ECLI:NL:PHR:2017:121

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
17 januari 2017
Publicatiedatum
7 maart 2017
Zaaknummer
15/00832
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 435 SvArt. 437 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens niet tijdig indienen middelen

De verdachte is bij arrest van het Gerechtshof Den Haag veroordeeld wegens witwassen gepleegd door een rechtspersoon en kreeg een geldboete opgelegd. Tegen dit arrest is beroep in cassatie ingesteld bij de Hoge Raad. De aanzegging van het cassatieberoep vond plaats op 20 mei 2016, waarna de termijn voor het indienen van schriftelijke middelen op 19 juli 2016 afliep. Gedurende deze termijn zijn geen middelen ingediend door of namens de verdachte.

Volgens artikel 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering betekent het niet tijdig indienen van middelen dat de verdachte niet in zijn cassatieberoep kan worden ontvangen. Daarom concludeert de Procureur-Generaal dat de Hoge Raad het cassatieberoep niet-ontvankelijk moet verklaren.

De conclusie is dat het beroep in cassatie niet ontvankelijk wordt verklaard wegens het niet naleven van de wettelijke termijn voor het indienen van middelen, waardoor de veroordeling van het hof in stand blijft.

Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in cassatie wegens niet tijdig indienen van middelen.

Conclusie

Nr. 15/00832
Zitting: 17 januari 2017
Mr. T.N.B.M. Spronken
Conclusie inzake:
[verdachte]
De verdachte is bij arrest van 28 januari 2015 door het Gerechtshof Den Haag wegens “witwassen, terwijl het feit wordt begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een geldboete van vijfduizend euro.
Deze zaak hangt samen met de onder nr. 15/00835 bij de Hoge Raad aanhangige zaak, waarin ik vandaag eveneens concludeer.
Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. De aanzegging als bedoeld in art. 435 Sv Pro is op 20 mei 2016 betekend. De in het tweede lid van art. 437 Sv Pro gestelde termijn van twee maanden liep af op 19 juli 2016. Er is gedurende deze termijn geen schriftuur houdende middelen van cassatie binnengekomen.
Nu verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, kan hij ingevolge art. 437, tweede lid, Sv niet in zijn cassatieberoep worden ontvangen.
Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het ingestelde cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG