Conclusie
doodslag, gevolgd, voorafgegaan of vergezeld van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden of gemakkelijk te maken” en onder 3 “
diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaren. Tevens heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 7.407,28, in combinatie met de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr, te vervangen door 72 dagen hechtenis.
tariff”) dat [verdachte] in Engeland in de gevangenis zou moeten verblijven op grond van de aan hem opgelegde levenslange gevangenisstraf bestaat enige onduidelijkheid. Aanvankelijk is dit bepaald op achttien jaren. [1] Later is door het Engelse Ministry of Justice medegedeeld dat het tariff is bepaald op zestien jaren en vier maanden, [2] terwijl de Engelse rechter die besliste op het hoger beroep tegen de beslissing van de overleveringsrechter, uitging van een gevangenisstraf voor de duur van zeventien jaren. Hij verwees daarbij meer specifiek naar de beslissing van Judge Steel van 28 juli 2008, waarbij deze het tariff op zeventien jaren heeft gesteld. [3] In de uitspraak op het hoger beroep tegen de beslissing van de overleveringsrechter, is vermeld dat [verdachte] nog niet voorlopig in vrijheid is gesteld omdat “
he has not yet persuaded the Parole Board that the risk he poses to the public has been sufficiently reduced to allow for his release.” [4]
may”) opschorten totdat de opgelegde straf ten uitvoer is gelegd. Naar Engels recht dient de zitting waarop het verzoek tot overlevering wordt behandeld te worden opgeschort indien de datum van vrijlating dusdanig ver in de toekomst is gelegen dat de overleveringsrechter de mogelijke overleveringsbeletselen niet kan beoordelen. [8]
1. hij op een tijdstip in de periode van 14 augustus 1995 tot en met 16 augustus 1995 te Rotterdam in een woning gelegen aan de [a-straat] opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer 1] (geboren [geboortedatum] 1913) van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk
eerste middelbehelst de klacht dat het hof ten onrechte heeft overwogen “
dat er geen sprake is van vormverzuimen, nu het ‘stilzitten’ van de verdediging’ niet aan het OM kan worden tegengeworpen.” Het oordeel van het hof, te weten dat de verdediging “
eerder (na het oppakken van de verdediging van verdachte) haar onderzoekswensen kenbaar[had]
moeten maken, zodat het op dat moment waarschijnlijk nog wel mogelijk was om tegenonderzoek te verrichten”, getuigt volgens de steller van het middel van een onjuiste rechtsopvatting, althans is onbegrijpelijk.
5. Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie
hoe door de handelwijze van het Openbaar Ministerie in het opsporingsonderzoek doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak dan wel diens recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro, te kort zou zijn gedaan”. Daarmee heeft het hof bij de beoordeling van het verweer en de eraan verbonden sanctiemodaliteit, de juiste maatstaf aangelegd, te weten het door het hof genoemde Zwolsman-criterium.
in het arrest de verdediging feitelijk de ‘schuld’[heeft]
gegeven van het falend optreden van het Openbaar Ministerie, althans de verdediging het in het ongerede raken van inbeslaggenomen voorwerpen waarover het Openbaar Ministerie als ‘goed huisvader’ zou moeten waken, in de schoenen[heeft]
geschoven.” Het stilzitten van de verdediging waarop het hof wijst in verband met de verwerping van het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het OM, heeft echter betrekking op de zorgvuldigheid van het opsporingsonderzoek in het algemeen en niet op “
het in het ongerede raken van inbeslaggenomen voorwerpen”. Dat tweede onderwerp is niet aan de orde in het arrest onder 5.3.1, waaruit in de toelichting op het middel wordt geciteerd, maar wordt separaat besproken in het arrest onder 5.3.2, onder het opschrift “
Zoekraken van belastend en (mogelijk) ontlastend materiaal”. In zijn argumentatie (in 5.3.2) over dit tweede, separate onderwerp, beroept het hof zich niet op het stilzitten van de verdediging.
