Conclusie
Shell/Walhout-arrest [2] van het Benelux Gerechtshof (BenGH) nog overeind staat, althans met inachtneming van de inmiddels in de Europese merkenrechtspraak uitgekristalliseerde functieleer, of dat hier vervolgens juist is toegepast en of hier inderdaad geen sprake is van uitputting volgens de leer uit de
Viking/Kosan-zaak [3] . Ik zie de cassatiepoging niet slagen.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Winters/Red Bull [7] dat gaat over “bloot-afvullen”
.
onderdeel 2.6klaagt over de proceskostenveroordeling (nihilstelling kosten van het incidenteel appel).
Shell/Walhout [11] gewezen, waarbij het ging om het hervullen (zonder toestemming van Shell en met niet van Shell afkomstig gas) door Walhout van gasflessen voorzien van het merk Shell, die aan Shell in eigendom toebehoorden (en in bruikleen waren gegeven aan afnemers) en die aan Walhout door contractanten van Shell (in weerwil van hun contactuele verplichtingen jegens Shell) ter vulling werden aangeboden. Onder verwijzing naar het
Valeo-arrest [12] oordeelde het BenGH dat het verhandelen van waar die is voorzien van het merk van een ander of in een verpakking voorzien van een merk van een ander, gebruik van dat merk voor waren oplevert in de zin van de “sub a”-bepaling uit de BMW – hoe deze derde de te vullen gasfessen ook heeft aangeboden gekregen. Dat is niet anders als de afnemer geen onjuiste voorstelling over de herkomst kan hebben, omdat een op een waar aangebracht merk zijn onderscheidende werking immers niet alleen tegenover die afnemer, maar tegenover iedereen uitoefent.
L’Oréal/eBay.
Shell/Walhout-leer vaste voet gekregen in de Nederlandse feitenrechtspraak (hervullen van losse gasflessen en vaste gastanks, bierfusten en broodkratten) [14] . Dat is niet anders als we een blik op het Duitse (en Oostenrijkse) merkenrecht werpen (daar met inbegrip van de hoogste merkenrechters) [15] . Ook A-G Kokott ziet het hervullen van gemerkte verpakkingen hoe dan ook als gebruik als merk, namelijk als op een lijn te stellen met het aanbrengen van het merk op waren (vgl. art. 5 lid 3 sub a MRi Pro) [16] .
SodaStream-uitspraak van het Bundesgerichtshof uit 2004 zag op een hervullingszaak van CO₂-cilinders voor sodawater, waarin op het cilinderventiel het merk ‘SodaStream’ was aangebracht/ingestanst, maar de hervuller op de cilinder zelf een duidelijk etiket aanbracht dat de inhoud van de hervuller afkomstig was. Dat is een belangrijk verschil met onze zaak, waarin dat niet is gebeurd door [eiseres] (vgl. ook de hierna te bespreken Europese hervullingszaak
Viking/Kosan,waar de hervuller ook een duidelijk teken aanbracht dat zij en niet Kosan de gasflessen opnieuw had gevuld). Een ander belangrijk verschil met onze zaak is dat hier geen sprake was van huur van de gascilinders, maar van koop/eigendomsoverdracht. Volgens de Duitse hoogste merkenrechter vormt het zo in het verkeer brengen van de opnieuw gevulde cilinder (dus met het oorspronkelijke merk ‘SodaStream’ op het ventiel en met etiket van de hervuller op de cilinder)
wel gebruikvan het oorspronkelijke teken
als merkdoor de hervuller, maar
geen merkinbreuk“sub a” (Entscheidungsgründe onder I
in fineen I.b):
SodaStream-zaak was het oorspronkelijk etiket verwijderd en vervangen door dat van de hervuller en dan is de herkomstfunctie van het nog ingestanste merk op het ventiel vervolgens beperkt tot de cilinder (en in die zin uitgeput, zo vervolgt het BGH onder I.b).bb)). Het is dan duidelijk dat sprake is van navulling. Dat is mogelijk anders als praktijk is in de markt dat uitsluitend de oorspronkelijke merkhouder vult. Van verandering van de toestand van de waar is geen sprake, veeleer is dit “bestimmungsgemässigen Gebrauch”.
overdrachtvan de CO₂ cilinders, niet van
huurzoals in onze zaak aan de orde is. In het laatste geval kan denk ik (anders dan door [eiseres] betoogd in deze zaak) in de omstandigheden van onze zaak niet aan uitputting in deze zin wordt toegekomen, indien niet gezegd kan worden dat de merkhouder de economische waarde van het merk heeft gerealiseerd, zoals we nog zullen zien. Een merkhouder/verhuurder hoeft bovendien niet te dulden dat een derde-leverancier van de huurder heretiketteert; de huurder/afnemer is niet bevoegd die toestemming te geven (vgl. MvA/MvG inc. 19). Maar ik loop daarmee vooruit op de nu te bespreken Europese uitputtingszaak
Viking/Kosan.
Viking/Kosan(vindplaats voetnoot 3) ging het om overgedragen (verkochte, niet: verhuurde) bijzondere (ook) als vormmerk beschermde Kosan-composiet(gas)flessen die opnieuw werden gevuld door Viking Gas. Het hof neemt bij de merkenrechtelijke beoordeling tot uitgangspunt dat de consument (bij de eerste aankoop van de volle gasfles) niet alleen voor het gas (dus de inhoud van de fles) betaalt maar ook voor de betreffende composietfles met in dit geval bijzondere kenmerken, die afwijken van de standaard stalen gascilinders en ook hoger zijn geprijsd dan die standaardflessen. Deze gasflessen kwalificeert het Hof daarom als “op zichzelf staande waren” met een “autonome economische waarde” (punt 30).
