Conclusie
1.AstraZeneca B.V.,
Shionogi Seiyaka Kabushiki Kasiha,
Van Bentum/Kool [1] nog geldend recht is. Dat is een heikel twistpunt in de octrooipraktijk (en ook in deze zaak), die gebaat zou zijn bij duidelijkheid hierover.
uitgangpsuntis voor de bepaling van de beschermingsomvang, maar wel een
gezichtspuntis dat daarbij een rol kan spelen, geloof ik dat praktisch gesproken tot een stelsel gekomen kan worden dat dicht in de buurt komt van de afstandsleer: je kan volgens mij wel art. 69 EOV Pro-conform in het kader van het
gezichtspuntvan de
uitvindingsgedachtemee laten wegen of er volgens de gemiddelde vakman een intentie is geweest om de beschermingsomvang te beperken. Dat is op de keper beschouwd de methode die het hof heeft gehanteerd in het in onze zaak aangevallen arrest. Dit is een nuance anders dan de afstandsleer zoals we die kennen (geen aardverschuiving), maar zal in de praktijk qua uitkomst nogal eens overeenkomstige resultaten geven.
‘Rosuvastatinum, desgewenst in de vorm van een niet-toxisch farmaceutisch aanvaardbaar zout, in het bijzonder het calciumzout’. Het ABC, dat is gebaseerd op Europees octrooi 0 521 471 (hierna: EP 471 of het (basis)octrooi), is in exclusieve licentie gegeven aan Astrazeneca B.V. Zij verhandelt in Nederland rosuvastatine calcium onder de merknaam Crestor®. Astrazeneca B.V. is ook houdster van de marktvergunning voor Crestor® in Nederland. Het ABC expireert op 29 juni 2017, tenzij de aanvraag voor pediatrische verlenging van het ABC wordt verleend. In dat geval zal de duur van het ABC worden verlengd tot 29 december 2017.
‘Pyrimidine derivatives asHMG
-CoA reductase inhibitors’(in de niet-bestreden Nederlandse vertaling:
‘Pyrimidinederivaten als HMG-CoA-reductase-inhibitoren’). Het octrooi is verleend op 25 oktober 2000 op een aanvrage daartoe van 30 juni 1992, onder inroeping van prioriteit van 1 juli 1991 op basis van JP 18801591. Het octrooi, dat op 29 juni 2012 expireerde, was gedesigneerd voor onder meer Nederland. Tegen de verlening van het octrooi is geen oppositie ingesteld.
(‘salt screening’).
“a non-toxic pharmaceutically acceptable salt thereof”zou lezen in verbinding met de definitie die de uitvinding in paragraaf [0007] van de beschrijving eerder openbaart (en die ook al in de oorspronkelijke aanvrage voorkwam), te weten
“the term “a non-toxic pharmaceutically salt” refers to a salt in which the cation is an alkali metal ion, an alkaline earth metal ion, or an ammonium ion”en dit zou opvatten als een beperkende definitie en zou begrijpen dat de octrooihouder slechts die zouten onder bescherming heeft willen stellen voor gebruik met rosuvastatine (rov. 4.16 en 4.17). Het door AstraZeneca c.s. aangevoerde argument dat paragraaf [0007] van de beschrijving geen definitie zou bevatten maar gezien moet worden als een niet limitatieve opsomming heeft de rechtbank niet gevolgd (rov. 4.17-4.19). Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat andere zouten van rosuvastine dan het calcium- of natriumzout geen toegevoegde materie oplevert en het rosuvastatinezuur wel (rov. 4.21-4.29). De door Resolution gevorderde verklaring voor recht van niet-inbreuk is toegewezen.
5.Beoordeling
or a non-toxic pharmaceutically acceptable salt thereof’ in conclusie 1 van EP 471 moet worden uitgelegd. Het standpunt van Resolution dat Astrazeneca niet heeft gegriefd tegen r.o. 4.17 van het vonnis en dat tussen partijen vaststaat dat paragraaf 7 van de beschrijving een definitie geeft in de vorm van een limitatieve opsomming, wordt verworpen. In Grief II van Astrazeneca, gelezen in samenhang met paragrafen 35-39 van de appeldagvaarding, ligt besloten dat Astrazeneca tevens heeft gegriefd tegen de verwerping door de rechtbank van haar stelling dat paragraaf 7 van de beschrijving door de gemiddelde vakman zal worden gezien als een niet-limitatieve opsomming.
