Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
margin of appreciationhebben als het gaat om maatregelen die de omgang tussen ouder en kind beperken. Hoe ingrijpender de gevolgen van de beperking, des te indringender is de toetsing van de noodzaak daarvan door het EHRM. [6] Waar contact met een ouder in strijd zou kunnen zijn met de belangen en rechten van het kind, is het aan de nationale autoriteiten om een
fair balancetussen beide te vinden. [7] Daarbij geldt dat aan de belangen van het kind een bijzonder gewicht toekomt en dat een ouder aan artikel 8 EVRM Pro geen aanspraak kan ontlenen op maatregelen die de ontwikkeling en gezondheid van het kind schaden. [8]
Onderdeel 1klaagt dat het hof heeft miskend dat de in alinea 2.7 hiervoor bedoelde inspanningsverplichting meebrengt dat het hof gehouden was gevolg te geven aan het door de man (bij brief van zijn advocaat van 28 oktober 2016) gedane verzoek om een uitgebreid, aanvullend onderzoek, zelfs al zou het belang van het kind zich daartegen verzetten. Ter toelichting op deze klacht is aangevoerd dat het EHRM in zijn genoemde beslissing inzake Nekvedavicius heeft bepaald dat het vestigen van contact tussen de niet met gezag belaste ouder en de minderjarige langdurige inspanningen van alle betrokkenen vereist. Verder klaagt de man dat het hof de afwijzing van dit verzoek onvoldoende heeft gemotiveerd door slechts naar het belang van de dochter te verwijzen. Volgens de man had het hof nader behoren in te gaan op de in de brief van 28 oktober 2016 aangevoerde argumenten, feiten en omstandigheden (in het middelonderdeel samengevat onder 1 t/m 7). Ten slotte wordt geklaagd dat in het licht van deze argumenten, feiten en omstandigheden onbegrijpelijk is hoe het hof tot zijn oordeel is gekomen dat aanwijzingen ontbreken waaruit kan worden afgeleid dat de man zich (voldoende) kan inleven in en begrip heeft voor de situatie en gevoelens van de dochter.
onderdeel 2klaagt de man over miskenning van de ‘zware motiveringseis’ voor het ontzeggen van de uitoefening van het omgangsrecht [21] . Het hof zou onvoldoende hebben gemotiveerd waarom omgang, in welke vorm en intensiteit ook, ernstig nadeel voor de geestelijke en lichamelijke ontwikkeling van de dochter oplevert. Dat de dochter van ernstige bezwaren tegen omgang heeft doen blijken, acht de man ontoereikend onderbouwd. Verder heeft het hof niet uiteengezet waarom niet kan worden afgewacht of, afhankelijk van de gevoelens van de dochter, de omgang nog kan worden hersteld. Subsidiair klaagt de man dat het hof niet (voldoende) is ingegaan op de stellingen 1 t/m 7 uit zijn brief van 28 oktober 2016, hoewel in die brief de redenen van de dochter om omgang te weigeren genuanceerd worden.
fair balance” tussen deze belangen moet worden bereikt. Het onderdeel bevat verder de klacht dat in de belangenafweging van het hof ten onrechte niet het belang van de dochter bij een hervatting van haar omgang met de man is betrokken noch de stelling van de man dat hij een behandeling ondergaat die nog zal worden geïntensiveerd. Daarnaast klaagt het middelonderdeel dat het hof weliswaar vermeldt dat de man na een jaar opnieuw een verzoek kan indienen, maar heeft nagelaten te vermelden onder welke omstandigheden; volgens de klacht komt de beslissing van het hof neer op een onaanvaardbare ontzegging van de omgang voor onbepaalde tijd. [22]