Conclusie
middelkomt met deelklachten op tegen de bewijsmotivering.
Parket bij de Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden, waarin verdachte is veroordeeld wegens medeplegen van witwassen van geldbedragen die afkomstig waren uit een misdrijf, namelijk oplichting van de gemeente Tiel. Het hof heeft vastgesteld dat verdachte in de periode mei tot oktober 2011 via een eigen opgericht bedrijf en bankrekening geldbedragen heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en omgezet, terwijl zij wist dat deze afkomstig waren uit enig misdrijf.
Verdachte voerde in cassatie aan dat zij slechts een faciliterende en ondergeschikte rol had en dat het hof ten onrechte medeplegen had aangenomen. De Hoge Raad oordeelt dat het hof terecht heeft geoordeeld dat voor witwassen geen wetenschap van het concrete gronddelict vereist is, maar slechts bewustzijn dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is. Het hof heeft op basis van verklaringen, onder meer van verdachte zelf, en andere bewijsmiddelen vastgesteld dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het geld uit een misdrijf kwam.
De Hoge Raad wijst de klachten over de bewijsmotivering af en bevestigt dat het hof voldoende gemotiveerd heeft waarom verdachte als medepleger is veroordeeld. Ook de klacht dat een bepaalde verklaring van verdachte niet zonder nadere motivering in de bewijsoverweging mocht worden betrokken, faalt. De conclusie van de Procureur-Generaal is dat het cassatieberoep moet worden verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van verdachte voor medeplegen van witwassen en verwerpt het cassatieberoep.