.” In overeenstemming met deze uitlegregel van het Protocol heeft de Hoge Raad de in zijn eerdere uitspraken gebezigde formuleringen, “hetgeen voor de uitvinding waarvan de bescherming wordt ingeroepen, wezenlijk is
”, onderscheidenlijk “de achter de woorden van die conclusies liggende uitvindingsgedachte
” bestempeld als gezichtspunt, tegenover de letterlijke tekst van de conclusies (de “uitersten” in de woorden van het Protocol) (vgl. HR 7 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3522, NJ 2007/466 en HR 25 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV3680, NJ 2013/68). Daarbij dient het achterhalen van de achter de woorden van de conclusies liggende uitvindingsgedachte ertoe een uitsluitend op de letterlijke betekenis van de bewoordingen gegronde en daarom voor een redelijke bescherming van de octrooihouder wellicht te beperkte of onnodig ruime uitleg te vermijden (vgl. HR 13 januari 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1609, NJ 1995/391). De beschrijving en de tekeningen vormen in dat kader een belangrijke bron. Van de beschrijving maakt onderdeel uit een weergave van de stand van de techniek die de aanvrager als nuttig beschouwt voor het begrijpen van de uitvinding (regel 42 van het uitvoeringsreglement bij het EOV). Ook niet in de beschrijving genoemde stand van de techniek kan van belang zijn. Bij de uitleg van een octrooi is immers leidend het perspectief van de gemiddelde vakman met zijn kennis van de stand van de techniek.
An integrated approach to the selection of optimal salt form for a new drug candidate, 1994 (van na de prioriteitsdatum)) komt geen ander beeld naar voren. Daarin werd een zoutenonderzoek gedaan – hoewel in een later stadium van het ontwikkelingsproces en op een meer gestructureerde manier opgezet dan de meer pragmatische benadering die gebruikelijk was – ook met (slechts) 7 verschillende zouten, waaronder de hiervoor genoemde. In de beschrijving is geen aanwijzing te vinden dat in dit geval, anders dan gebruikelijk, toch een uitputtend zoutenonderzoek was gedaan, op grond waarvan de octrooihouder een bewuste keuze voor specifiek alleen deze zouten zou hebben kunnen maken. Daarom zal de gemiddelde vakman niet aannemen dat zo’n uitputtend zoutenonderzoek aan paragraaf 7 ten grondslag lag en ook niet dat de octrooihouder met deze paragraaf, niettegenstaande de bewoordingen van conclusie 1 waarin geen beperking ten aanzien van het soort zout is opgenomen (anders dan de gebruikelijke dat het zout niet-toxisch en farmaceutisch aanvaardbaar dient te zijn), heeft beoogd alleen deze zouten voor gebruik met rosuvastatine onder bescherming te stellen.
or a non-toxic pharmaceutically acceptable salt thereof’. Zoals volgt uit hetgeen hiervoor in r.o. 5.11 is overwogen is het uitgangspunt niet dat eerst paragraaf 7 in de conclusie moet worden ingelezen om vervolgens die aldus beperkte conclusie uit te leggen, waar Resolution kennelijk en ten onrechte vanuit gaat.
hydrogen, lower alkyl, or a cation capable of forming a non-toxic pharmaceutically acceptable salt’.
not to be considered as limiting). Natrium en calcium behoren tot de meest gebruikte zouten voor farmaceutische preparaten in zoutvorm en de aanvrage geeft de gemiddelde vakman geen aanleiding te veronderstellen dat er enige specifieke reden is om voor deze zouten te kiezen. De gemiddelde vakman begrijpt daarom dat hij verder kan variëren op de R4 positie met een van de andere genoemde ionen zonder dat dit van invloed is op de biologische activiteit van het expliciet geopenbaarde rosuvastatine. Uit hetgeen hiervoor ter zake de uitleg van conclusie 1 is overwogen volgt dat het hof, anders dan de rechtbank, van oordeel is dat de gemiddelde vakman het waterstof-ion en alle kationen die een niet-toxisch farmaceutisch aanvaardbaar zout opleveren voor ogen heeft en niet alleen die genoemd op pagina 2 regels 42-45 van de aanvrage (die overeenkomt met paragraaf 7 van het octrooischrift).
