ECLI:NL:PHR:2017:121
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens niet tijdig indienen middelen
De verdachte is bij arrest van het Gerechtshof Den Haag veroordeeld wegens witwassen gepleegd door een rechtspersoon en kreeg een geldboete opgelegd. Tegen dit arrest is beroep in cassatie ingesteld bij de Hoge Raad. De aanzegging van het cassatieberoep vond plaats op 20 mei 2016, waarna de termijn voor het indienen van schriftelijke middelen op 19 juli 2016 afliep. Gedurende deze termijn zijn geen middelen ingediend door of namens de verdachte.
Volgens artikel 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering betekent het niet tijdig indienen van middelen dat de verdachte niet in zijn cassatieberoep kan worden ontvangen. Daarom concludeert de Procureur-Generaal dat de Hoge Raad het cassatieberoep niet-ontvankelijk moet verklaren.
De conclusie is dat het beroep in cassatie niet ontvankelijk wordt verklaard wegens het niet naleven van de wettelijke termijn voor het indienen van middelen, waardoor de veroordeling van het hof in stand blijft.
Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in cassatie wegens niet tijdig indienen van middelen.