ECLI:NL:HR:2005:AT3568
Hoge Raad
- Herziening
- F.H. Koster
- G.J.M. Corstens
- W.M.E. Thomassen
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid herzieningsaanvraag wegens snelheidsovertreding op naam eigenaar motorvoertuig
De aanvrager werd veroordeeld voor een snelheidsovertreding op grond van artikel 20, aanhef en onder a, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990). Hij stelde in de herzieningsaanvraag dat de overtreding niet door hem, maar door een ander was begaan. Ter onderbouwing werd een schriftelijke verklaring overgelegd waarin werd gesteld dat een derde op het moment van de overtreding gebruik maakte van het voertuig van de aanvrager.
De Hoge Raad oordeelde dat op grond van artikel 181, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) de straf tegen de eigenaar of houder van het motorrijtuig kan worden uitgesproken indien de bestuurder onbekend is gebleven. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat deze regeling niet geldt indien de eigenaar of houder uiterlijk tijdens de terechtzitting in eerste aanleg de naam en het volledige adres van de bestuurder bekendmaakt.
De Hoge Raad stelde vast dat het stelsel van artikel 181 WVW Pro 1994 niet verenigbaar is met het idee dat degene die op grond van dit artikel is veroordeeld in herziening met succes een beroep kan doen op de omstandigheid dat het voertuig ten tijde van de overtreding door een met name genoemde persoon is bestuurd. Deze omstandigheid kan niet als novum gelden. Daarom werd de herzieningsaanvraag niet-ontvankelijk verklaard.
Het arrest bevestigt de toepassing van artikel 181 WVW Pro 1994 en verduidelijkt de grenzen van herziening in verkeerszaken waarbij de eigenaar wordt aangesproken voor overtredingen gepleegd door een onbekende bestuurder.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de herzieningsaanvraag niet-ontvankelijk omdat de aanvrager als eigenaar van het voertuig is veroordeeld en niet tijdig de bestuurder heeft bekendgemaakt.