In die omstandigheden,vervolgt dan punt 31, dient een afweging plaats te vinden tussen aan de ene kant het legitieme belang van de licentie- of merkhouder om te profiteren van de aan die merken verbonden rechten tegenover aan de andere kant de legitieme belangen van de kopers van
die flessen, met name het recht om ten volle van hun eigendomsrecht op die flessen te genieten, en het algemeen belang van handhaving van een onvervalste mededinging. Het Hof vult het merkhoudersbelang in zo’n geval dan zo in (punt 32): geconstateerd moet worden dat de verkoop van composietflessen
de merkhouder in staat stelt om de economische waarde van de aan die flessen verbonden merken te realiseren. Een zodanige verkoop die de merkhouder in staat stelt de economische waarde van zijn merk te realiseren leidt tot uitputting (onder verwijzing naar HvJEG 30 november 2004, ECLI:EU:C:2004:759 (
Peak Holding), punt 40). Het daar tegenover staande legitieme belang van de kopers van
deze composietflessenis (punt 33): het ten volle kunnen genieten van hun eigendomsrecht en dat kan niet als de merkhouder daar nog een stokje voor zou kunnen steken. Dat raakt volgens punt 34 ook het algemene mededingingsbelang op de stroomafwaartse markt van navulling van gasflessen en zou tot marktafscherming kunnen leiden als de merkhouder zijn fles door niet merkenrechtelijk beschermde bijzondere technische kenmerken zou kunnen opdringen – een risico dat des te groter is bij een dure composietfles in verhouding tot het gas; de flesinvestering is volgens het Hof al rendabel na een voldoende aantal keer hervullen. Uit de weging van deze belangen volgt dan dat door de verkoop van de composietfles de rechten die de licentiehouder van het recht op het merk bestaande in de vorm van de composietfles en houder van de daarop aangebrachte merken aan die merken ontleent zijn uitgeput en dat daardoor het recht om vrijelijk over die fles te beschikken is overgegaan op de koper. Vrijelijk, maar wel met inachtneming van de (belangrijke) grenzen van art. 7 lid 2 MRi Pro, dus behoudens
gegronde redenenvan de merkhouder om zich te verzetten tegen verdere verhandeling (punt 35). Daaronder valt bijvoorbeeld ernstige
reputatieaantasting, of wanneer er van dat teken gebruik wordt gemaakt op een wijze die de indruk kan wekken dat er een economische
band bestaat tussen de merkhouder en de derde, meer in het bijzonder dat die derde tot het distributienet van de merkhouder behoort of dat er een bijzondere band tussen twee personen bestaat (punt 37, onder verwijzing naar HvJEU 8 juli 2010, C-558/08, ECLI:EU:C:2010:416 (
Portakabin)). Aanwijzingen daarvoor kunnen bijvoorbeeld gevonden worden in de
etiketteringvan de composietflessen, de omstandigheden waaronder zij worden ingewisseld (punt 39), de praktijken in de sector en de vraag of de consumenten eraan gewend zijn dat gasflessen door andere distributeurs worden hervuld (punt 40). Er kan daarbij redelijkerwijs van worden uitgegaan dat een consument die zich rechtstreeks tot Viking Gas wendt om hetzij zijn lege gasfles in te wisselen tegen een gevulde, hetzij zijn fles te laten vullen, gemakkelijker kan nagaan of er al dan niet een band bestaat tussen die onderneming en Kosan Gas (punt 40).
Viking/Kosan-arrest ging A-G Kokott er overigens vanuit dat uitputting hier niet aan de orde is, nu dat gas niet eerder door de merkhouder in de handel is gebracht. In haar visie was pas sprake van inbreuk als het
gebruik aan een van de functies van het merk afbreuk kan doen. Tot die functies behoren niet alleen de wezenlijke herkomstgarantiefunctie van het merk, maar ook de kwaliteitswaarborgfunctie, of de communicatie-, de investerings- en de reclamefunctie [18] . Volgens NJ-annotator Senftleben in zijn noot onder dit arrest had deze door het hof niet gevolgde benadering bepaald voordelen gehad boven de inderdaad ook wat mij betreft casuïstische uitputtingsbenadering. Daardoor heeft het arrest maar een beperkte strekking; het is toegeschreven op de bijzondere situatie van relatief dure en bijzondere gasflessen uit die zaak. We nemen hierna de Europese merkenfunctieleer nog nader onder de loep.
belangenafwegingin
Viking/Kosannadat geconstateerd is dat sprake is van
overdrachtop zichzelf niet verbaast. Er strijden dan immers twee door het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest GR EU) erkende grondrechten om voorrang: fysieke eigendom en intellectuele eigendom [19] . In geval van huur speelt dat niet; huurrechten zijn niet grondrechtelijk beschermd. Dat is een voor onze zaak belangrijk aspect.
Viking/Kosangewezen
Heineken/Olmen
Bakkerij ’t Stoepjeuitspraken het beroep op uitputting à la
Viking/Kosanis verworpen, met name omdat in die zaken anders dan in
Viking/Kosangeen sprake was van koop/overdracht van fusten en kratten. Dat past in het zojuist geschetste stelsel.
