Conclusie
1.Feiten
“naar binnen gehaald met een scherp tarief”. [8]
“nog sterker focussen op bedrijven en organisaties die behoefte hebben aan handelsfinanciering, ondersteuning voor internationaal betalingsverkeer en andere hoogwaardige financiële vraagstukken.” [13]
2.Procesverloop
primair: een verklaring voor recht dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om [verweerster] de aflossingsvergoeding te laten betalen (op voet van art. 4.1 jo. art 4.2 Algemene Bepalingen);
geheleaflossingsvergoeding te laten betalen. De reconventionele vordering van Deutsche is toegewezen tot de helft van de aflossingsvergoeding, zijnde € 161.537, op de grond dat “
[verweerster] er ook onder gelijkblijvende omstandigheden niet zonder meer vanuit [mocht] gaan dat Deutsche Bank hem desgewenst steeds (nader) krediet zou blijven verstrekken.” [25] Het vonnis is niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard. [26]
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Stichting Hermitage [29] gaat het in deze zaak om de vraag of het hof tot het oordeel heeft kunnen komen dat het vragen van nakoming van een contractuele bepaling naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, zoals bedoeld in art. 6:248 lid 2 BW Pro. De partij die zich daarop beroept ( [verweerster] ), is zelf de partij die de contractuele relatie heeft beëindigd. In dat opzicht bestaat er een feitelijk verschil met het ‘klassieke geval’ waarin een bank een kredietovereenkomst beëindigt. [30] Zwaarwegende omstandigheid in deze zaak is dat de bank eenzijdig te kennen had gegeven haar dienstverlening aan MKB-klanten als [verweerster] te zullen afbouwen.
“eerder aan een bepaling mag worden gederogeerd naarmate zij meer algemeen van karakter is, zoals een algemene voorwaarde in verhouding tot een met het oog op het specifieke contract opgesteld beding”. Volgens het subonderdeel komt het hof
“mede daarvan uitgaande”in rov. 3.4 en 3.5 tot het oordeel dat het beroep van Deutsche op art. 4 Algemene Pro Bepalingen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Voor het antwoord op de vraag of op grond van redelijkheid en billijkheid eerder mag worden gederogeerd aan een bepaling van een (meer) algemeen karakter zijn volgens het subonderdeel ook andere omstandigheden van belang, zoals de aard, de functie en de gangbaarheid of gebruikelijkheid van een beding in algemene voorwaarden. Het hof heeft volgens Deutsche geen kenbare betekenis toegekend aan haar stelling dat art. 4 van Pro de Algemene Bepalingen een gangbaar beding is, terwijl het hof voornoemd uitgangspunt “
klaarblijkelijk wel heeft laten meewegen bij zijn toetsing van het beroep van Deutsche op het beding aan art. 6:248 lid Pro BW.”
“noodzakelijke gevolg”is geweest van de eenzijdige beslissing van Deutsche om de relatie met [verweerster] “
niet te willen voortzetten op een wijze waarbij verdere groei en daarmee de continuïteit van [verweerster] zouden zijn gewaarborgd.” (rov. 3.5).
breakfunding costs) [35] en - mede daarom - geen rekening heeft gehouden met de belangen van Deutsche gaat niet op omdat het hof wel degelijk die belangen in ogenschouw heeft genomen. In het oordeel dat Deutsche’s handelswijze “
niet valt te rijmen met de zorgvuldigheid die zij op grond van artikel 2 van Pro de ABV in acht diende te nemen” ligt besloten dat het hof voldoende (duidelijk) het belang van Deutsche (bij het verkrijgen van de aflossingsvergoeding) in zijn afweging heeft betrokken. Het hof heeft echter geoordeeld dat aan dat belang in verhouding tot de belangen van [verweerster] onvoldoende gewicht toekwam. [36] Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de bij de toetsing aan art. 6:248 lid 2 BW Pro in aanmerking te nemen omstandigheden; het oordeel is bovendien toereikend gemotiveerd en niet onbegrijpelijk.