Pharmaceutical Salts, Journal of Pharmaceutical Sciences, Vol. 66, 1) waarin, niet specifiek ten aanzien van statines, is opgemerkt dat ‘
most organic acids and bases are only poorly soluable in H2O’. Dit is evenwel onvoldoende, mede in het licht van de stelling van Astrazeneca, onder verwijzing naar verklaringen van haar partij-deskundigen [S] (3e verklaring par. 3-8 en de daarin genoemde publicatie van T.M. Serajuddin over verschillende statines (
Journal of Pharmaceutical Sciences, Vol. 80, 9), waarin is geopenbaard dat polaire statines zoals rosuvastatine als vrij zuur redelijk goed oplosbaar zijn) en [F] (1e verklaring par. 6-11 ), dat de gemiddelde vakman het vrije zuur en een zout als vrijwel gelijk zal beschouwen. Dat conclusie 1 nawerkbaar is heeft Resolution ook niet bestreden.
2.Beoordeling van het cassatieberoep
“or a non-toxic pharmaceutically acceptable salt thereof” (in de onbestreden Nederlandse vertaling: “of een niet-toxisch farmaceutisch aanvaardbaar zout daarvan”) aldus wordt uitgelegd dat de beschermingsomvang ervan zich (naast het rosuvastatinezuur) uitstrekt tot alle niet-toxische farmaceutisch aanvaardbare zouten van rosuvastatine, ook die niet genoemd zijn in paragraaf 7 van de beschrijving.
onderdeel 2wordt geklaagd over het oordeel dat de gemiddelde vakman paragraaf 7 van de beschrijving niet als een definitie in de vorm van een limitatieve opsomming van dit conclusiekenmerk zou opvatten (de “eigen lexicon”-problematiek) en hoe de uitvindingsgedachte behoort te worden gehanteerd in het licht van art. 69 EOV Pro en het Protocol.
onderdeel 3heeft het hof een onjuiste, met art. 69 lid 1 EOV Pro strijdige uitlegmethode gehanteerd door de letterlijke tekst van de conclusies tot uitgangspunt te nemen om vervolgens aan de hand van de beschrijving te onderzoeken of de octrooihouder afstand van bescherming heeft gedaan. Voor de afstandsleer is geen plaats meer en het onderdeel vervolgt met motiveringsklachten tegen het oordeel van het hof over de niet limitatieve werking van paragraaf 7 van de beschrijving aangenomen op andere gronden dan de afstandsleer.
onder 1.3geklaagd dat het partijdebat en de appeldagvaarding geen andere conclusie toelaten dan dat AstraZeneca c.s. niet zijn opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank in rov. 4.16 en 4.17. Volgens het onderdeel zijn AstraZeneca c.s. wel opgekomen tegen het rechtbankoordeel in rov. 4.19 (de afwijzing van het verweer dat geen goede grond bestaat dat de octrooihouder afstand heeft gedaan van andere zouten dan die geopenbaard in de beschrijving onder 7), maar hebben zij het in rov. 4.17 verworpen verweer (dat de zoutenopsomming onder 7 van de beschrijving niet limitatief is) niet opnieuw gevoerd, wat Resolution bij MvA 9 uitdrukkelijk heeft geconstateerd, hetgeen vervolgens bij pleidooi niet is weersproken, waardoor AstraZeneca c.s. hebben geaccepteerd dat paragraaf 7 een definitie bevat in de vorm van een limitatieve opsomming.
onder 1.4is dat voor zover het hof heeft geoordeeld dat als grief tegen rov. 4.16-4.17 kan worden begrepen de enkele stelling van AstraZeneca c.s. dat wat de rechtbank in rov. 4.13-4.20 overweegt onjuist is, er is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting en/althans het oordeel onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd. Dan heeft het hof volgens de klacht miskend dat de gronden waarop het rechtbankoordeel moet worden vernietigd behoorlijk naar voren moeten worden gebracht, zodat zij voor de appelrechter en de wederpartij, die moet weten waartegen zij zich heeft te verweren, voldoende kenbaar zijn.
subonderdeel 1.5een ontoelaatbare verrassingsbeslissing gegeven, nu Resolution ervan uitging dat de rechtsstrijd op dit punt niet meer open lag en gezien het partijdebat daarvan ook mocht uitgaan.
rechtsklachten van onderdeel 1stranden daar al op.
nietalle mogelijke zouten zal screenen (was dat gebeurd dan was zink wel opgenomen). Kortom, hij realiseert zich dat het daar gaat om een zinvolle specificatie van zouten die werken maar hij kan daar onmogelijk uit afleiden, met name gezien de uitvindingsgedachte én de formulering van conclusie 1, dat
anderegeschikte zouten niet worden geclaimd maar dat daar afstand van is gedaan. Daar is geen enkele “goede grond” voor te vinden.”
