Conclusie
‘Geachte heer [verdachte], Hierbij treft u samenvatting van het door ons reeds uitgevoerde onderzoek, op dit moment zal binnen een aantal dagen nog een toevoeging volgen, welke betrekking heeft op het uitgevoerde onderzoek naar u ex-partner.’In het rapport wordt ingegaan op de handelwijze van de SNS bank in verband met de navraag die gedaan zou zijn naar onterechte overboekingen. Opgemerkt wordt dat bij de SNS bank sprake was van een lakse houding, dat er alles aan werd gedaan om de schuld op de verdachte af te schuiven en dat bij het verzenden van codes en readers het nodige is fout gegaan en dat het gekoppeld zijn van [verdachte] zijn bankrekening nooit prioriteit heeft gehad. Het advies is om de bank te laten vervolgen voor grote nalatigheid zowel naar verdachte toe als [betrokkene 1]
(het hof begrijpt: [betrokkene 1]).Ook wordt nog ingegaan op de werkzaamheden van de advocaat van verdachte. De in rekening gebrachte kosten zouden niet overeenkomen met de hoeveelheid tijd die de advocaat heeft besteed aan de kwestie. Tevens staat in het rapport vermeld dat onderzoek is gedaan naar de lening bij Santander, die verdachte zakelijk wilde aanwenden om diverse zakelijke rekeningen te doen betalen, en dat de lening zou zijn aangevraagd op naam van [verdachte]. Daarnaast vermeldt het rapport ook dat verdachte een aangetekend stuk verzonden zou hebben aan [betrokkene 1] met als inhoud een bedrag van € 45.000 euro, maar dat met hoge waarschijnlijkheid vast is te stellen dat de bewuste envelop moedwillig is achter gehouden en dat de inhoud is verwijderd.
NJ2009/56 ging het om brieven die afkomstig heetten te zijn van (een jurist verbonden aan) een belastingadvieskantoor en die geadresseerd waren aan bepaalde overheidsinstanties, advocatenkantoren of bedrijven. Over de inhoud van deze brieven bleek uit de bewijsmiddelen niets. De Hoge Raad oordeelde dat uit hetgeen het hof wel had vastgesteld niet volgde dat de brieven, “ten aanzien waarvan omtrent de relevantie van de daarin vervatte valse gegevens voor de (recht)positie van de daarbij betrokken personen niets is vastgesteld”, een bewijsbestemming hadden. Uit dit arrest kan weer niet de algemene conclusie worden getrokken dat een brief van een belastingadvieskantoor geen geschrift is dat bestemd is om tot het bewijs van enig feit te dienen. De eventuele bewijsbestemming hangt af van de inhoud van de brief. De overweging van de Hoge Raad lijkt te impliceren dat, als de inhoud van de brief consequenties heeft voor de (rechts)positie van de cliënt waarvoor het belastingadvieskantoor optreedt, wel sprake is van een geschrift met bewijsbestemming. [12]
originele geschrifttot bewijs van enig feit bestemd is, aldus F.C. Bakker, [13] welk standpunt ik deel. Voor het valselijk opmaken (namaken) van een geschrift, geldt daarbij iets soortgelijks. Het komt erop aan of een geschrift van dezelfde soort bewijsbestemming heeft. Pas als een geschrift wordt vervaardigd dat absoluut tot bewijs ongeschikt is, ontbreekt de bewijsbestemming. Maar in dat geval kent het geschrift zijn soortgelijke in het maatschappelijk verkeer niet. Voor zover het middel op de opvatting berust dat een geschrift “vol met taalfouten” om die reden niet kan worden aangemerkt als een geschrift waaraan in het maatschappelijk verkeer een zodanige betekenis pleegt te worden toegekend dat sprake is van een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen als bedoeld in art. 225 Sr Pro, faalt het derhalve omdat die opvatting onjuist is.