Conclusie
1.De feiten
OVERGANGSREGELINGEN EN PENSIOEN
2.Het procesverloop
3.De bespreking van het cassatiemiddel
Het bestuur stelt – als eindverantwoordelijk orgaan – het pensioenreglement vast waarin de door de werkgever(s) en werknemer(s) overeengekomen inhoud van de pensioenovereenkomst wordt vastgelegd[cursivering A-G]. Het bestuur van een pensioenfonds dient er voor te zorgen dat er voldoende middelen zijn om aan de pensioenverplichtingen die voortkomen uit die pensioenovereenkomst te voldoen.
Het bestuur moet zich bij de uitvoering van de pensioenovereenkomst mede richten naar de belangen van de bij het pensioenfonds betrokken deelnemers, gewezen deelnemers, andere aanspraakgerechtigden, pensioengerechtigden en de werkgever(s) en ervoor zorgen dat deze groepen zich door het bestuur op evenwichtige wijze vertegenwoordigd kunnen voelen[cursivering A-G].” [6]
Niet voor avv in aanmerking komen:
Voldoende draagvlak binnen de bedrijfstak voor zo’n besluit is daarom van belang[cursivering A-G].
Bij de beoordeling van de representativiteit wordt daarom zowel gekeken naar de werkgevers- als naar de werknemerspartijen[cursivering A-G].
Via die solidariteit wordt gerealiseerd dat ongeacht gezondheid, leeftijd of geslacht een pensioen kan worden opgebouwd tegen een redelijke prijs. De solidariteit is daarmee voor het kabinet niet een doel op zich, maar een rechtvaardiging voor de inbreuk op de vrije markt door het gebruik van het instrument van verplichtstelling[cursivering A-G]. Met dit instrument wordt een belangrijke bijdrage geleverd aan de pensioenopbouw door zoveel mogelijk werknemers.” [12]
Het instrument van de verplichtstelling dient ter ondersteuning van de arbeidsvoorwaardelijke afspraken betreffende aanvullende pensioenregelingen zoals die worden gemaakt tussen de sociale partners in een bedrijfstak. Aan die primaire verantwoordelijkheid van sociale partners wat betreft de arbeidsvoorwaarden wordt alom grote waarde gehecht[cursivering A-G]. Dit mag blijken uit het advies van de Sociaal Economische Raad betreffende de wijziging van de Wet Bpf (SER, nr. 99/07) en de discussie in de Tweede Kamer over de begrenzing van de reikwijdte van de verplichtstelling, die er uiteindelijk toe geleid heeft dat het voorstel van het kabinet om een grens te stellen aan die reikwijdte via amendering uit het wetsvoorstel verdwenen is.” [13]
De door of voor de deelnemers verschuldigde bijdrage is voor alle deelnemers gelijk of bedraagt voor alle deelnemers een gelijk percentage van het loon dan wel van het gedeelte van het loon dat voor de pensioenberekening in aanmerking wordt genomen, met dien verstande dat er voor verschillende vormen van pensioen en voor verschillende pensioenregelingen verschillende bijdragen kunnen worden vastgesteld[cursivering A-G].
In afwijking van het eerste lid worden voor verschillende pensioenregelingen die worden uitgevoerd door hetzelfde bedrijfstakpensioenfonds geen verschillende bijdragen vastgesteld indien die pensioenregelingen dezelfde of nagenoeg dezelfde inhoud hebben[cursivering A-G].
Onderscheid in bijdrage op grond van met name leeftijd, geslacht of gezondheid is niet toegestaan[cursivering A-G].” [16]
ze zullen ieder afzonderlijk aan de verplichting van de doorsneepremie moeten voldoen[cursivering A-G]. De verplichting tot het hanteren van een doorsneepremie geldt ook indien er slechts sprake is van een werkgeversdeel.”