onder 1.3 en 1.5lopen daarop al stuk.
onder 1.4faalt volgens mij bij gebrek aan feitelijke grondslag, omdat het hof niet de enkele stelling van AstraZeneca c.s. dat hetgeen de rechtbank in rov. 4.13-4.20 overweegt onjuist is (appeldagvaarding onder 24) als grief tegen rov. 4.16-4.17 heeft aangemerkt, maar hiertoe ook nrs. 35-39 van de appeldagvaarding van belang achtte, zo volgt uit rov. 5.1.
onderdeel 1.
Bayer/Sandoz-zaak [10] , het midden houdt tussen de te beperkte letterlijke conclusietekst-benadering en de te ruime pure uitvindingsgedachte-benadering. Daarbij wordt de constructie gehanteerd dat de tekst van de conclusies wordt gelezen door de gemiddelde vakman (de octrooirechtelijke maatman), met medebrenging van zijn algemene vakkennis, in het licht van de beschrijving en de tekeningen [11] (in de wandeling wel contextgebonden of contextuele uitleg genoemd in de gespecialiseerde lagere Haagse octrooirechtspraak [12] ). Uw Raad heeft in rov. 3.3.5 van dit arrest een overzicht gegeven van de rechtspraak van de Hoge Raad over art. 69 EOV Pro en het Protocol en recentelijk naar dat overzicht verwezen in de zaak
MSD/Teva [13] .
Bayer/Sandoz-zaak voorop (in rov. 3.3.3) dat volgens vaste rechtspraak (onder verwijzing naar
Lely/Delaval [14] ) de uitleg van octrooien zozeer verweven is met waarderingen van feitelijke aard dat deze daarom in cassatie slechts beperkt toetsbaar is. Vervolgens wordt de uitlegregel zo geformuleerd en geduid:
Van Bentum/Kool(voortbouwend op
Meyn/Stork), de zogenoemde afstandsleer als volgt omschreven:
NJ1995, 391 heeft de Hoge Raad een, ten opzichte van het arrest van 27 januari 1989, nr. 13394,
NJ1989, 506, nadere beschouwing gewijd aan de door de rechter bij de uitleg van de conclusies van een octrooischrift te hanteren maatstaven. Naast het daar met name in rov. 3.3.1 en 3.4.1 overwogene is voor deze uitleg hier voorts van belang de in laatstgenoemd arrest aanvaarde regel dat de gemiddelde vakman slechts dan mag aannemen dat afstand is gedaan van een gedeelte van de bescherming waarop het octrooi
naar het wezen van de uitvindingaanspraak geeft indien daartoe, gelet op de inhoud van het octrooischrift in het licht van eventuele andere bekende gegevens, zoals de ook voor hen kenbare gegevens uit het octrooiverleningsdossier, goede grond bestaat.” [Onderstreping A-G]
oudewezens-leer (ingezet door Uw Raad in 1930 [18] ), die inmiddels gelet op art. 69 EOV Pro en het Protocol (terecht) is verlaten [19] . Dat het wezen als primair focuspunt voor bepaling van de beschermingsomvang echt op z’n retour was, is eigenlijk pas voor het eerst kenbaar in
PCT/Dieseko [20] , met een vervolg in
Lely/Delaval.Deze rechtspraak uit 2004 en 2007 dateert dus van na
Van Bentum/Kool(2002)
.
Bayer/Sandozal kort heb aangestipt [21] , ben ik van mening dat bij het vaststellen van de beschermingsomvang conform de uitlegregel van art. 69 EOV Pro er voor een afstandsleer à la
Van Bentum/Koolgeen plaats meer is [22] . De vraag of dat veel praktische betekenis heeft is legitiem, omdat ik wel mogelijk acht dat bij een uitleg in lijn met art. 69 EOV Pro en het Protocol een rol speelt of er volgens de gemiddelde vakman
bewustvoor is gekozen om de beschermingsomvang te beperken, te weten in het kader van het
gezichtspuntvan de uitvindingsgedachte, zoals ik hierna zal uitwerken [23] . Het is wel een systematisch duidelijk ander kader, omdat afstand van recht uit zijn aard minder snel wordt aangenomen.