Viking/Kosangewezen, (ook) van de feiten in onze zaak afwijkende, zaak
Winters/Red Bull [20] . Het Hof van Justitie kwam daarin tot het oordeel dat een “bloot-afvuller” merkenrechtelijk vrijloopt. Het gaat dan om een dienstverlener die, in opdracht en volgens aanwijzingen van een derde, alleen maar blikjes afvult die al zijn voorzien van met merken overeenstemmende tekens en zodoende slechts een technisch gedeelte van het productieproces van het eindproduct uitvoert, zonder enig belang te hebben bij het uiterlijk van die blikjes en met name bij de daarop voorkomende tekens. Dat is alleen maar
zorgen voor de technische voorzieningen die nodig zijn voor het gebruik van het teken door die derde(punt 30). Het afvullen van blikjes die zijn voorzien van met merken overeenstemmende tekens, kan naar zijn aard niet worden vergeleken met diensten ter bevordering van de verkoop van producten die van dergelijke tekens zijn voorzien. Er ontstaat daarbij geen verband tussen die tekens en de afvuldiensten. Het afvulbedrijf is immers niet zichtbaar voor de consument, zodat zijn diensten niet met die tekens kunnen worden geassocieerd (punt 33).
Shell/Walhoutis onder het inmiddels geharmoniseerde Europese merkenrecht een lijn ontwikkeld die bekend staat als de functieleer [21] : er is (bij “sub a” gevallen) pas sprake van inbreuk, als afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de functies van het merk en met name aan de meest essentiële herkomstaanduidingsfunctie [22] .
Interflora [23] geeft het HvJEU een overzicht op dit punt: de merkhouder kan een beroep op zijn uitsluitend recht doen ingeval afbreuk wordt of kan worden gedaan aan een van de functies van het merk, ongeacht of het om de wezenlijke herkomstaanduidingsfunctie, dan wel om andere merkenfuncties gaat, zoals de kwaliteitsgarantiefunctie, of de communicatie-, de investerings- en de reclamefunctie (punt 38). Een merk wordt daarbij steeds geacht zijn herkomstaanduidingsfunctie te vervullen, terwijl het de andere functies slechts verzekert voor zover de houder het merk in die zin gebruikt (punt 40). De feitenrechter dient de voorwaarde van aantasting van een van de merkfuncties toe te passen (punt 41).
Arsenal/Reedheeft uitgemaakt dat ook op
post-sale confusionmag worden gelet en dit aspect zodoende ook kan worden meegenomen bij de beoordeling of de herkomstfunctie van het merk is aangetast [25] . Er moet dus niet alleen gekeken worden naar de omstandigheden ten tijde van de verkoop/aankoop van het betrokken product, maar ook naar de situatie nadien [26] .
Heineken/Olm-uitspraak (vindplaats voetnoot 14) merkt Verschuur op dat de
Shell/Walhout-leer nog “min of meer” overeind lijkt te staan. Wel moet volgens haar rekening worden gehouden met de nadien gewezen uitspraken van het HvJEU, waarbij zij verwijst naar het artikel van Steinhauser over deze problematiek.
Shell/Walhout-leer inmiddels in die zin achterhaald is, dat het verhandelen van waar voorzien met het merk van een ander (waarbij sprake is van gebruik van dat merk voor waren) niet meer automatisch betekent dat dan sprake is van inbreuk. Steinhauser verwijst hiervoor naar
Arsenal/Reed [29] en het
Opel/Autec-arrest [30] . De feitenrechter moet volgens deze arresten namelijk onderzoeken of het gebruik van het teken afbreuk doet of kan doen aan de wezenlijke functies van het merk, en met name aan de essentiële herkomstaanduidingsfunctie, aldus Steinhauser [31] . Senftleben meent dat de uit het arrest blijkende uitputting van merkrechten bij aankoop van een gasfles (met vulvrijheid voor de koper) een concurrentievrijheid is, die ook in geval van in bruikleen gegeven gasflessen zou moeten prevaleren.
Heineken/Olmen
Bakkerij ’t Stoepje-zaken, vindplaatsen voetnoot 14, ook al zo toegepast in de lagere rechtspraak): om te bepalen of in het geval van hervulling sprake is van inbreuk “sub a” geldt als startpunt de benadering uit
Shell/Walhout, maar met twee aanvullende toetsen. Gekeken moet worden of sprake is van uitputting (à la
Viking/Kosan) en of door het gebruik (potentieel) afbreuk wordt gedaan aan één van de merkfuncties (o.a.
Interflora) en daarbij kan in het kader van de herkomstaanduidingsfunctie
post-sale confusionworden meegewogen (
Arsenal/Reed). Om het beeld te complementeren: ook als in beginsel sprake is van uitputting, kan de merkhouder gegronde redenen hebben zich tegen verdere verhandeling te verzetten (vgl. art. 7 lid 2 MRi Pro). Dit speelt bij uitstek een rol in gevallen als de onze, hervullen met in potentie gevaarlijke stoffen bijvoorbeeld, maar aan de uitzondering is in onze zaak niet toegekomen, omdat is geoordeeld dat geen sprake was van uitputting.