falend optreden van het Openbaar Ministerie” heeft geen betrekking op (de zorgvuldigheid van) het opsporingsonderzoek, maar op het zoekraken van belastend en (mogelijk) ontlastend materiaal. Ook de bezwaren die in het middel zelf naar voren worden gebracht (te weten “
verdedigingsrechten niet meer[kunnen]
uitoefenen” en schending van “
het recht op tegenonderzoek”), hebben telkens alleen betrekking op de gevolgen van het zoekraken van belastend en (mogelijk) ontlastend materiaal.
dat geen sprake is van enig vormverzuim in de zin van artikel 359a Wetboek van Strafvordering dat de conclusie rechtvaardigt dat bewijsuitsluiting dient te volgen.” De toelichting op het middel behelst de klacht dat “
het hof (slechts)[heeft]
overwogen dat er geen sprake is van vormverzuimen in de zin van artikel 359a Sv, aangezien (zakelijk weergegeven) de verdediging eerder had moeten en kunnen vragen om nader onderzoek, zodat ‘het stilzitten van de verdediging’ niet aan het Openbaar Ministerie kan worden tegengeworpen.” Vervolgens wordt in de toelichting uiteengezet dat er “
wel degelijk sprake[is]
van meerdere vormverzuimen”, bestaande uit schending van het onmiddellijkheidsbeginsel, het schenden van de bewaarplicht en het aan de verdachte ontnemen van het recht op tegenonderzoek.
geen sprake is van vormverzuimen in de zin van artikel 359a Sv, aangezien […] de verdediging eerder had moeten en kunnen vragen om nader onderzoek” berust echter op een onjuiste lezing van het arrest. Het hof heeft immers niet vastgesteld dat “
geen sprake is van vormverzuimen in de zin van artikel 359a Sv”, maar dat geen sprake is van enig vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv
“dat de conclusie rechtvaardigt dat bewijsuitsluiting dient te volgen”. Ook deze klacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag.
tweede middelbehelst de klacht dat het hof niet heeft gerespondeerd op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt “
dat het destijds in Polen inbeslaggenomen horloge niet hetzelfde horloge is of kan zijn als het horloge dat bij het plegen van het delict is weggenomen, althans dat de herkenningen van de nabestaanden onbetrouwbaar zijn en voor het bewijs dienen te worden uitgesloten”. Subsidiair klaagt het middel dat de motivering van de weerlegging onbegrijpelijk is.
Hetgeen wordt aangevoerd met betrekking tot het Delbana horloge komt in de kern neer op het uitsluiten van het bewijs van de herkenningen door de zonen en schoondochter van het slachtoffer op de grond dat die niet juist kunnen zijn nu de aan hen getoonde studiofoto van dat horloge niet een aan het object zelf gelijke waarde heeft voor wat betreft het herkennen daarvan, laat staan dat de kopie van die foto die zich in het dossier bevindt volstaat voor de controle.
De verdediging heeft daartoe onder meer en onder verwijzing naar (nota bene!) de mening van fabrikant Delbana aangevoerd dat i) uit het proces-verbaal van inbeslagname blijkt dat het horloge een Delbana horloge betreft, terwijl uit de studiofoto niet blijkt dat het gaat om een Delbana horloge, ii) de kleur van de wijzerplaat op de studiofoto zwart is en niet blauw en dat iii) uit de door de nabestaanden gegeven omschrijving blijkt dat het gaat om een langwerpige wijzerplaat, uit de studiofoto blijkt dat de kast rechthoekig is, terwijl uit de door de familie beschikbaar gestelde foto blijkt dat de kast geen rechte hoeken heeft, maar ovaal van vorm is.”
uit het proces-verbaal van inbeslagname blijkt dat het horloge een Delbana horloge betreft, terwijl uit de studiofoto niet blijkt dat het gaat om een Delbana horloge” zou eenvoudig kunnen worden verklaard doordat het bedoelde horloge in Polen in beslag is genomen en de verbalisanten daar in staat waren de tekst te lezen die op de wijzerplaat is aangebracht, terwijl de tekst op de wijzerplaat van het horloge dat op de foto is afgebeeld niet goed te lezen is.