De doorsneepremie is het meest vergaande instrument om solidariteit in de regeling te bewerkstelligen, niet alleen binnen een onderneming of tussen de werknemers maar ook tussen de ondernemingen in de bedrijfstak. Het kabinet is van mening dat met de eis van doorsneepremie een wezenskenmerk van de verplicht gestelde bedrijfstakpensioenfondsen wordt vastgelegd. In de praktijk zal het vastleggen van deze voorwaarde in een wettelijke bepaling weinig problemen opleveren, omdat vrijwel alle verplicht gestelde bedrijfstakpensioenfondsen reeds zo’n doorsneepremie hanteren. Met het vastleggen van deze eis wordt wettelijk gewaarborgd dat dit ook in de toekomst zo zal zijn. De solidariteit die hiermee wordt gerealiseerd is naar de mening van het kabinet een rechtvaardiging voor de beperking van de marktwerking in de tweede pijler die via het instrument van verplichtstelling, mede door toedoen van de overheid, plaatsvindt.[cursivering A-G].
actuarieelbepaalde premies te verbieden. Onderscheid in bijdrage op grond van met name leeftijd, geslacht of gezondheid is niet toegestaan, omdat dit de solidariteit binnen een bedrijfstak zou uithollen. Kent de bedrijfstak een sector met een in actuarieel opzicht gunstiger deelnemersbestand, dan mag weliswaar voor deze sector een andere (lagere) doorsneepremie gelden, maar alleen als deze sector ook een eigen, andere pensioenregeling heeft. De doorsneepremie is in de loop van de jaren een controversieel onderdeel van het pensioengebouw geworden. Deze zorgt voor solidariteit tussen jonge en oude deelnemers in een pensioenfonds. Actuarieel bezien kan de premie die voor een jongere deelnemer betaald dient te worden lager zijn dan die voor een oudere werknemer. De premie voor de jongere werknemers kan immers langer renderen. Dit is een van de redenen waarom het idee van een doorsneepremie momenteel in de maatschappelijke discussie onder druk staat [18] .
RvdW2009/662, rov. 154. In de onderhavige kwestie is volgens Bovag niet voldaan aan de beperkingsgronden van art. G ESH en art. 11 lid 2 EVRM Pro.
race to the bottomvoorkomen. [19] Dit motief lijkt mij relevant juist in een geval als het onderhavige waarin Bovag een verslechtering van de arbeidsvoorwaarden voor werknemers lijkt na te streven. Bovag wenst immers een hoger verhaalsrecht op de werknemers. Het gaat hier mijns inziens om een legitiem doel van de wetgever.
verdelingkan gelden voor werknemers en werkgevers die op grond van een verplichtstellingsbeschikking in de zin van de Wet Bpf 2000 allen deelnemen in één en dezelfde pensioenregeling waarvoor deelname verplicht is gesteld voor de gehele bedrijfstak.
"de door of voor de deelnemers verschuldigde bijdrage"gebaseerd op de wetsgeschiedenis van art. 8 Wet Pro Bpf 2000
(Kamerstukken II,1999/2000, 27073, nr. 3, p. 17) en hieruit afgeleid dat art. 8 Wet Pro Bpf 2000 met zich brengt dat ook de
werknemersbijdrage voor alle deelnemers in alle sectoren binnen een bedrijfstak aan de eis van de doorsneepremie moet voldoen, tenzij sprake is van inhoudelijk verschillende pensioenregelingen. Hiermee heeft het hof evenwel miskend dat, wanneer men de wetsgeschiedenis van art. 8 Wet Pro Bpf 2000
in zijn geheelbeziet, daaruit voortvloeit dat met de doorsneepremie die op grond van art. 8 Wet Pro Bpf 2000 moet worden gehanteerd, uitsluitend wordt gedoeld op de
totaledoor de werkgever af te dragen pensioenpremie, en dat de verplichting om een doorsneepremie te hanteren er derhalve niet aan in de weg staat dat per sector binnen een bedrijfstak een verschillende premieverdeling kan gelden voor werknemers en werkgevers die op grond van een verplichtstelling deelnemen in dezelfde pensioenregeling,
tenzijdie verschillende premieverdeling zijn oorsprong vindt in
persoonskenmerken(geslacht, leeftijd, gezondheid). Het onderdeel voert aan dat aan de met de doorsneepremieplicht beoogde solidariteit geenszins afbreuk wordt gedaan indien er per sector binnen een bedrijfstak een verschillende premieverdeling – zoals overeengekomen in het kader van collectieve onderhandelingen – wordt gehanteerd voor werknemers en werkgevers die op grond van een verplichtstellingsbeschikking deelnemen in één en dezelfde pensioenregeling. Een uitleg als voornoemd vindt volgens het onderdeel ook steun in de wetsgeschiedenis en in de juridische literatuur. Vgl.
Kamerstukken II,1999/2000, 27073, nr. 3, p. 4 en
Kamerstukken II,1999/2000, 27073, nr. 6, p. 9.