Interflora)? Dat is niet helemaal helder. Zo te zien ligt de nadruk daar vooral op de herkomstfunctietoets. Bij heretikettering waarbij duidelijk wordt gemaakt dat is hergevuld door een derde is die herkomstfunctie van het oorspronkelijke merk verwaterd [32] en voor de herkomstfunctie voor de cilinder/tank (dus niet de vulling) is dan sprake van uitputting.
precies de onzenog niet met zoveel woorden is uitgemaakt in de Europese merkenrechtspraak, is onder ogen te zien of hier prejudiciële vragen over moeten worden gesteld.
SodaStream) en elf jaar (
Seifenspender) geleden kennelijk ook niet noodzakelijk. Dat is in het licht van de inmiddels ontwikkelde functieleer uit het Europese merkenrecht vervolgens alleen maar minder noodzakelijk geworden, zo valt te betogen, nu die al voldoende mogelijkheden geeft om binnen dat bestaande kader dit soort zaken op te lossen (m.n.: is de herkomstaanduidingsfunctie van de merkhouder hier in het geding of niet?). Ook uit de recente
Daimler-uitspraak valt mogelijk een aanwijzing te vinden dat dit moet worden gezien als (inbreukmakend) merkgebruik door [eiseres] , alhoewel ik mij realiseer dat dit een omgekeerde afleiding is, waarmee voorzichtigheid is geboden: voor gebruik als merk is vereist een actieve gedraging van de beweerdelijk inbreukmaker; immers, online advertenties geplaatst buiten medeweten en toestemming van iemand die nog voortduren ondanks zijn verzet, vormen geen gebruik als merk. Het geschetste stelsel waartoe ik hiervoor kwam is dan te beschouwen als een
acte clair [33] .
Viking/Kosanis in wezen vanwege de bijzondere, speciale verpakking en het feit dat die (duurdere dan standaardgasflessen) was overgedragen, waardoor de merkhouder in staat werd geacht de daarmee gemoeide economische waarde te realiseren, gekomen tot een uitputtingsoordeel. Dat is merkenrechtelijk in wezen een uitzonderingssituatie, maar daar schemert mogelijk terughoudendheid in door van het Hof van Justitie om het merkenrecht een te absolute werking toe te kennen, met name als dat kan leiden tot afscherming van navulmarkten. Er valt mogelijk een algemene rechtsopvatting in te lezen dat het merkenrecht niet is bedoeld om hervullingsmarkten van voor hergebruik bedoelde houders te controleren (maar ik herhaal dat de
Viking/Kosan-zaak goed beschouwd een uitzonderingssituatie betreft die feitelijk wezenlijk verschilt met de onze en het Hof juist op die wezenlijke verschillen aanhaakt in zijn oordeel: bijzondere en dure gasflessen met eigen economische waarde die zijn overgedragen, zodat de merkhouder in die specifieke omstandigheden die eigen economische waarde daarvan te gelde heeft kunnen maken na eerste verkoop, tegenover een standaard gastank die tegen een hele lage huur ter beschikking is gesteld en niet is overgedragen). Mij lijkt nog niet
preciesbeantwoord hoe het zit in een geval als het onze, waarin de verpakking
nietkan worden aangemerkt als zelfstandige waar (en geen sprake is van overdracht). Steinhauser [34] ziet in het licht van de argumentatie uit
Viking/Kosanen de daaruit blijkende zorg dat het merkenrecht te vergaand ingrijpt in bestaande handelspraktijken ruimte voor twijfel of het Hof van Justitie wel zal oordelen dat in een geval als het onze zonder meer sprake is van inbreuk. Die zorg is invoelbaar;
Opel/Autec(over speelgoedautootjes van Autec waar ook het merk Opel op voorkwam – geen inbreuk) was een verrassing in merkenland en maant mogelijk tot voorzichtigheid. Steinhauser voorspelt dat ook bij hergebruik van een verpakking die eigendom van de merkhouder is gebleven (dus zoals in onze zaak) door het Hof van Justitie zal worden verlangd dat wordt getoetst of er een serieus gevaar voor verwarring bestaat en wordt uitgekomen bij de pre-
Valeo-leer van het Benelux Gerechtshof inzake
Tanderil [35] en
Omnisport [36] : voor de vraag of sprake is van gebruik voor waren is beslissend welke indruk wordt gewekt bij het relevante publiek. Ook is denkbaar dat
Opel/Autecwordt doorgetrokken, zo betoogt Steinhauser.
dubbele correctie van uitputting en functieleerop de
Shell/Walhout-regel een
acte clairoplevert. Zelfs als de toets zou moeten zijn of er serieus gevaar voor verwarring bestaat, dan lijkt die mij besloten liggen in een juiste toepassing van de functieleertoets.
acte clairis volgens mij dit. Volgens
Peak Holding(punten 40 en 42) [37] is voor uitputting in ieder geval vereist dat een merkhouder in staat is de met het merk gemoeide economische waarde te realiseren. Dat is na verkoop zo (zoals ook bevestigd in
Viking/Kosan), maar bij huur niet zonder meer (eigenlijk in beginsel juist niet); dat kan bij stevige huurprijzen en lange duur van de huurverhouding mogelijk anders zijn, maar pas bij het nemen van de hobbel “economische waarde realiseren” kom je toe aan uitputting en een belangenafweging bedoeld in punten 31 e.v. uit
Viking/Kosan. Maar ook dat is dan nog moeilijk in te zien bij
huur, dat immers geen grondrecht uit het Handvest GR EU is, zodat volgens mij geen botsing van grondrechten merkenrecht vs. eigendomsrecht optreedt en ook daarom al de
Viking/Kosan-leer toepassing mist. Nu in onze zaak geen sprake is van uitputting (ik kom daar nog op terug bij de bespreking van de klachten) en evenmin van botsing van grondrechten moet volgens mij gewoon klassiek “sub a” worden beoordeeld of er sprake is van merkgebruik door [eiseres] en vervolgens of er afbreuk wordt gedaan aan één of meer functies van het merk (m.n. aan de herkomstfunctie). Dat is in feitelijke instanties ook gebeurd in onze zaak.