uit de door de familie beschikbaar gestelde foto blijkt dat de kast geen rechte hoeken heeft, maar ovaal van vorm is”. In het deel van de pleitnota waaruit in de toelichting op het middel wordt geciteerd, heb ik een dergelijke mededeling echter niet kunnen terugvinden en evenmin in de resterende tientallen pagina’s pleitnota’s die ter terechtzitting van het hof zijn overgelegd. Hooguit is aangevoerd dat “
bij uitvergroting van de door de familie beschikbaar gestelde foto blijkt dat geen rechte hoekenzichtbaarzijn, maareerdereenwijzerplaatmet een ovale vorm.”Onderstreping mijnerzijds. Allereerst correspondeert de stelligheid waarvan de steller van het middel zich in zijn toelichting bedient niet met het ter zitting aangevoerde argument. Belangrijker is dat de omschrijving van de langwerpige vorm van een wijzerplaat niet uitsluit dat de kast van het horloge rechthoekig is, in de eerste plaats omdat een rechthoek langwerpig kan zijn en in de tweede plaats omdat de vorm van de kast van het horloge niet doorslaggevend is voor de vorm van de wijzerplaat.
derde middelbehelst de klacht dat onder 1 ten laste van de verdachte bewezen is verklaard dat hij de doodslag heeft begaan “
met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken”, terwijl dat oogmerk niet uit het arrest noch uit de bewijsmiddelen kan volgen.
uit het verhandelde ter zitting volgt” dat “
in de kelder een kist met een grote som geld en juwelen is achtergebleven en ook aan de voeten van het slachtoffer een doosje is aangetroffen met een aanzienlijke hoeveelheid cash geld. Indien er daadwerkelijk sprake zou zijn van gekwalificeerde doodslag, zou het in de lijn der verwachting liggen dat de verdachte ook de geldkist en het doosje mee zou hebben genomen.”
allevoorhanden buit heeft meegenomen. [14] Het middel faalt in zoverre.
Bij [slachtoffer 1] ontvreemde zilverkleurige sieraden, waaronder een horloge, zijn later aangetroffen in het huis van de moeder van de verdachte in Polen. Met de bankpas van [slachtoffer 1] is in totaal fl. 4.975,- gepind. Op 16 augustus 1995, de dag dat [slachtoffer 1] dood in haar huis werd aangetroffen, heeft de verdachte een bedrag van fl. 1.900,- per postwissel overgemaakt aan zijn moeder.
vierde middelbehelst de klacht dat het hof niet heeft gerespondeerd op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt over de onbetrouwbaarheid van de bewijsmiddelen waaruit zou moeten blijken dat het in Polen onder de moeder van de verdachte in beslag genomen horloge, het horloge zou zijn dat bij de woningoverval op [slachtoffer 4] is weggenomen. Subsidiair klaagt het middel over de begrijpelijkheid van de motivering van de verwerping van dit standpunt.
Analyse van de bewijsmiddelen” is in de ter terechtzitting overgelegde pleitnota namens de verdachte aangevoerd dat het hof “
niet met de vereiste mate van zekerheid[kan]
vaststellen dat het in Polen aangetroffen horloge het horloge is dat in eigendom toebehoorde aan [slachtoffer 4].” Het betreft een Indus horloge dat in Polen in het huis van de moeder van de verdachte in beslag is genomen. Aangevoerd is dat “
specifieke, unieke eigenschappen” van het horloge ontbreken, terwijl het bijzondere kenmerk van het horloge, “
een steentje op 12 uur in de wijzerplaat”, niet op de foto’s kan worden vastgesteld. Aanvankelijk heeft [slachtoffer 4] het horloge niet herkend als haar horloge. Ook zou het onmogelijk zijn om op de dag van 8 juli 1998 voorwerpen uit Polen aan [slachtoffer 4] te tonen omdat deze voorwerpen pas op 14 juli 1998 waren overgedragen. Tevens zijn vraagtekens geplaatst bij de bewijswaarde van de herkenning van het horloge op foto’s door de zoon en schoondochter van [slachtoffer 4]. De foto’s zijn vermist zodat geen enkele controle mogelijk is op de vormvoorschriften die bij fotoconfrontaties in acht moeten worden genomen. Aan al deze bezwaren is de conclusie verbonden dat “
alle bewijsmiddelen die samenhangen met dit stuk van overtuiging, als onbetrouwbaar bewijs terzijde” moeten worden geschoven.