“in onderdelen 2 en 3 uiteengezette context”, heeft klaarblijkelijk betrekking op de stelling dat de afwijzing van de kredietaanvraag op 6 augustus 2013 was ingegeven door enerzijds een vertrouwensbreuk en anderzijds een krediettechnische toetsing (zie ook hierna, subonderdeel 2.2). Daargelaten dat beide gronden niet met zo veel woorden zijn terug te vinden in het e-mailbericht van 6 augustus 2013 waarbij de kredietaanvraag is afgewezen (zie hiervoor, 1.21), doet de aanwezigheid van een of meer (gestelde) legitieme redenen voor die weigering niet ter zake voor de centrale vraag of het hof op juiste wijze aan art. 6:248 BW Pro heeft getoetst. Die afwijzing kwam immers nà de beslissing van [verweerster] om over te stappen. Wanneer is geoordeeld dat die beslissing is ingegeven door feiten en omstandigheden die meebrengen dat de aanspraak op een aflossingsvergoeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, dan wijzigt die beoordeling niet als nadien het gevraagde krediet wordt geweigerd, ook niet als daar op zichzelf legitieme redenen voor bestaan.
“als gevolg van de strategische heroriëntatie en hetgeen daarover aan [haar] is medegedeeld en de weigering verder aanvullend krediet te verstrekken, genoodzaakt zou zijn in zijn geheel over te stappen naar een andere Bank.”Tevens komt het subonderdeel op tegen het oordeel dat de beslissing van [verweerster] , opnieuw in de woorden van het subonderdeel,
“om over te stappen het noodzakelijke gevolg [is] van de meegedeelde strategische heroriëntatie (en een vanwege die heroriëntatie verwachte weigering van het aanvullend krediet)”. Het subonderdeel wordt uitgewerkt in de subonderdelen 2.1.1-2.1.3. [38]
“niet, laat staan overwegend of uitsluitend, het gevolg kan zijn van de strategische heroriëntatie van Deutsche en haar mededelingen daarover”. Die klacht wordt nader onderbouwd aan de hand van vier omstandigheden, waaruit volgens Deutsche blijkt dat de kredietverstrekking aan [verweerster] niet zou worden uitgebreid: (i) de interne fiattering van kredietovereenkomst III; (ii) de aan [verweerster] gedane mededelingen dat (in beginsel) geen verdere kredieten zouden worden verleend; (iii) het houden van [verweerster] aan de overeengekomen kredietlimieten en -voorwaarden; en (iv) het feit dat [verweerster] , zonder Deutsche daarvan in kennis te stellen, de uitbreiding van het nieuwe koelhuis (aangeduid als ‘koelhuis 3’) had gerealiseerd.
subonderdeel 2.1.1aangehaalde stelling dat Deutsche reeds vóór (de mededeling van) de strategische heroriëntatie aan [verweerster] heeft laten weten dat zij in beginsel geen aanvullende financiering zou verstrekken is mijns inziens geen essentiële stelling. Ook indien deze stelling feitelijk juist zou zijn, dan staat zij namelijk - anders dan het subonderdeel voorstaat - niet in de weg aan het oordeel van het hof dat het besluit van [verweerster] om over te stappen naar ABN AMRO het noodzakelijke gevolg [40] is geweest van die strategische heroriëntatie. [41]
krediettechnischeredenen
in beginselgeen verdere financiering zou worden verstrekt, [42] betekent niet dat het indienen van een nieuwe financieringsaanvraag bij voorbaat zinloos moest worden geacht. Een dergelijke aanvraag dient op haar eigen merites te worden beoordeeld in het licht van de op dat moment voor [verweerster] geldende kredietsituatie en -risico’s. Derhalve kan uit bedoelde mededeling niet méér worden afgeleid dan dat [verweerster] (wist dat zij) later voor een benodigde aanvullende financiering
mogelijkterecht zou moeten bij een andere kredietverstrekker. [43] De mededeling noopte op zichzelf niet reeds tot een overstap naar een andere bank.
“ [verweerster] (…) met zoveel woorden [is] meegedeeld dat Deutsche Bank niet bereid was die aanvullende financiering te verstrekken.”
deze(latere) beslissing is ingegeven door de strategiewijziging en niet – anders dan de eerdere mededeling(en) – door krediettechnische overwegingen die mogelijk voordien al aan de orde waren, laat zij geen ruimte voor de verwachting dat, wanneer wél aan de financieringsvoorwaarden zou zijn voldaan, (alsnog) aanvullend krediet zou kunnen worden verkregen. Onder verwijzing naar de afhankelijkheid van [verweerster] van aanvullende financiering voor de langere termijn (en de overige consequenties van de strategiewijziging), heeft het hof kunnen oordelen dat het besluit van [verweerster] over te stappen het
noodzakelijkegevolg is geweest van de strategische heroriëntatie en kon het voorbijgaan aan de door het subonderdeel aangevoerde (niet-essentiële) stelling.
