

Nr. 16/02835
Zitting: 5 september 2017
Mr. D.J.C. Aben
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. De verdachte is bij arrest van 20 november 2015 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch vrijgesproken van de aan hem tenlastegelegde overtredingen van de Wegenverkeerswet 1994.
2. Namens het Openbaar Ministerie heeft mr. J.J.J. Gubben, advocaat-generaal bij het ressortsparket te ’s-Hertogenbosch, cassatieberoep ingesteld en heeft mr. M.E. de Meijer, advocaat-generaal bij het ressortsparket te Den Haag, één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het
middelklaagt dat de in hoger beroep gegeven vrijspraak berust op een onjuiste rechtsopvatting over het bepaalde in artikel 181, derde lid, Wegenverkeerswet 1994, althans dat deze vrijspraak onbegrijpelijk is gemotiveerd.
4. Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
“een bij de ontdekking van het hierna omschreven strafbaar feit onbekend gebleven bestuurder van een motorvoertuig (personenauto), gekentekend [AA-00-BB], op of omstreeks 4 mei 2013 te Lottum, in elk geval in de gemeente Horst aan de Maas, buiten de bebouwde kom, op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, Horsterdijk, niet zijnde een autoweg of autosnelweg, heeft gereden met een snelheid van ongeveer 165 kilometer per uur, in elk geval de aldaar toegestane maximumsnelheid van 80 kilometer per uur met meer dan 30 kilometer per uur heeft overschreden, terwijl verdachte toen eigenaar of houder, als bedoeld in artikel 1, derde lid van de Wegenverkeerswet 1994, van dat motorvoertuig was;
subsidiair,
hij op of omstreeks 4 mei 2013 te Lottum, in elk geval in de gemeente Horst aan de Maas, buiten de bebouwde kom, als bestuurder van een motorvoertuig (personenauto) op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, Horsterdijk, niet zijnde een autoweg of autosnelweg, heeft gereden met een snelheid van ongeveer 165 kilometer per uur, in elk geval de aldaar toegestane maximumsnelheid van 80 kilometer per uur met meer dan 30 kilometer per uur heeft overschreden.”
5. Het hof heeft de verdachte als gezegd vrijgesproken van het aan hem tenlastegelegde en heeft daartoe het volgende overwogen:
Vrijspraak
Nu de getuige [getuige] ter terechtzitting van vandaag heeft verklaard dat hij degene was die op 4 mei 2013 te Lottum te hard heeft gereden, van welke getuige de verdediging de gegevens al bij brief van 22 september jongstleden had doorgegeven, dient verdachte naar het oordeel van het hof van het primair en subsidiair ten laste gelegde te worden vrijgesproken.”
6. Deze motivering kan de vrijspraak van het subsidiair tenlastegelegde, kort gezegd het zelf met een personenauto begaan van een forse snelheidsovertreding, zonder meer dragen. De in het middel vervatte klacht lijkt dan ook te zijn gericht tegen de vrijspraak van het primair tenlastegelegde feit.
7. Die klacht is terecht voorgesteld. Voor zover het hof de verdachte heeft vrijgesproken op de grond dat het primair tenlastegelegde feit niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, is die beslissing in het licht van de motivering daarvan niet zonder meer begrijpelijk. De aan de vrijspraak ten grondslag gelegde omstandigheid dat niet de verdachte, maar de getuige [getuige] de personenauto heeft bestuurd, staat namelijk aan bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde niet in de weg, maar biedt juist steun voor een bewezenverklaring daarvan. Zo bezien is de motivering van de vrijspraak onbegrijpelijk.
8. Het hof kan ook hebben beoogd als zijn oordeel tot uitdrukking te brengen dat aan de verdachte een beroep toekomt op artikel 181, derde lid, aanhef en onder b en/of c, Wegenverkeerswet 1994. Bij deze lezing van het bestreden arrest is in elk geval het dictum onjuist, nu een geslaagd beroep op één van deze strafuitsluitingsgronden [1] het hof aanleiding zou hebben moeten geven de verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging. [2] Indien het hof een vrijspraak op die grond voor ogen stond, getuigt ’s hofs oordeel echter van een onjuiste rechtsopvatting. Op de omstandigheid dat een ander met naam genoemd persoon het motorvoertuig bestuurde ten tijde van de daarmee begane overtreding, kan alleen met vrucht een beroep worden gedaan indien de verdachte ‘uiterlijk de dag vóór die der terechtzitting’ (sub b) dan wel ‘tijdens de terechtzitting’ (sub c) de naam en het volledige adres van de bestuurder bekend maakt. Het is vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat slechts de terechtzitting in eerste aanleg als deze ‘terechtzitting’ in de zin van artikel 181 Wegenverkeerswet Pro 1994 kan worden begrepen. [3] Bekendmaking van de bestuurder ten tijde van de appelbehandeling heft de strafbaarheid dus niet op. [4] Dat de berechting in eerste aanleg bij verstek heeft plaatsgehad, doet daaraan nadrukkelijk niet af. [5] Het hof heeft de beslissing de verdachte vrij te spreken evenwel doen steunen op de ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring van de getuige [getuige] en op een schrijven dat dateert van 22 september 2015, dus van ruim zestien maanden na de veroordeling van de verdachte door de kantonrechter te Roermond op 2 mei 2014.
9. De door het hof gegeven vrijspraak kan derhalve niet in stand blijven. Ofwel is zij niet begrijpelijk gemotiveerd, ofwel getuigt zij van een onjuiste rechtsopvatting.
10. Het middel slaagt.
11. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest aanleiding behoren te geven.
12. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing dan wel verwijzing van de zaak, opdat deze op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Zie uitdrukkelijk HR 13 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ3677, NJ 2009/584. Zie anders J.W. van der Hulst,
2.Deze uitleg van het bestreden arrest is niet alleen wat moeilijk verenigbaar met het dictum, maar ook met ’s hofs overwegingen over de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. De verdediging stuurde met het beroep op art. 181 WVW Pro aan op de niet-ontvankelijkheid van het OM, maar het hof verwierp dat verweer:
3.Aldus reeds HR 17 maart 1992, ECLI:NL:HR:1992:AD1632,
4.Een en ander brengt ook mee dat de bekendwording van de persoon van de bestuurder geen grond voor herziening oplevert, zie HR 12 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT3568,
5.HR 17 maart 1992, ECLI:NL:HR:1992:AD1632,