Conclusie
middelklaagt erover dat verdachte is veroordeeld tot hechtenis voor de duur van drie maanden, terwijl de wettelijke strafbedreiging ten hoogste twee maanden bedraagt.
Parket bij de Hoge Raad
De zaak betreft een verdachte die op 2 december 2014 in Eindhoven meerdere verkeersovertredingen beging, waaronder te hard rijden, negeren van verkeerslichten en gevaarlijk inhalen. Het hof had de verdachte veroordeeld tot drie maanden hechtenis en ontzegging van de rijbevoegdheid voor twaalf maanden wegens overtreding van artikel 5 van Pro de Wegenverkeerswet 1994.
De Hoge Raad constateerde dat het opgelegde strafmaximum van drie maanden hechtenis het wettelijk maximum van twee maanden voor deze overtreding overschreed. Hoewel de gedragingen meervoudig waren, had het hof geen samenloopregeling toegepast die een hogere straf zou rechtvaardigen. De Hoge Raad oordeelde dat het arrest daarom niet in stand kon blijven wat betreft de strafoplegging.
De Hoge Raad overwoog dat terugwijzing naar het hof noodzakelijk is omdat het arrest geen aanknopingspunten bevatte om zelf een lagere straf op te leggen. Het cassatiemiddel werd gegrond verklaard en de zaak werd terugverwezen voor een nieuwe strafoplegging binnen het wettelijke maximum. De ontzegging van de rijbevoegdheid bleef onbesproken.
Deze uitspraak benadrukt het belang van het respecteren van strafmaximums en de noodzaak van een juiste toepassing van samenloopregels bij meervoudige overtredingen in het verkeersrecht.
Uitkomst: Arrest vernietigd wegens overschrijding strafmaximum en zaak terugverwezen naar het hof voor hernieuwde berechting.