internefiattering voor kredietovereenkomst III. Niet valt in te zien hoe daaruit voor [verweerster] kenbaar zou moeten volgen dat Deutsche in beginsel geen aanvullend krediet wenste te verstrekken. Stelling (ii) vormt een herhaling van de hiervóór besproken ‘centrale’ stelling en heeft verder geen zelfstandige betekenis. Aan stelling (iv), ten slotte, mocht het hof voorbij gaan omdat deze ziet op de (on)bekendheid van Deutsche met de concrete uitbreidingsplannen en als zodanig geen verband houdt met de door Deutsche gedane mededeling dat zij de kredietrelatie niet wilde uitbreiden.
“Daarbij”is volgens het subonderdeel onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd, het oordeel in rov. 3.5 dat [verweerster] , in de woorden van het subonderdeel,
“voor [haar] continuïteit afhankelijk [zou] zijn van groei”.
“haar verdere groei en continuïteit geheel afhankelijk [was] van externe financiering”en voorts dat Deutsche
“in dit verband”onvoldoende heeft toegelicht en onderbouwd dat
“ [verweerster] geheel uit eigen middelen het eerste deel van het nieuwe koelhuis heeft gebouwd”. Hierin ligt besloten de verwerping van de stelling van Deutsche – tegen de achtergrond van haar betoog dat (het deel van) het koelhuis waarvoor aanvullende financiering was gevraagd door [verweerster] uit eigen middelen was gebouwd [44] – dat er geen noodzaak was tot verkrijging van het verzochte aanvullend krediet en dat [verweerster]
“daarvoor”geen deugdelijke onderbouwing zou hebben gegeven. Aldus oordelend heeft het hof wel degelijk op genoemde stelling gerespondeerd. [45]
ter waarborging van de continuïteit en groei nu juist was aangewezen op aanvullende financiering voor de langere termijn” niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.
tijdelijkeverhoging van haar rekening-courantkrediet is toegestaan (met de mogelijkheid tot verlenging) en dat de strategische heroriëntatie niet per definitie betekende dat ooit nog een nieuw krediet zou worden verstrekt aan MKB-klanten, doet niet af aan de overwegingen van het hof dat
“ [verweerster] ter waarborging van de continuïteit en groei nu juist was aangewezen op aanvullende financiering voor de langere termijn” en dat “
[verweerster] met zoveel woorden [is] meegedeeld dat Deutsche Bank niet bereid was die aanvullende financiering te verstrekken”. Dat verder krediet niet was uitgesloten en een tijdelijke verhoging van een rekeningcourantkrediet was toegestaan bood [verweerster] onvoldoende zekerheid dat zij voor de langere termijn de noodzakelijke financiering bij Deutsche zou kunnen verkrijgen. Dat het afbouwen en beëindigen van een kredietrelatie met juridische waarborgen is omgeven, zoals het subonderdeel nog stelt, maakt het voorgaande niet anders.
subonderdeel 2.2-Asamengebracht [48] tot de klacht dat het hof in rov. 3.5 niet tot het oordeel heeft kunnen komen dat de overstap van [verweerster] naar ABN AMRO geen eigen keuze is geweest, maar het noodzakelijke gevolg van de strategische heroriëntatie, gelet op enerzijds de stelling van Deutsche dat bij het aangaan van kredietovereenkomst III aan [verweerster] is medegedeeld dat in beginsel geen aanvullend krediet zou worden verstrekt en anderzijds het door Deutsche gevoerde betoog dat de weigering van de kredietaanvraag van eind mei 2013 niet was ingegeven door die heroriëntatie.
nade beslissing van [verweerster] om over te stappen naar ABN AMRO. Het hof mocht daarom zonder nadere motivering voorbijgaan aan de gronden voor de afwijzing van de kredietaanvraag.