vastegastank met het merk Primagaz gebruik maakt van dat merk. De verregaande consequenties die de uitleg van het begrip “gebruik” van een merk door de rechtbank volgens [eiseres] met zich meebrengt (en waartoe zij citeert uit de noot van D.W.F. Verkade onder voornoemd Shell/Walhout arrest) zijn in dit geval, waarbij het gaat om een vaste gastank, dan ook niet aan de orde. Daaraan doet niet af dat [eiseres] uitsluitend gas aflevert in een eigen tankwagen, waarop vermeld staat “ [eiseres] ” en “ [eiseres] [vestigingsplaats] ”. Door het zonder enige aanduiding vullen van de gastank met het merk Primagaz doet [eiseres] het immers voorkomen alsof het gas in die tank ook van Primagaz c.s. afkomstig is. Bij dit alles dient te worden bedacht dat, naar tussen partijen niet in geschil is (zie proces-verbaal comparitie eerste aanleg, p. 3), [eiseres] in het verleden “voor Primagaz c.s. [heeft] gereden” en niet heeft betwist dat hij een professioneel handelaar in gas is, zodat hij geacht moet worden met het vorenstaande bekend te zijn. De grief faalt.”
subonderdeel 2.1.1(dat geen klacht bevat) zet [eiseres] uiteen waarom hij van oordeel is dat hij geen gebruik heeft gemaakt van het merk ‘Primagaz’. Hij wijst op de volgende in feitelijke instanties betrokken argumenten:
afnemerde indruk ontstaat of kan ontstaan dat er tussen [eiseres] en Primagaz een zakelijke band bestaat [40] .
Shell/Walhouten daarop volgende toepassingsrechtspraak leert dat hier sprake is van gebruik als merk, op één lijn te stellen met het aanbrengen ervan, waarbij [eiseres] het volgens het hof doet voorkomen dat het gas in die tank van de merkhouder afkomstig is door
het zonder enige aanduiding vullen van de gastank met het merk ‘Primagaz’. De herkomstfunctie is daarmee getoetst als zijnde in het geding en de invulling daarvan door het hof is feitelijk. Dit is geen onjuiste rechtsopvatting en afdoende gemotiveerd door het hof. Niet van belang is volgens de uiteengezette rechtspraak of afnemer [betrokkene 1] wist dat [eiseres] gas niet van Primagaz afkomstig was, omdat het merkenrecht bredere werking heeft, niet is vereist dat er sprake is van gebruik in het kader van de eigen communicatie van [eiseres] en ook is niet nodig dat er minstens af- of terugname van een gevulde verpakking moet zijn. De uit die door [eiseres] gestelde elementen blijkende onjuiste rechtsopvatting is door het hof terecht verworpen, waarbij niet behoefde te worden ingegaan op alle aangedragen elementen; het hof heeft op juiste wijze getoetst of sprake is van merkgebruik door [eiseres] . Daar kan in feite heel onderdeel 2.1 al op worden afgedaan.
subonderdeel 2.1.2bevat de hoofdklacht tegen het oordeel dan sprake is van gebruik als merk met vervolgens vijf subklachten.
subonderdeel 2.1.2-I) is dat de indruk van de afnemer en niet van derden bepalend is voor gebruik als merk, wat zou volgen uit punt 40 van
Viking/Kosan.Er is dan pas sprake van inbreuk, als niet duidelijk is dat er geen band bestaat tussen (in dit geval) Primagaz en de hervuller. Voor die situatie kan het dan aangewezen zijn dat de hervuller een sticker op de gasfles plaatst om duidelijk te maken dat er geen band bestaat tussen de hervuller en de merkhouder (hetgeen in onze zaak overigens juist niet is gebeurd, maar als het de eindgebruiker meteen al duidelijk is dat die band er niet is, dan hoeft dat ook niet volgens [eiseres] ).
Viking/Kosan,dat gaat over uitputting in een bijzonder, zich in onze zaak niet voordoend geval (welk oordeel van het hof in onderdeel 2.2 tevergeefs wordt bestreden, zoals we hierna zullen zien). In punt 40 staat wanneer sprake is van gegronde redenen die ervoor zorgen dat een merkhouder zich
ondanks dat sprake is van uitputtingtoch kan verzetten tegen een merkinbreuk. Met gebruik als merk heeft dat niets te maken. Meer in het algemeen geldt dat voorzichtigheid is geboden met het doortrekken van dit op de specifieke situatie van de bijzondere compositiegasflessen toegesneden arrest.
subonderdeel 2.1.2-IIis dat er door [eiseres] ook geen gebruik is gemaakt van het merk Primagaz in het kader van de eigen communicatie [42] . Onder verwijzing naar
Winters/Red Bullen (de verwijzing van A-G Kokott in haar conclusie voor dit arrest naar) het
Google France-arrest, wordt aangevoerd dat het gebruik van een merk door een derde op zijn minst impliceert dat een derde het teken gebruikt in het kader van zijn eigen commerciële communicatie. Nu [eiseres] bij de afnemer niet de indruk wekt dat er een verband is tussen hem en Primagaz, de gastank niet gebruikt en de consument ook geen verband kan leggen tussen [eiseres] en Primagaz, is geen sprake van gebruik, zo betoogt [eiseres] . Bovendien behaalt [eiseres] ook geen (economisch) voordeel uit het beweerdelijke gebruik van het merk Primagaz. Het hof heeft dit in rov. 3.6.1 miskend, of geen inzicht gegeven in zijn gedachtegang, of een onbegrijpelijk oordeel gegeven.
Google France,vindplaats voetnoot 18) en
Winters/Red Bull.Er is hier geen sprake van “bloot-afvullen” door [eiseres] in de zin van dat laatste arrest (vgl. hiervoor in 2.12), dat wil zeggen het verrichten van alleen technische afvulhandelingen door een voor de afnemer van de te vullen verpakking onzichtbare tussenschakel. [eiseres] heeft immers zelf hervuld met een eigen tankwagen waarop “ [eiseres] ” en “ [eiseres] [vestigingsplaats] ” vermeld staat (rov. 3.6.1) en doet het door het zonder enige aanduiding vullen van de gastank met het merk Primagaz voorkomen alsof het gas in die tank ook van Primagaz afkomstig is (rov. 3.6.1 en 3.8.1). Hierin ligt besloten dat de herkomstfunctie door het hof in het geding wordt geacht en dat is onjuist noch onbegrijpelijk.
Interflora-arrest is uitgemaakt dat merkbescherming alleen mag worden gebruikt om ervoor te zorgen dat aan de consument de herkomst van de waar kan worden gegarandeerd. Voor de andere merkfuncties geldt dat de bescherming niet absoluut is. De “absolute” herkomstbescherming niet mag worden gebruikt om (indirect) iedere mededinging van derden op dezelfde markt af te sluiten en dat probeert Primagaz hier juist wel te doen. Nu [betrokkene 1] weet dat hij geen Primagaz koopt maar gas van [eiseres] , kan het op de tank afgebeelde merk dit volgens de klacht niet verhinderen. Het oordeel van het hof in rov. 3.6.1 is in het licht van deze passages uit
Interfloravolgens de klacht onjuist of onbegrijpelijk.
Interflorabesloten liggende functieleer toegepast in zijn oordeel. Waar het om gaat is dat van afbreuk van de herkomstfunctie van het merk sprake is wanneer het voor de normaal geïnformeerde en redelijk oplettende consument onmogelijk of moeilijk is om te weten of de waren afkomstig zijn van de merkhouder of een economisch met hem verbonden onderneming, dan wel van een derde.
Post-sale confusion(bij derden) mag daarbij worden meegenomen. De feitenrechter beoordeelt of van een dergelijke (mogelijke) aantasting sprake is. In rov. 3.6.1 en 3.8.1 is het in geding zijn van de herkomstfunctie getoetst: door het ontbreken van aanvullende etikettering kan afbreuk aan de herkomst- en kwaliteitsfunctie van het merk niet worden uitgesloten. De klacht schiet hier langs.
subonderdeel 2.1.2-IVklaagt [eiseres] dat voor het geval het hof in rov. 3.6.1 het oog heeft op
Heineken/Olm, is miskend dat dat vonnis niet afdoet aan het feit dat de indruk die de eindgebruiker/afnemer (i.c. [betrokkene 1] ) had omtrent de herkomst van het gas bepalend is voor de vraag of sprake is van gebruik van een merk. Bovendien was er in
Heineken/Olmsprake van doorverkoop, in plaats van (zoals hier) eigen gebruik. De vuller was in de
Heineken/Olm-casus op de hoogte van het feit dat aan derden werd doorverkocht. Deze situatie is wezenlijk anders dan in onze zaak waarin [betrokkene 1] [eiseres] vraagt een gastank bij te vullen waarvan hij zelf eindgebruiker is en waarvan hij weet dat het gas niet van Primagaz afkomt. Er is geen sprake van een situatie waar afnemers of kopers van het merkproduct op het verkeerde been worden gezet omtrent de herkomst van de waar [43] . Het hof heeft dit miskend, of geen inzicht gegeven in zijn gedachtegang, of een onbegrijpelijk oordeel gegeven.
Heinken/Olm-uitspraak komt als zodanig niet voor in rov. 3.6.1), mist dit zelfstandige betekenis naast de voorgaande klachten. Niet de indruk bij de afnemer alleen over de herkomst is bepalend, zo hebben we gezien. Wel is vereist dat een merkfunctie (potentieel) is aangetast, maar dat heeft het hof ook keurig getoetst.
subonderdeel 2.1.2-Vdeelt het lot van de vorige vier klachten.
