Conclusie
1.Feiten en procesverloop
gespecialiseerd insolventieadviseuren is door de afdeling risk management van ING voorgedragen om het saneringstraject te begeleiden. Op 9 januari 2006 heeft een eerste bespreking plaatsgehad tussen [betrokkene 1] en [eiser] en zijn afspraken gemaakt met [eiser] , althans diens persoonlijke vennootschap [N] B.V. (voorheen genaamd [O] B.V.), hierna [N] , over zijn honorering.
1.voor recht te verklaren dat [eiser] aansprakelijk is voor het volledige tekort in de boedels van de faillissementen van de [C] , nader op te maken bij staat, en
2.[eiser] te veroordelen om aan de curator een bedrag te betalen gelijk aan het uiteindelijke tekort in de boedels van de vennootschappen van [D] , het aan de Belastingdienst verschuldigde bedrag en de totale faillissementskosten daaronder begrepen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding.
a)art. 2:248 lid 1 jo Pro. lid 7 BW,
b)onrechtmatige daad (ongelijke behandeling van schuldeisers) en
c)paulianeus handelen. [5]
€ 1.008.401,14, met rente vanaf 30 maart 2005. [9]
€ 293.797,-), wat de schulden zijn aan omzetbelasting van de fiscale eenheid (per saldo € 1.068.850,-) en daarenboven van alleen [G] en [L] (per saldo € 32.623,-) en wat dit bij elkaar opgeteld oplevert aan totale belastingschuld (per saldo € 1.395.270,-).
De Koopprijs is als volgt samengestelddat de koper de voorraad nieuwe auto’s overneemt conform bijlage 1.1a, maar daarbij wordt geen bedrag genoemd. Het proces-verbaal van [verbalisant] van 30 maart 2012 houdt in dat de koopprijs van [G] op € 2.786.684,76 exclusief nieuwe auto’s is gesteld en dat ter zake die verkoop eenzelfde bedrag op de derdengeldrekening van de advocaat van BMW is ontvangen. Daarenboven is als bijlage 5 bij dat proces-verbaal van [verbalisant] een brief gevoegd van BMW d.d. 29 maart 2012 die inhoudt, samengevat, dat de voorraad nieuwe auto’s van [G] niet aan BMW was betaald en door BMW is teruggenomen op basis van eigendomsvoorbehoud. Het proces-verbaal van [verbalisant] vermeldt in dat verband dat alle auto’s individueel tegen dezelfde waarde zijn gefactureerd en gecrediteerd, alles inclusief btw; ter illustratie zijn als bijlage 5 bij het proces-verbaal twee zogenoemde voorraad financieringsfacturen (inkoopfacturen) van BMW aan [G] gevoegd, in beide gevallen inclusief btw. Dit alles wijst erop dat de auto’s niet in de koopprijs van [E] en [G] waren begrepen en dat derhalve de toepasselijkheid van het regime van art. 31 (oud) Wet OB zich niet heeft uitgestrekt tot de voorraad nieuwe auto’s. Bovendien wordt het ervoor gehouden dat BMW op goede grond (eigendomsvoorbehoud) de inkoopfacturen heeft gecrediteerd (met btw) zodat de vennootschappen - zoals zij kennelijk hebben gedaan - reden hadden om aangifte te doen van negatieve voorbelasting, oftewel van de btw op inkoopfacturen die volgens de eigen aangiftes van de vennootschappen eerder in vooraftrek was gebracht en die vanwege de creditfacturen van BMW aan de fiscus moest worden terugbetaald.