“zelfs al zou de strategische heroriëntatie een rol hebben gespeeld in de afwijzing van bovengenoemde kredietaanvraag”, het hof alsnog de vijf genoemde stellingen (zie 3.3.16) in zijn toetsing aan de derogerende werking had moeten betrekken. Ervan uitgaande dat Deutsche de hiervoor genoemde tweeledige grond had om de kredietaanvraag te weigeren, zou [verweerster] ook zonder de strategische heroriëntatie het aanvullend krediet niet hebben gekregen en genoodzaakt zijn geweest haar leningen bij Deutsche vervroegd af te lossen. Daaraan voegt het subonderdeel toe dat [verweerster] destijds bij de overstap van Rabobank naar Deutsche aan Rabobank ook een beëindigingsvergoeding heeft betaald.
“temeer”onvoldoende gemotiveerd is, omdat het hof zonder motivering voorbij is gegaan aan het door Deutsche ingeroepen feit dat [verweerster] Deutsche niet correct heeft geïnformeerd in het kader van de kredietaanvraag van mei 2013 en oneigenlijke druk heeft uitgeoefend op Deutsche. Volgens het subonderdeel verzwaart dit het belang van bedoelde vertrouwensbreuk voor de toetsing van het beroep van [verweerster] op art. 6:248 lid 2 BW Pro.
“haar koelcapaciteit substantieel uit te breiden in de periode 2011 tot en met 2013”, maar heeft hiermee kennelijk – gelet op het (eveneens) algemene karakter van de daaraan voorafgaande vaststellingen [49] – niet méér op het oog gehad dan een algemene vooropstelling over het ontstaan van de financieringsbehoefte van [verweerster] . De overname door Deutsche van de kredietfaciliteiten van Rabobank markeert
het beginvan de (vaste) kredietrelatie tussen [verweerster] en Deutsche, zoals ook volgt uit rov. 2.7 van het bestreden arrest. Uit de eerder genoemde vooropstelling volgt niet dat het oordeel van het hof over het gerechtvaardigd vertrouwen bij [verweerster] concreet betrekking zou hebben op de aanbouw van het nieuwe koelhuis (‘koelhuis 3’) en de aankoop van de 6,8 ha grond. Het subonderdeel mist daarom feitelijke grondslag.
“verdere groei”– waaronder volgens het subonderdeel
“dus ook”‘koelhuis 3’ en de 6,8 ha grond – te financieren. Deze overweging bevat voorts
“geen gemotiveerde beslissing tegenover de (…) stelling van Deutsche dat bij de overgang naar Deutsche alleen een financieringsaanvraag voor koelhuis 2 voorlag”, aldus het subonderdeel.
“de eerste fase van het nieuwe koelhuis”), die in cassatie niet wordt bestreden, is geheel in lijn met de door de rechtbank op dit punt vastgestelde feiten (
“Koelhuis 2”). [50] Aangezien de bestreden overweging van het hof haar grondslag vindt in deze feitelijke vaststelling – en daar niet los gezien van kan worden – kan ook daarom niet worden aangenomen dat het hof het grievenstelstel zou hebben miskend door meer algemeen te spreken van
“verdere groei”. De klacht dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is omdat het geen gemotiveerde beslissing “
tegenover de onder 2.1 v. vermelde stelling” bevat, slaagt niet omdat de cassatiedagvaarding geen “
onder 2.1 v. vermelde stelling” bevat.
“temeer niet in het licht van het onder 2.1 aangehaalde betoog van Deutsche”.
“eerdere ‘krediettechnische’ afwegingen”.
uitsluitend dan wel overwegend” was gebaseerd op de strategische heroriëntatie.
“eerdere ‘krediettechnische’ afwegingen”die ten grondslag zouden hebben gelegen aan de beslissing om [verweerster] geen aanvullend krediet te verstrekken (vgl. subonderdeel 2.1.1).
“eerdere berichten”) aan [verweerster] was medegedeeld dat haar in beginsel geen aanvullend krediet zou worden verstrekt. De bewoordingen van het hof vertonen overigens sterke gelijkenis met de door Deutsche zelf in de gedingstukken gebezigde bewoordingen (m.n. dat
“in beginsel”geen aanvullende financiering zou worden verstrekt). Zo heeft Deutsche bij memorie van antwoord (onder 25) gesteld:
in beginsel negatiefstond tegenover een verdere uitbreiding van haar financiering. (…).” (cursivering toegevoegd; BJD)
in beginsel negatieftegenover de uitbreiding van het krediet stond. (…).” (cursivering toegevoegd; BJD)
“negatief stond tegenover”), maar gelet op de algemene context van rov. 2.15 is daarmee niet gezegd dat het hof heeft geoordeeld dat het beleid van Deutsche om [verweerster] geen aanvullend krediet te verstrekken “
uitsluitend dan wel overwegend was gebaseerd op de strategische heroriëntatie”.