subonderdeel 2.1.3klaagt met een rechts-/motiveringsklacht in de kern dat de
Shell/Walhout-leer door
Viking/Kosanis achterhaald, althans niet van toepassing is in een geval dat de herkomst van de hervulling aan de eindgebruiker duidelijk is en daaruit ook blijkt dat er geen band bestaat tussen merkhouder en hervuller, zodat er dan ook geen sprake is van gebruik als merk. Dat impliceert volgens de klacht dat er pas sprake is van gebruik als merk volgens art. 2.20 BVIE als er aflevering van de lege verpakking bij de vuller en teruglevering van de gevulde verpakking met het merk in combinatie met de vulling van de verpakking plaatsvindt, waardoor de geadresseerde van de “gebruiker” kon en mocht menen dat er gebruik werd gemaakt van het merk. Zolang de houder van de lege fles of tank
weetdat de inhoud van de tank leeg is en
weetdat die wordt gevuld met een gas van een ander merk dan dat van de merkhouder, is
geensprake van gebruik van een merk. Geen van partijen heeft dan immers de bedoeling de inhoud van die tank te laten doorgaan als afkomstig van de merkhouder. Nu hier sprake is van eigen gebruik en niet van doorverkoop, wordt niet de indruk gewekt dat het in de tank aanwezige gas afkomstig is van de merkhouder. Dat door [eiseres] geen hervulaanduiding is aangebracht, doet hier niets aan af.
Shell/Walhoutis niet achterhaald, maar aangevuld door de functieleer en
Viking/Kosan.In het laatste arrest was sprake van uitputting. Voor een extensievere uitleg van dit arrest, hier kennelijk opnieuw over een andere boeg beoogd, is geen ruimte. Voor zover de klacht opnieuw verwijst naar de voorwaarde dat een van de functies van het merk moet zijn aangetast om van (ongeoorloofd) gebruik te kunnen spreken, herhaal ik dat het hof dat ook keurig heeft getoetst.
subonderdeel 2.2.1) komt met een waaier aan klachten op tegen de afwijzing van het hof van [eiseres] beroep op uitputting van het merk van Primagaz. Dit onderdeel is opgedeeld in vier subonderdelen, waarvan subonderdeel drie weer verder uiteenvalt. Het gaat hier om rov. 3.7.1:
NJ2013/282). In dat arrest heeft het Hof - kort gezegd - overwogen dat het merkrecht is uitgeput indien de economische waarde van de aan een gasfles verbonden merken is gerealiseerd door de verkoop ervan, met als gevolg dat het de eigenaar van die gasfles in beginsel vrij staat om deze door een derde te laten afvullen. Met de aan een gasfles verbonden merken wordt in voornoemd arrest bedoeld zowel het merk bestaande uit de vorm van de gasfles voor gas en gashouders als de op de gasfles aangebrachte merken voor gas. Kern van het verweer van [eiseres] is dat in casu sprake is van eenzelfde situatie, zodat het merkrecht van Primagaz c.s. - evenals in het Viking/Kosan arrest - is uitgeput, omdat (1) [betrokkene 1] de feitelijke beschikkingsbevoegdheid over de gastank van Primagaz NL heeft verkregen en (2) Primagaz c.s. in staat is met haar handelen de economische waarde van haar merk te realiseren.
Viking/Kosaneen uitzondering op de uitputtingsregel is aangenomen. Het hof past in dit arrest nu juist de hoofdregel voor uitputting toe, waartoe [eiseres] wijst op verschillende passages uit het arrest.
Viking/Kosan.In rov. 4.3 van het rechtbankvonnis staat dat op de
Shell/Walhout-leer een zekere nuancering is aangebracht in
Viking/Kosanen in rov. 3.7.1 geeft het hof vervolgens een juiste samenvatting van het oordeel in
Viking/Kosanen een correcte en begrijpelijke toepassing van die regels in onze zaak. Zo gelezen is met de passage dat het Hof van Justitie in het
Viking/Kosan-arrest slechts een uitzondering op de uitputtingsregel heeft geformuleerd, klaarblijkelijk bedoeld: een uitzondering op de (jurisprudentiële)
inbreukleer bij hervulling(de vaste jurisprudentie op dit punt is weergegeven in rov. 4.2 van het rechtbankvonnis).
Vinking/Kosanvergelijkbaar geval voorligt. Dat [betrokkene 1] geen hogere prijs heeft betaald voor het gas in verband met de autonome economische waarde van de gastank, is volgens de klacht rechtens onjuist (art. 149 Rv Pro) en daarnaast onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd. [eiseres] wijst daartoe op het partijdebat dat hierover zou gaan [44] , waaruit zou volgen dat [eiseres] heeft gesteld dat Primagaz de kosten van de aanschaf en het onderhoud van de gastank (in meerdere leveranties) zou terugverdienen via de verkoopprijs van haar propaangas, een stelling die Primagaz onvoldoende gemotiveerd heeft betwist, terwijl het wel op haar weg lag om nadere informatie te verschaffen over de door haar gehanteerde prijzen.
Viking/Kosan, zodat hier geen sprake is van uitputting.
Viking/Kosan-situatie in ons geval niet voor nu [betrokkene 1] geen hogere prijs heeft betaald voor het gas in verband met de autonome economische waarde van de gastank en Primagaz de eigendom van de tank heeft voorbehouden, terwijl de geringe jaarlijkse huurvergoeding niet in verhouding staat tot de economische waarde van de gastank.