Uiteindelijk is het wel zo geweest dat [eiser] de zaken bepaalde en ik uitvoerend was.” en die van [betrokkene 5] (voormalig manager Network Strategie bij BMW Nederland BV) tegenover de FIOD: “
Op het moment dat [eiser] is binnengekomen nam hij de beslissingen. (…) Formeel had hij geen bevoegdheid, maar hij bepaalde wel wat en aan wie er werd betaald.” Hiertegenover leggen de door [eiser] als productie 18 bij de memorie van antwoord ingeroepen e-mails van BMW van 10 januari 2006 en 8 februari 2006 onvoldoende gewicht in de schaal. Meer in het bijzonder blijkt uit die e-mails niet dat BMW enige invloed heeft gehad op de besluiten die aan de daarin genoemde betalingen aan BMW ten grondslag zullen hebben gelegen. Nu [eiser] zijn invloed op het bestuursbeleid overigens niet ter discussie heeft gesteld, wordt het ervoor gehouden dat hij de transacties door zijn advisering minst genomen heeft bewerkstelligd, geïnstigeerd, dan wel bevorderd. Bovendien heeft [eiser] van de transacties geprofiteerd: uit de opbrengst heeft hij dan wel zijn vennootschap betaling van facturen ontvangen. Dit alles rechtvaardigt de conclusie dat [eiser] onrechtmatig jegens de gezamenlijke faillissementscrediteuren heeft gehandeld.
2.Bespreking van het principaal cassatieberoep
“niet in(houden) dat BMW een door pandrecht gedekte vordering op [G] had.”.
vorderingvan BMW op [G] , faalt het bij gebrek aan feitelijke grondslag. Geen van partijen heeft het bestaan van een vordering van BMW op [G] ontkend; partijen hebben slechts gedebatteerd over de hoogte ervan. Op een der in het subonderdeel aangegeven vindplaatsen (MvA nr. 56) heeft [eiser] gesteld dat BMW een vordering van ten minste € 1.800.000 op [G] had, zulks in reactie op de stelling van de curator dat de vordering van BMW op [G] waarschijnlijk slechts ca € 280.000 bedroeg (MvG nr. 56). Het oordeel van het hof moet dan ook kennelijk aldus worden begrepen dat geen sprake was van een
door pandrecht(op de activa van [G] )
gedektevordering van BMW op [G] , welke lezing bevestiging vindt in het oordeel dat met de aanwending van de opbrengst van (lees: de activa van) [G] de norm van art. 3:277 BW Pro geschonden is.
pandrechtjegens [G] had, faalt het eveneens.
de vordering van [G] op de koperter zake van de voor haar activa overeengekomen koopprijs. Het onderdeel verwijst echter niet naar specifieke stellingen van [eiser] (in combinatie met de door het onderdeel geciteerde pandaktes) van de strekking dat de vordering van [G] betreffende de koopsom aan BMW was verpand. [17] Met de enkele verwijzing naar de pandakte van 10 januari 2006 maakt het onderdeel in het licht van de beperkte mogelijkheid tot verpanding van toekomstige vorderingen (art. 3:239 lid 1 BW Pro) bovendien nog niet duidelijk dat de vordering op de koper daadwerkelijk verpand was, nu vast staat dat de activa van [G] eerst op 9 februari 2006 aan BMW zijn verkocht [18] , nog daargelaten dat de vordering (en het eventueel daarop rustende pandrecht) gelet op de door de curator onbetwist gestelde betaling van de koopprijs aan [G] (op 31 januari 2006 en 15 februari 2006 [19] ) is tenietgegaan.
met de aanwending van de opbrengst van [G] de norm van artikel 3:277 lid 1 BW Pro is geschonden".
subonderdelen Ic en I.c.1keren zich tegen het oordeel dat
"het verweer (...) dat de transacties gerechtvaardigd waren omdat ING en BMW zekerheden hadden bedongen (...) wat [G] betreft evident ongegrond [is]”.Volgens de subonderdelen heeft [eiser] , met stukken onderbouwd, gewezen op een vordering van [A] op [G] , waarop een door [A] aan ING verstrekt pandrecht rust.
de door de gezamenlijke faillissementscrediteurenvan [G]
geleden schadeop het gevorderde bedrag van
€ 1.008.401,14.Daartoe wordt aangevoerd dat het hof ter vaststelling van de omvang van de schade had moeten nagaan in welke positie [G] zonder de als onrechtmatig beoordeelde gedragingen van [eiser] zou hebben verkeerd. Daarbij wordt gewezen op (het beroep van [eiser] op) de verpanding van (i) de vorderingen van de [de vennootschappen] vennootschappen op derden (waaronder [G] ), en (ii) de vorderingen van [G] op derden (waaronder de koper van de activa), zulks tot zekerheid van de vorderingen van ING en BMW op de andere vennootschappen. Voorts wordt erop gewezen dat [G] pas is gefailleerd nadat [eiser] zijn werkzaamheden als adviseur eind maart/begin april 2006 had beëindigd en nadat [I] in mei 2006 was gefailleerd.
nu niet is gebleken dat de betalingen aan preferente schuldeisers zijn gedaan– de door de gezamenlijke faillissementscrediteuren van [G] geleden schade het gevorderde bedrag beloopt van –
als verder niet weersproken–
€ 1.008.401,14, en onderdeel I, zoals hiervoor is gebleken, tevergeefs opkomt tegen de verwerping door het hof in rov. 3.19 van het verweer van [eiser] dat de aanwending van de opbrengst van de activa van [G] gerechtvaardigd was door zekerheden van ING en BMW op die activa.
ingangsdatum van de wettelijke rente (30 maart 2005)over voormeld bedrag. Het klaagt dat het hof heeft miskend dat de wettelijke rente niet verschuldigd wordt voordat de onrechtmatige daad is gepleegd op grond waarvan de veroordeling tot schadevergoeding is uitgesproken. Indien het hof zulks niet heeft miskend, is niet (genoegzaam) gemotiveerd waarom [eiser] reeds vanaf 30 maart 2005 wettelijke rente verschuldigd is, terwijl hij zijn werkzaamheden eerst heeft aangevangen per 9 januari 2006. [22] Daaraan doet niet af dat [eiser] de gevorderde ingangsdatum niet heeft bestreden, aldus het onderdeel.
2006. Hij baseert de ingangsdatum immers op het dan “zeker geheel afgewikkeld zijn van de onrechtmatige wijze van vereffening” (MvG, nr. 130).
voor zover ING en BMW zekerheden ten laste van [E] hadden bedongen, de bij verkoop van de activa van [E] voor de goodwill overeengekomen koopsom daar buiten valt. Geklaagd wordt dat dit oordeel van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, althans zonder nadere motivering niet (voldoende) begrijpelijk gemotiveerd is. Daartoe wordt aangevoerd dat [eiser] zich heeft beroepen op (i) de pandovereenkomst tussen [E] en BMW, waarin [E] voor de vorderingen van BMW op de [de vennootschappen] vennootschappen een pandrecht aan BMW heeft verstrekt op haar bedrijfsuitrusting, voorraden en boekvorderingen, inclusief eventuele intercompany-vorderingen [26] , en (ii) de verpanding aan ING van alle vorderingen van de [de vennootschappen] vennootschappen (met uitzondering van [G] ) op elkaar, en hun hoofdelijke aansprakelijkheid tegenover ING. [27] Volgens het onderdeel valt het voor de verkoop van de goodwill overeengekomen bedrag onder (i) het pandrecht van BMW op de vordering tot betaling van de koopsom en onder (ii) het pandrecht van ING op de vordering van één [de vennootschappen] vennootschap op [E] ter zake de vordering van ING op haar, waarvoor [E] hoofdelijk aansprakelijk is. [eiser] heeft zich ter onderbouwing van zijn verweer ook niet beroepen op specifiek een pandrecht gevestigd op goodwill; hij heeft aangevoerd:
goodwill(en zijn partijen het daarover eens), maar specifiek op (de mogelijkheid van) een pandrecht op de
vorderingtot betaling van een koopsom
inclusiefeen daarin opgenomen bedrag aan goodwill (als in de koopsom een bedrag aan goodwill is verdisconteerd, strekt het pandrecht zich daarmee nog niet uit tot de koopsom minus het hierin verwerkte bedrag aan goodwill).
subonderdeel IIcvoortbouwt op de voorgaande subonderdelen IIa en IIb, moet het evenals die subonderdelen falen.
