ECLI:NL:HR:2005:AT3568

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 april 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03291/04 H
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Herziening
Rechters
  • F.H. Koster
  • G.J.M. Corstens
  • W.M.E. Thomassen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 20 RVV 1990Art. 181 WVW 1994Art. 457 Sv
Verwijzingen
13 uitgaand · 4 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid herzieningsaanvraag wegens snelheidsovertreding op naam eigenaar motorvoertuig

De aanvrager werd veroordeeld voor een snelheidsovertreding op grond van artikel 20, aanhef en onder a, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990). Hij stelde in de herzieningsaanvraag dat de overtreding niet door hem, maar door een ander was begaan. Ter onderbouwing werd een schriftelijke verklaring overgelegd waarin werd gesteld dat een derde op het moment van de overtreding gebruik maakte van het voertuig van de aanvrager.

De Hoge Raad oordeelde dat op grond van artikel 181, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) de straf tegen de eigenaar of houder van het motorrijtuig kan worden uitgesproken indien de bestuurder onbekend is gebleven. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat deze regeling niet geldt indien de eigenaar of houder uiterlijk tijdens de terechtzitting in eerste aanleg de naam en het volledige adres van de bestuurder bekendmaakt.

De Hoge Raad stelde vast dat het stelsel van artikel 181 WVW Pro 1994 niet verenigbaar is met het idee dat degene die op grond van dit artikel is veroordeeld in herziening met succes een beroep kan doen op de omstandigheid dat het voertuig ten tijde van de overtreding door een met name genoemde persoon is bestuurd. Deze omstandigheid kan niet als novum gelden. Daarom werd de herzieningsaanvraag niet-ontvankelijk verklaard.

Het arrest bevestigt de toepassing van artikel 181 WVW Pro 1994 en verduidelijkt de grenzen van herziening in verkeerszaken waarbij de eigenaar wordt aangesproken voor overtredingen gepleegd door een onbekende bestuurder.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de herzieningsaanvraag niet-ontvankelijk omdat de aanvrager als eigenaar van het voertuig is veroordeeld en niet tijdig de bestuurder heeft bekendgemaakt.

Uitspraak

12 april 2005
Strafkamer
nr. 03291/04 H
SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Kantonrechter in de Rechtbank te Arnhem van 12 oktober 2004, nummer 05/300271-04, ingediend door mr. R.J. Mesland, advocaat te Hoofddorp namens:
[aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965, wonende te [woonplaats].
1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
De Kantonrechter heeft de aanvrager ter zake van "overtreding van art. 21 aanhef Pro en onder a van het RVV 1990" veroordeeld tot een geldboete van € 432,-, subsidiair 8 dagen hechtenis.
2. De aanvrage tot herziening
De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. Beoordeling van de aanvrage
3.1. Als grondslag voor een herziening kunnen, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv Pro slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling.
3.2. De aanvrage heeft betrekking op een vonnis waarbij de aanvrager is veroordeeld ter zake van een op 20 september 2003 begane overtreding van art. 20, aanhef en onder a, RVV 1990. In de aanvrage wordt gesteld dat deze overtreding niet door de aanvrager maar door een ander is begaan. Ter staving van deze stelling is een schriftelijke verklaring overgelegd van [betrokkene 1] van 8 november 2004, inhoudende dat zij op 20 september 2003 ten tijde van de gepleegde overtreding gebruik heeft gemaakt van de auto van de aanvrager.
3.3. Hetgeen in de aanvrage wordt aangevoerd, kan niet worden aangemerkt als een beroep op omstandigheden als hiervoor onder 3.1 vermeld. Immers, er moet van worden uitgegaan dat de aanvrager is veroordeeld wegens een snelheidsovertreding begaan door een onbekend gebleven bestuurder van een motorvoertuig (personenauto) waarvan de aanvrager eigenaar is. Op grond van art. 181, eerste lid, WVW 1994 kan indien de bestuurder onbekend is gebleven de straf worden uitgesproken tegen de eigenaar of houder van het motorrijtuig voor zover deze niet reeds naast de bestuurder voor dat feit aansprakelijk is. In het tweede lid van art. 181 WVW Pro 1994 is - voor zover voor de beoordeling van de aanvrage van belang - bepaald dat het eerste lid van dat artikel niet geldt indien de eigenaar of houder uiterlijk tijdens de terechtzitting de naam en het volledige adres van de bestuurder bekend maakt. Met "terechtzitting" in art. 181, tweede lid, WVW
1994 wordt gedoeld op de terechtzitting in eerste aanleg.
(vgl. HR 12 oktober 1999, NJ 2000, 24). Met dat in art. 181 WVW Pro 1994 vervatte stelsel is niet verenigbaar dat degene die met toepassing van art. 181, eerste lid, WVW 1994 is veroordeeld, in herziening met vrucht een beroep zou kunnen doen op de omstandigheid dat het motorvoertuig ten tijde van de overtreding door een met name genoemd persoon is bestuurd. Die omstandigheid kan daarom niet als novum gelden.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de aanvrage niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier J.S. Holthuis, en uitgesproken op 12 april 2005.