Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
onder avermeldt de memorie van toelichting – voor zover van belang voor dit cassatieberoep − dat een dwangbehandeling aanvaardbaar is indien voldoende vaststaat dat zonder die behandeling de betrokken patiënt onaanvaardbaar lang opgenomen moet blijven omdat het gevaar dat de stoornis de patiënt doet veroorzaken niet wordt weggenomen. Bij de in het eerste lid onder a voorgestelde vorm van dwangbehandeling ‘gaat het dus altijd om een behandeling die erop gericht is de patiënt binnen een redelijke termijn uit het ziekenhuis te kunnen ontslaan'. De memorie van toelichting vervolgt:
ex tunc): de rechtbank behoorde de toelaatbaarheid van de dwangbehandeling ook te toetsen aan de hand van de actuele toestand (beoordeling
ex nunc). Daarnaast klaagt het middelonderdeel over ontoereikende motivering in het licht van de in het middelonderdeel aangehaalde passages uit de gedingstukken. Samengevat is aangevoerd dat betrokkene op 25 januari 2017 voor het laatst depotmedicatie toegediend had gekregen met een werkingsduur van ongeveer vier weken. Weliswaar heeft de deskundige [betrokkene 2] in zijn rapport geconcludeerd dat sprake is van een stoornis van de geestvermogens die betrokkene gevaar doet veroorzaken, maar volgens het middelonderdeel is de rechtbank eraan voorbijgegaan dat de deskundige ook heeft vermeld dat hij tijdens zijn onderzoek van betrokkene (half maart en half april 2017) geen symptomen van een psychose heeft waargenomen noch van een ander psychiatrisch ziektebeeld. Verder is de rechtbank volgens de klacht voorbijgegaan aan de omstandigheid dat sinds de laatste depotinjectie niet is gebleken van een dreigend gevaar. In dit verband wijst het middelonderdeel op een mededeling van de behandelend arts [betrokkene 3] ter zitting dat de instelling bereid is mee te werken aan een voorwaardelijke machtiging of voorwaardelijk ontslag op voorwaarde dat betrokkene behandeling met medicatie accepteert. Zowel de deskundige [betrokkene 2] als betrokkene zelf zouden het – volgens het middelonderdeel − eens zijn over een voorwaardelijk ontslag “mits de medicamenteuze behandeling komt te vervallen en een signaleringsplan hiervoor in de plaats zal worden gesteld”.
ex nuncen
ex tunc) die in het middelonderdeel wordt bepleit. Uit rov. 4.4 blijkt voldoende op welke gronden de rechtbank tot haar oordeel is gekomen dat toepassing van dwangbehandeling met medicatie noodzakelijk “was en is”. De rechtbank heeft in rov. 4.4 vastgesteld dat betrokkene lijdt aan een stoornis van de geestvermogens (chronische schizofrenie, paranoïde type), waarbij betrokkene regelmatig [13] een psychotische episode heeft. Ter onderbouwing van dat feitelijke oordeel heeft de rechtbank in het bijzonder gewezen op (a) de omstandigheid dat bij de diverse gedwongen opnamen van betrokkene telkenmale de diagnose psychotische stoornis is gesteld, laatstelijk bij de op 16 mei 2017 verleende machtiging tot voortgezet verblijf; (b) de ervaringen in het verleden: zodra betrokkene stopte met de medicatie trad binnen enkele maanden weer een recidief psychose op, waarna zij weer moest worden opgenomen; (c) deze stoornis is ter zitting van de rechtbank bevestigd door de behandelend arts (psychiater in opleiding [betrokkene 3] ); (d) het oordeel van de deskundige [betrokkene 2] , voor zover dit luidt: