Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het tweede middel
3.Beoordeling van de middelen voor het overige
4.Beslissing
1 oktober 2013.
Hoge Raad
In deze zaak stond het cassatieberoep van verdachte centraal tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage. Het betrof een strafzaak over gekwalificeerde doodslag in samenhang met een strafbaar feit, namelijk de verduistering van een hoeveelheid heroïne.
De kern van het geschil betrof de uitleg van het oogmerk zoals bedoeld in artikel 288 van Pro het Wetboek van Strafrecht, met name of het oogmerk om aan zichzelf of andere deelnemers het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren pas kan bestaan nadat het strafbare feit is voltooid. De verdediging stelde dat dit het geval moest zijn, maar de Hoge Raad verwierp deze opvatting.
De Hoge Raad bevestigde dat het oogmerk ook kan bestaan voordat het strafbare feit is voltooid, waarmee het cassatieberoep werd verworpen. De uitspraak verduidelijkt de interpretatie van het oogmerk bij gekwalificeerde doodslag in combinatie met andere strafbare feiten.
De uitspraak is gewezen door de vice-president van Dorst als voorzitter, en raadsheren de Hullu en van den Brink, en werd uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting op 1 oktober 2013.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte werd verworpen en het arrest van het hof bevestigd.