“niet is betwist”dat [eiser] van de (potentiële) belastingschuld van de vennootschappen had kunnen weten.
alsdan(dit woord is weggelaten in het citaat in de cassatiedagvaarding) van de (potentiële) belastingschuld had kunnen weten. Bovendien wordt niet opgekomen tegen het oordeel van het hof in rov. 3.14 – dat [eiser] primair zelf een verwijt treft door geen bezwaar te maken tegen de belastingaanslagen nu het gaat hetzij om aanslagen naar aanleiding van (nota bene) eigen aangiftes in de periode januari t/m maart 2006 toen [eiser] bij de vennootschappen zijn adviserende rol vervulde, hetzij om aanslagen naar aanleiding van het boekenonderzoek die (mede gelet op datum van het voorlopig rapport van 17 februari 2006 en die van het eindrapport van 14 maart 2006) ten tijde van de adviserende rol van [eiser] redelijkerwijs waren te voorzien – zodat het onderdeel om die reden ook belang mist.
aan de curator een Peeters/Gatzen-vordering toekomt, althans een vordering uit onrechtmatige daad vanwege benadeling van de gemeenschappelijke schuldeisers, uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting, althans niet (voldoende) begrijpelijk is gemotiveerd. Daartoe wordt aangevoerd (i) dat het hof (gelijk [eiser] heeft aangevoerd en de curator zelf ook heeft gesteld) uitgaat van een ten behoeve van één schuldeiser ingestelde vordering (de Belastingdienst), terwijl zoals het hof (in lijn met wat de curator heeft betoogd) lijkt aan te nemen, ook nog andere schuldeisers zouden bestaan [39] , en (ii) dat als de curator specifiek de belangen van één faillissementsschuldeiser behartigt, althans enkel voor één crediteur optreedt, hem geen Peeters/Gatzen-vordering toekomt, althans hij niet kan worden ontvangen in zijn vordering uit onrechtmatige daad.
dat de schadewaarvan hij in dit geding de vergoeding vordert
door de gezamenlijke faillissementscrediteuren moet zijn geleden. Het hof stelt vast
dat de beweerdelijk geschonden norm - dat de schuldenaar met zijn gehele vermogen instaat voor zijn schuldeisers met inachtneming van ieders rang (artikel 3:277 lid 1 BW Pro) - naar zijn aard strekt ter bescherming van de belangen van de gezamenlijke crediteuren, terwijl van een gezamenlijkheid van crediteuren moet worden uitgegaan, nu in de vonnissen tot faillietverklaring onherroepelijk is beslist dat aan het pluraliteitsvereiste is voldaan. Daarop strandt het verweer dat de curator optreedt namens slechts één crediteur (de fiscus) en daarom [eiser] in zijn (Peeters/Gatzen-)vordering niet ontvankelijk moet worden verklaard.”
subonderdeel VIcheeft het hof met zijn evengenoemd oordeel – dat de curator een Peeters/Gatzen-vordering toekomt – miskend dat van benadeling van de gemeenschappelijke schuldeisers geen sprake is wanneer de vóór faillietverklaring verrichte betalingen hebben plaatsgevonden ter nakoming van vorderingen waarop [45] een pandrecht rust van de partij aan wie is betaald, in casu ING en BMW.
“vanaf zijn aantreden in feite het beleid in belangrijke mate (mede) heeft bepaald [en] de transacties (...) daarom als uitvoering van dat beleid (mede) aan hem [kunnen] worden toegerekend.”Geklaagd wordt dat het hof aldus de grondslag van de vordering heeft verlaten, althans buiten de door partijen getrokken grenzen van de rechtsstrijd is getreden, nu het hof [eiser] hiermee aanmerkt als ‘feitelijk beleidsbepaler’ en de curator uitdrukkelijk geen grief heeft gericht tegen het oordeel van de rechtbank (vonnis, rov. 4.2) dat hij niet als zodanig kan worden aangemerkt. Verwezen wordt naar MvG nr. 142, luidend:
om toegelaten te worden tot tegenbewijs(tegen het dwingend bewijs ex art. 157 Rv Pro van het bestaan van een belastingschuld),
zijn betwisting dat er een belastingschuld is voldoende moet hebben gesubstantieerd.
teruggenomen onder eigendomsvoorbehoud, althans, naar het oordeel van het hof, “BMW op goede grond (eigendomsvoorbehoud) de inkoopfacturen heeft gecrediteerd (met btw)”. Daartoe wordt gesteld dat uit de pleitnotities in de strafzaak - waarnaar [eiser] ter onderbouwing van de gestelde vordering op de Fiscus ad € 814.803,- heeft verwezen - en pagina 8 en 9 van de pleitnotities in deze zaak blijkt dat de vordering van BMW Nederland op de [de vennootschappen] vennootschappen uit hoofde van de financieringsovereenkomst is voldaan door BMW Financial Services, waarmee de dealer(s) tegenover BMW Nederland gekweten was (waren) en BMW Nederland tegenover de [de vennootschappen] vennootschappen geen beroep meer kon doen op het eigendomsvoorbehoud, maar BMW Financial Services een bezitloos pandrecht verkreeg op de ingekochte auto’s.
subonderdeel VIIIcis het oordeel van het hof in rov. 3.10-3.18 dat [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld jegens de gezamenlijke schuldeisers niet naar de eisen der wet met redenen omkleed. Het hof is voorbijgegaan aan de als essentieel aan te merken stelling van [eiser] dat hij geen wetenschap heeft gehad van noch betrokkenheid heeft gehad bij de aangiften omzetbelasting over januari tot en met maart 2006 en hij, toen de aangifte over maart 2006 (een maand nadien) werd ingediend, bovendien al niet meer bij de [de vennootschappen] -vennootschappen c.s. betrokken was, en hem om deze reden dienaangaande geen verwijt kan worden gemaakt, althans (indien al onrechtmatig is gehandeld) de onrechtmatige daad hem niet valt toe te rekenen. Het hof heeft miskend dat het niet zonder motivering voorbij mag gaan aan essentiële stellingen van partijen.
“van een gezamenlijkheid van crediteuren moet worden uitgegaan, nu in de vonnissen tot faillietverklaring onherroepelijk is beslist dat aan het pluraliteitsvereiste is voldaan”. Geklaagd wordt dat het hof heeft miskend dat (i) aan het oordeel in de faillissementsprocedure omtrent de vraag of aan het pluraliteitsvereiste is voldaan in het onderhavige geding geen gezag van gewijsde toekomt (en hierop geen beroep is gedaan), en (ii) niet reeds uit de vaststelling van een pluraliteit van schuldeisers in het faillissementsvonnis volgt dat voor de beoordeling of de curator een Peeters/Gatzen-vordering toekomt, mag worden uitgegaan van een gezamenlijkheid van crediteuren. Indien het hof dit niet heeft miskend, heeft het niet (voldoende) begrijpelijk gemotiveerd waarom, naar zijn oordeel, uit de vervulling van het pluraliteitsvereiste in de faillissementsprocedure voor de beoordeling of de curator kan worden ontvangen in een Peeters/Gatzen-vordering mag worden uitgegaan van een gezamenlijkheid van crediteuren.
3.Bespreking van het incidenteel cassatieberoep
[C], zie de eerste alinea onder 1 van het arrest van het hof) door de curator is aangeduid als
" [M] "(zie MvG nr. 13; zie ook inleidende dagvaarding nr. 4) en de curator onderbouwd heeft gesteld dat de gezamenlijke crediteuren van [M] zijn benadeeld (zie MvG nrs. 61 t/m 67, 68, 86 t/m 88, 112/113 en 134/135 en pleitnotities van mr. Hoving nr. 27/28).