“ [verweerster] geheel uit eigen middelen het eerste deel van het nieuwe koelhuis heeft gebouwd”. Subonderdeel 3.2 klaagt dat dit zelfde oordeel
“temeer”onvoldoende is gemotiveerd, omdat het hof eraan voorbij ziet dat de financieringsaanvraag van medio 2013 overwegend zag op de aankoop van 6,8 ha grond. Subonderdeel 3.3, ten slotte, omvat eenzelfde klacht als subonderdeel 2.6.
eerste klacht, dat genoemd oordeel onbegrijpelijk is omdat het hof, mede gelet op rov. 2.7 van het bestreden arrest, met
“het eerste deel van het nieuwe koelhuis”doelt op koelhuis 2. De door het hof verworpen stelling van Deutsche zag echter op koelhuis 3.
koelhuis 1(gebouwd in 2008, dus vóór de kredietovereenkomsten met Deutsche),
koelhuis 2(waarvoor Deutsche in 2011 het krediet van de Rabobank heeft overgenomen en aanvullende financiering heeft verstrekt) en
koelhuis 3(waarvoor [verweerster] eind mei 2013 een nieuwe financieringsaanvraag bij Deutsche heeft ingediend). [52] In hoger beroep heeft [verweerster] aangegeven dat de aanduidingen koelhuis 1, 2 en 3, de feitelijke situatie niet juist weergeven, nu er slechts sprake is van twee koelhuizen; een in 2008 tot koelhuis omgebouwde loods (
koelhuis 1) en een nieuw te bouwen koelhuis (
koelhuis 2), waarvan de bouw in twee fasen zou plaatsvinden. In hoger beroep worden de twee fasen door [verweerster] aangeduid als
“het eerste gedeelte van Koelhuis 2”respectievelijk
“het tweede deel”(dan wel
“de afbouw”,
“het achterste gedeelte”dan wel
“de aanbouw”) van koelhuis 2. [53] Het hof spreekt in navolging van [verweerster] van
“de eerste fase van het nieuwe koelhuis”(rov. 2.7) en
“de tweede fase van het nieuwe koelhuis”(rov. 2.15). Deutsche heeft in hoger beroep vastgehouden aan de benamingen koelhuis 1, 2 en 3.
tweedegedeelte van koelhuis 2 ( [verweerster] ) respectievelijk het
tweedegedeelte van het nieuwe koelhuis (hof), wordt door Deutsche (en de rechtbank) aangeduid als koelhuis
3. [54]
“het eerste deel van het nieuwe koelhuis”, dat niet correspondeert met het feit dat de door het hof verworpen stelling van Deutsche betrekking had op ‘koelhuis 3’, door het hof aangeduid als het
tweededeel van het nieuwe koelhuis. Dit maakt het oordeel van het hof – anders dan het subonderdeel voorstaat – echter nog niet onbegrijpelijk. Daartoe wijs ik op de overweging die het hof doet volgen op zijn bestreden oordeel (in rov. 3.4):
tweedegedeelte van het nieuwe koelhuis, maar zich kennelijk heeft verschreven. Mijns inziens is hier sprake van een kennelijke, en voor partijen kenbare, vergissing. De eerste klacht van subonderdeel 3.1 kan derhalve niet tot cassatie leiden.
tweede klachtvan subonderdeel 3.1 behelst de stelling dat het bestreden oordeel (inhoudende dat Deutsche onvoldoende heeft toegelicht en onderbouwd dat [verweerster] het bedoelde koelhuis geheel uit eigen middelen heeft gebouwd) in strijd is met art. 149 lid 1 Rv Pro dan wel onvoldoende is gemotiveerd. Het hof geeft er namelijk geen blijk van in zijn beoordeling te hebben betrokken dat [verweerster] ‘de buitenkant’ van ‘koelhuis 3’ reeds vóór de financieringsaanvraag van mei 2013 uit eigen middelen had gerealiseerd. [55] [verweerster] heeft dat zelf in hoger beroep ook toegegeven, aldus de klacht.