Viking/Kosan.In die zaak was overigens, anders dan in ons geval, ook sprake van een vormmerk voor de gasfles, wat natuurlijk ook waardeverhogend werkt in vergelijking met een standaard gastank. Korter gezegd: het hof kon hieruit afleiden dat Primagaz’ positie is dat de lage huurvergoeding (€ 46,51 per jaar) in geen verhouding staat tot de economische waarde van de vaste, grote gastank van 1200 liter.
een andere tanklaten installeren. De huurprijs is hierop afgestemd – dus Primagaz heeft er bij het opstellen van het contract rekening mee gehouden dat de tank na afloop van het contract weer bij haar (als eigenaar) terugkomt waardoor zij de waarde van de tank ook niet in de huurprijs/gasprijs hoefde te verdisconteren [45] .
Viking/Kosanis het oordeel van rechtbank en hof op dit punt onjuist, of on(voldoende) -begrijpelijk. Ik kan in de ruim twee bladzijden van deze klacht niet meer ontdekken dan een herhaling van zetten uit subonderdeel 2.2.3, zodat ook dit faalt om de daar aangegeven redenen.
Viking/Kosan– zodat geen sprake is van uitputting – is niet miskend dat ook bij verhuur uitputting van het merk aan de orde zou kunnen zijn, indien de merkhouder door de verhuur de economische waarde van zijn merk kan realiseren. Het oordeel is alleen dat en waarom zich die laatste situatie hier niet voordoet. Dat is niet onbegrijpelijk. Dat het hof daarbij ook noemt dat Primagaz NL de eigendom van de gastank heeft voorbehouden, maakt dat niet anders.
- de rechtbank miskent hiermee dat de herkomstfunctie zich richt tot degene die afnemer/contractuele wederpartij is en zich niet ook uitstrekt tot toevallige voorbijgangers, huisgenoten of bezoekers van [betrokkene 1] ;
- in dat kader is evenmin van belang dat Primagaz de kwaliteit van het gas noch de inachtneming van de veiligheidsvoorschriften en de door haar voorgestelde gebruikelijke standaardcontroles kan waarborgen. In cassatie moet als hypothetisch feitelijke grondslag gelden dat het gas van [eiseres] kwalitatief gezien gelijk is aan het gas van Primagaz en het hof heeft bovendien vastgesteld en van belang geacht dat [eiseres] vroeger voor Primagaz reed en toen kennelijk gekwalificeerd genoeg was om bij klanten een tank te vullen. Dat en waarom dit nu tot vrees voor overtreding van veiligheidsvoorschriften zou leiden is (zonder nadere toelichting van Primagaz) onbegrijpelijk;
- onbegrijpelijk is dat en waarom, wanneer, naar [betrokkene 1] weet, [eiseres] de gastank heeft gevuld en niet Primagaz, er voor Primagaz geen rol is weggelegd voor de kwaliteit en veiligheid; Primagaz had – als zij daar prijs op stelt – bij [eiseres] zelf de controle die zij stelt periodiek uit te voeren, kunnen verrichten.
post-sale confusionbij derden, zoals volgt uit
Arsenal/Reed.
free-ridergedrag door [eiseres] , aansprakelijkheidsrisico’s).
- dit oordeel voortbouwt op rov. 3.6.1 en 3.7.1. zodat het slagen van de onderdelen 2.1 en 2.2 ook rov. 3.8.1 aantast; en
- het hof hier miskent dat uit
Viking/Kosan.Daar strandt het subonderdeel op.
[eiseres]die stelling onvoldoende zou hebben onderbouwd vanwege art. 149 Rv Pro, althans is dit oordeel onbegrijpelijk. Dit raakt ook het oordeel van het hof in rov. 3.10.1 dat de gastank op zeer duidelijke wijze was voorzien van het ‘Primagaz’-beeldmerk.
voor zover al relevantmoet stranden, miskent dat een inbreuk op een merk een species is van een onrechtmatige daad, zodat er geen sprake is van onrechtmatig handelen wanneer [eiseres] niet wist en ook niet behoorde te weten dat hij merkinbreuk pleegde. Dit is ook merkenrechtelijk onjuist, nu dit geen aan een merkinbreukverbod “sub a” te stellen vereiste is (het speelt hooguit een rol bij eventuele schadevergoeding).
onderdeel 2.4richt [eiseres] zijn pijlen op rov. 3.9.1:
Winters/Red Bull– A-G] niet opgaat. In die zaak was Winters uitsluitend een voor het publiek onzichtbare dienstverlener, terwijl [eiseres] het gas zelf verkoopt en aflevert. De grief faalt.”
Winters/Red Bullingang doen vinden. Volgens [eiseres] heeft het Hof van Justitie in
Winters/Red Bullvier voorwaarden geformuleerd waaraan moet zijn voldaan om niet van merkgebruik te kunnen spreken [58] . Een dienstverlener moet in opdracht en volgens aanwijzingen van een derde verpakkingen afvullen die door hem door deze derde ter beschikking zijn gesteld en waarop daaraan voorafgaand door diens toedoen een teken is aangebracht. [eiseres] betoogt dat aan de eerste drie voorwaarden is voldaan. Het enige (volgens [eiseres] niet cruciale) verschil tussen
Winters/Red Bullen onze zaak is dat het merk op de verpakking niet door toedoen van een derde op de verpakking is aangebracht, maar door toedoen van de merkhouder zelf.
onderdeel 2.7(dat geen klacht bevat) maakt [eiseres] aanspraak op proceskosten in cassatie volgens art. 1019h Rv. Nu de klachten volgens mij niet slagen, zal dat, indien gevolgd, niet leiden tot een kostenveroordeling ten gunste van [eiseres] .