Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Inleidende opmerkingen
nietdat zij zoveel mogelijk naar de letter behoort te worden toegepast. [4] Ware dat anders, dan zou een schuldeiser steeds de wet dienen te raadplegen (al dan niet door tussenkomst van een advocaat of een andere rechtshulpverlener) voordat hij naar aanleiding van het uitblijven van de door de schuldenaar verschuldigde prestatie handelend optreedt. Dat is niet realistisch en we behoren integendeel er rekening mee te houden dat de meeste schuldeisers zonder (gedetailleerde) kennis van de wet handelen. Waar het om gaat is wat redelijk en billijk is in het licht van hetgeen in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs van partijen mocht worden verwacht. Dat betekent dus dat de diverse wettelijke regels met de nodige souplesse behoren te worden toepast. Het betekent bovendien dat de opsomming in art. 6:83 BW Pro van gevallen waarin het verzuim zonder ingebrekestelling intreedt, niet als limitatief mag worden opgevat. [5] Dit laatste heeft in de rechtspraak van uw Raad onder meer aldus invulling gekregen, dat – naast het geval dat de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid eraan in de weg staat dat aan de schuldeiser wordt tegengeworpen dat hij in gebreke had moeten stellen – de aanvullende werking van redelijkheid en billijkheid in verband met de omstandigheden van het geval kan meebrengen dat het verzuim zonder ingebrekestelling is ingetreden. [6]
mededelingvan de schuldenaar moet afleiden dat deze zal tekortschieten (art. 6:83 aanhef Pro en onder c BW) en het geval dat uit de
houdingvan de schuldenaar blijkt dat aanmaning nutteloos zou zijn (art. 6:82 lid 2 BW Pro). In het eerste geval treedt het verzuim zonder ingebrekestelling in; in het tweede geval is volgens de wet wél een ingebrekestelling nodig, zij het dat kan worden volstaan met een aansprakelijkstelling (dus zonder dat voor correcte nakoming nog een termijn wordt gegeven). Terecht is dit onderscheid door uw Raad krachteloos gemaakt. [7] Als bepalend is wat redelijkerwijs van partijen en in het bijzonder van de schuldeiser mag worden verwacht, zijn daarvoor immers álle omstandigheden van het geval van belang. Of de schuldenaar meer of minder duidelijk heeft laten merken niet te zullen nakomen, is slechts een relevant gezichtspunt en niet op voorhand doorslaggevend. Bovendien is het maar de vraag of in dat verband het onderscheid tussen een mededeling en de houding van de schuldenaar enigszins werkbaar is. Mijns inziens is het dat niet, reeds omdat mededelingen ook stilzwijgend kunnen worden gedaan (art. 3:37 lid 1 BW Pro). Het enige wat aan art. 6:82 lid 2 BW Pro thans eventueel nog kan worden ontleend, is dat van een schuldeiser soms weliswaar niet zal kunnen worden verwacht dat hij aan de schuldenaar nog een termijn voor nakoming gunt, maar wel dat hij de schuldenaar aansprakelijk stelt, namelijk in het geval dat de schuldenaar zonder zodanige mededeling op die aansprakelijkheid niet of niet in volle omvang bedacht behoeft te zijn. [8]
en van de schuldeiser gevergd kan worden dat hij de schuldenaar daartoe in de gelegenheid stelt, zal verzuim te dien aanzien in beginsel pas intreden nadat de schuldeiser de schuldenaar op de voet van art. 6:82 lid 1 BW Pro de gelegenheid tot herstel heeft gegeven.’
lijktte zijn ingeslagen. In opvolgende arresten zoekt men deze of een vergelijkbare formule vergeefs. Ik bepleit echter graag deze weg thans weer te vervolgen. [28] Ik wees hiervoor reeds op art. 7:759 BW Pro, dat voor aanneming van werk van dezelfde opvatting uitgaat. [29]
zekerheidshalveversturen. De positie van de bedoelde voorzichtige schuldeiser is dus niet in het geding. Waar het om gaat, is hoe we de schuldeiser behandelen die aan een ingebrekestelling in het geheel niet heeft gedacht, of die daaraan wel heeft gedacht, maar het in de gegeven omstandigheden niet heeft kunnen opbrengen om de schuldenaar inderdaad nog een laatste kans te bieden. Díé schuldeiser zal tegen maatwerk achteraf geen bezwaar kunnen hebben. Dat maatwerk is immers hét alternatief voor de harde uitkomst dat hij vanwege het nalaten van een ingebrekestelling met lege handen staat. Maar de schuldenaar dan? Ja, die verkeert in onzekerheid over bijvoorbeeld de vraag of hij door de schuldeiser geleden schade al dan niet moet vergoeden (of in welke mate, vergelijk hierna onder 2.18). De veronderstelling is hierbij echter dat zijn prestatie kwalitatief onder de maat was, zodat onzekerheid aan zijn zijde niet iets is dat zwaar behoort te wegen.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
onder 1.4dat het oordeel van het hof dat de volgens de stellingen van [verzoeker] afgesproken termijn van vier maanden de voor toepassing van art. 6:83 aanhef Pro en onder a BW ‘benodigde bepaaldheid’ mist, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en
onder 1.5dat dit oordeel onvoldoende is gemotiveerd.
Onder 1.6klaagt het onderdeel bovendien dat het hof buiten het partijdebat is getreden dan wel heeft gehandeld in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor omdat [verweerder] nimmer het standpunt heeft ingenomen dat een termijn van vier maanden onvoldoende bepaald is. In de alinea o
nder 1.11lees ik ten slotte nog de zelfstandige klacht dat het hof het doel en de strekking van de wettelijke regeling heeft miskend, omdat de bedoeling van de regeling is om aan de hand van de specifieke omstandigheden van het geval tot een redelijke oplossing te komen.
onder 2.4dat ’s hof oordeel dat het verzuim niet op de voet van artikel 6:83 aanhef Pro en onder c BW is ingetreden omdat niet is gebleken dat een ingebrekestelling als bij voorbaat nutteloos moet worden beschouwd, blijk geeft van onjuiste rechtsopvatting en
onder 2.5dat dit oordeel onvoldoende is gemotiveerd in het licht van essentiële stellingen van [verzoeker] .
Onder 2.6klaagt het onderdeel bovendien dat het hof buiten het partijdebat is getreden dan wel heeft gehandeld in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor omdat [verweerder] nimmer het standpunt heeft ingenomen dat het verzuim op de voet van art. 6:83 aanhef Pro en onder c BW niet is ingetreden omdat een ingebrekestelling nog zinvol zou zijn geweest. In de alinea’s
onder 2.11, 2.12 en 2.13lees ik ten slotte nog de zelfstandige klacht dat ’s hofs oordeel in de rechtsoverwegingen 2.6 en 2.7 ook onvoldoende is gemotiveerd in het licht van het gegeven dat art. 6:83 BW Pro geen limitatieve opsomming geeft van de gevallen waarin verzuim zonder ingebrekestelling intreedt en dat ook de redelijkheid en billijkheid een rol kunnen spelen.