omdathet hof voornoemd feit niet in zijn bestreden oordeel zou hebben betrokken, stuit het namelijk reeds hierop af dat art. 149 lid 1 Rv Pro – voor zover hier van belang – alleen ertoe verplicht niet of niet voldoende betwiste feiten als vaststaand aan te nemen. Deze bepaling verplicht niet tot het betrekken van dergelijke vaststaande feiten in het rechterlijk oordeel. Ook overigens zie ik niet in waarom het bestreden oordeel, dat in wezen enkel de verwerping inhoudt van Deutsche’s stelling, in strijd zou zijn met art. 149 lid 1 Rv Pro.
geheeluit eigen middelen zou zijn gebouwd, is het tevergeefs voorgesteld. Het feit dat in het bestreden oordeel niet expliciet wordt genoemd dat ‘de buitenkant’ uit eigen middelen was gefinancierd, betekent nog niet dat het oordeel onvoldoende is gemotiveerd. Het subonderdeel licht ook niet toe waarom de verwerping van de stelling van Deutsche door het hof onvoldoende gemotiveerd zou zijn in het licht van het voornoemde feit c.q. waarom het hof dit feit expliciet in zijn oordeel had moeten betrekken. Overigens acht ik het oordeel van het hof dat Deutsche onvoldoende heeft toegelicht en onderbouwd dat [verweerster]
geheeluit eigen middelen het bedoelde koelhuis heeft gebouwd op zichzelf niet onbegrijpelijk in het licht van het feit dat enkel de bouw van een
deelvan dat koelhuis door [verweerster] uit eigen middelen was bekostigd. [57]
derde klachthoudt in dat het hof niet is ingegaan op de essentiële stelling van Deutsche dat voor de koelinstallatie en de koelcellen geen financiering nodig was, nu het hof
“uitsluitend oordeelt over het eerste deel van koelhuis 3”.
eerstedeel van koelhuis
3. De derde klacht van subonderdeel 3.1 kan derhalve niet slagen.
“temeer”onvoldoende gemotiveerd is, omdat het hof eraan voorbij ziet dat de financieringsaanvraag van medio 2013 overwegend zag op de aankoop van de 6,8 ha grond. Volgens het subonderdeel houdt dit
“geen verband met de in rov. 3.4, 1e en 2e zin, bedoelde, aan Deutsche volgens het hof bekende, groei en daarmee verband houdende (noodzakelijke) financiering van verdere koelruimte”. Het subonderdeel wijst daarbij eveneens op de in hoger beroep door Deutsche betrokken stelling dat de noodzaak van de aankoop van die grond voor de continuïteit van het bedrijf van [verweerster] niet valt in te zien, gelet op het feit dat de grond reeds in erfpacht was bij [verweerster] en de grondeigenaar (Mitros) niet in staat was de grond te verkopen.
subonderdeel 3.3faalt, nu dat uitgaat van het slagen (van één of meer klachten) van onderdeel 3.
uit hoofde van de door de Debiteur [ [verweerster] ] aan Begunstigde [Deutsche] verschuldigde vergoeding wegens vervroegde aflossing van een aantal geldleningen, de verschuldigdheid waarvan door Debiteur wordt betwist.” [58] Art. 2 van Pro de bankgarantie luidt – voor zover hier van belang – :
Indien [verweerster] in deze procedure in het gelijk wordt gesteld, zal de Bank een dergelijk verzoek niet kunnen indienen.” [59] (cursivering toegevoegd; BJD).
inhoudt dat de bankgarantie reeds moet worden geretourneerd voordat de afwijzing van de vordering van de Bank kracht van gewijsde heeft” –, het ook aan [verweerster] was om daartoe de nodige feiten en omstandigheden te stellen en, bij betwisting, te bewijzen. [verweerster] heeft te dien aanzien niets gesteld zodat het hof de vordering van [verweerster]
“mede in het licht van art. 24 en Pro 149 lid 1 Rv”niet kon toewijzen.
als[verweerster] het standpunt inneemt “
dat de bankgarantie reeds moet worden geretourneerd voordat de afwijzing van de vordering van de Bank kracht van gewijsde heeft”de stelplicht en bewijslast dan bij haar ligt. Anders dan het subonderdeel doet voorkomen, heeft [verweerster] dat een en ander echter niet gesteld, althans niet met zo veel woorden. In zoverre mist de klacht van Deutsche feitelijke grondslag. [62] Het is daarentegen Deutsche zelf die in hoger beroep heeft gesteld dat, ook als zij in het ongelijk zou worden gesteld, de bankgarantie in stand diende te blijven zolang
nietdefinitief, bij een in kracht van gewijsde gegaan arrest, in haar nadeel zou zijn beslist: [63]
onmiskenbaar” een beroep besloten liggen op een uitleg volgens welke de garantie in stand blijft zo lang er geen definitieve beslissing is ten nadele van de bank.
uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beslissing” voor inroepbaarheid van de bankgarantie (in art. 2 lid Pro 2, sub a; zie 3.5.2) vormt eerder een contra-indicatie: als een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beslissing in eerste aanleg volstaat voor het inroepen van de bankgarantie, kan zonder nadere toelichting (die ontbreekt) niet worden aangenomen dat partijen wél (impliciet) zijn overeengekomen dat de bankgarantie pas hoeft te worden geretourneerd als bij in kracht van gewijsde gegane beslissing is vastgesteld dat de vordering die door de garantie wordt gedekt, ongegrond is. Het hof mocht daarom in rov. 3.8 zonder nadere redengeving overwegen dat
“gesteld noch gebleken is dat partijen zijn overeengekomen dat de bankgarantie pas hoeft te worden geretourneerd als de afwijzing kracht van gewijsde heeft gekregen.”
Subonderdeel 4.2-Aklaagt dat de gegeven verklaring voor recht (i) onbegrijpelijk is, nu zij volledig ongemotiveerd is, (ii) rechtens onjuist is, althans nadere motivering behoefde (omdat met de afwijzing van de vordering van Deutsche jegens [verweerster] niet zonder meer is gezegd dat Deutsche geen rechten kan ontlenen aan de bankgarantie), en (iii) niet kan zien op de rechtsverhouding met een derde (ABN AMRO).
Subonderdeel 4.2-Bstelt ter bestrijding van genoemde verklaring voor recht eenzelfde rechtsklacht voor als subonderdeel 4.1. Voorts klaagt het subonderdeel dat het hof niet heeft gerespondeerd op de betwisting door Deutsche dat er
“een (in de bankgarantie overeengekomen) grond is (gesteld) om ABN AMRO van haar verplichtingen onder de bankgarantie ontslagen te achten.” Tot slot stelt het subonderdeel dat de tekst van de bankgarantie niet zou bepalen dat deze reeds bij een niet van kracht van gewijsde gegaan vonnis dient te worden geretourneerd.
subonderdeel 4.2-A. Het oordeel van het hof dat met afwijzing van de (incidentele) vordering van Deutsche tegen [verweerster] , Deutsche geen rechten kan ontlenen aan de bankgarantie is voldoende gemotiveerd. De motivering ligt besloten in rov. 3.8, waar de gevorderde verklaring voor recht en het gebod om de bankgarantie te retourneren centraal staan en het hof het betoog van Deutsche dat deze vorderingen niet toewijsbaar zijn, verwerpt.
op welke grondslag[verweerster] ABN AMRO in rechte had kunnen betrekken, nu zij met ABN AMRO geen geschil heeft. Een verplichting om de garanderende bank stelselmatig in rechte te betrekken zou ook zeer onpraktisch zijn. Dat [verweerster] het petitum mogelijk ook anders had kunnen formuleren wijzigt de beoordeling niet.
subonderdeel 4.2-Bopgeworpen rechtsklacht vormt in wezen een variatie op de rechtsklacht van subonderdeel 4.1, met dien verstande dat de onderhavige klacht is toegespitst op de verklaring voor recht dat Deutsche aan de bankgarantie geen rechten kan ontlenen. Het aangehaalde betoog is als zodanig niet door [verweerster] gevoerd. Derhalve faalt deze klacht bij gebrek aan feitelijke grondslag.
op grond waarvan ABN AMRO kan worden ontslagen uit haar verplichtingen onder de garantie.” [66] Het hof heeft in rov. 3.8 dit verweer aldus samengevat dat
“[ [verweerster] ] overigens de vorderingen niet heeft onderbouwd”. Vervolgens verwerpt het hof
“dit standpunt”. Het hof heeft daarmee, zij het summierlijk, gerespondeerd op genoemd verweer van Deutsche.