Bayer/Sandozis dat leerstuk voor Nederland als sluitstuk van een reeks arresten nu wel zo langzamerhand uitgekristalliseerd. Het is een flexibel en pragmatisch stelsel met hantering van de uitvindingsgedachte als gezichtspunt (niet: uitgangspunt), waar wij volgens mij in de praktijk goed mee vooruit kunnen en dat in mijn optiek niet wezenlijk verschilt van de opvattingen in (inmiddels) Engeland en Duitsland. Het is volgens mij ook een passend stelsel om het probleem van de afstandsleer op te lossen. Daar komen wij nu aan toe.
Bayer/Sandozis in de literatuur wel afgeleid dat Uw Raad op de afstandsleer uit het
Van Bentum/Kool-arrest is teruggekomen [31] :
Meyn/Stork [35] )niet goed past in het systeem van art. 69 EOV Pro en het Protocol. Dit systeem leunt er immers (in vergelijking met de oude Nederlandse leer van het wezen van de uitvinding) sterk op dat de beschermingsomvang
kenbaarmoet zijn uit de conclusies van het octrooischrift, de beschrijving en de tekeningen (art. 69 lid 1 EOV Pro). Ook bij het vaststellen van de uitvindingsgedachte is die
kenbaarheid(voor derden) van belang, hetgeen blijkt uit art. 1 van Pro het Protocol (“naar het oordeel van de deskundige die beschrijving en de tekeningen bestudeert”) en rov. 3.5 van het
Bayer/Sandoz-arrest waar wordt benadrukt dat bij het bepalen van de uitvindingsgedachte de beschrijving en de tekeningen een belangrijke bron vormen.
beperkt. Hermans en De Lange formuleren dit zo in Kort Begrip: Dit past niet binnen het uniforme karakter van het Europese octrooirecht en deze afstandsleer lijkt achterhaald nu bij de uitleg van conclusies het wezen van de uitvinding slechts een gezichtspunt is in plaats van uitgangspunt [36] .
rol voor de uitvindingsgedachtekan worden gezien, zijn te vinden (maar ik realiseer mij dat de hoofdlijn daar toch echt is dat “Patentansprüche” prominent(er soms dan in Nederland) “voorrang” hebben, zoals dat daar heet): bij het beoordelen van de beschermingsomvang moet worden meegewogen
wat de objectieve bedoeling van de uitvinding is. Bij het vinden van een evenwicht tussen billijke bescherming van de octrooihouder (“angemessener Schutz” – “fair protection”) en een redelijke rechtszekerheid voor derden (“ausreichende Rechtssicherheit für Dritte” – “reasonable degree of certainty”) vindt men bijvoorbeeld dit bij Rinken in de laatste druk van Schulte van dit jaar [40] :
Angemessener Schutz(
fair protection) für den Patentinhaber ist gewährleistet, wenn ihm der
gerechte Lohn für die Offenbarungseiner Erfindung gewährt wird. Das ist der Fall, wenn die unter Schutz gestellte Erfindung gegen jede Nachahmung geschützt wird. Dabei kann die
objektive Bedeutung der Erfindungnicht auβer Betracht bleiben; dh der Umfang des Schutzbereich wird sich nach dem
Ausmaβ der objektiven Bereicherungder Technik richten, soweit diese im Patentanspruch unter Schutz gestellt ist. Dagegen is die Intensität der persönlichen Anstrengung, der Fleiβ der Erfinders belanglos, da das Patent nicht den
Der Erfindungsgedanke muss unter Ermittlung von Aufgabe und Lösung, wie sie sich aus dem Patent ergeben, bestimmt werden, wobei auf den technischen Sinn der in der Patentschrift benutzten Worte und Begriffe auzustellen ist und dabei insbesondere dietechnische zweckgerichtete Bedeutungeines Merkmals zu analysieren ist.”
im Lichte der in der Patentschrift offenbarten Lehreauszulegen. Dies bedeutet, dass dann, wenn die verwendeten technischen Begriffe vom allgemeinen (technischen) Sprachgebrauch abweichen, letztlich nur der aus der Patenschrift sich ergebende Begriffsinhalt massgeblich ist. Die Rechtsprechung spricht insoweit anschaulich davon, dass Patentschriften im Hinblcik auf die dort gebrauchten Begriffe gleichsam
ihr eigenes Lexikondarstellen. (...)” [Onderstreping A-G]
Lagerregal[Fn. 57: 9.12.2008 GRUR 2009, 390, 391] stellt der BGH ausdrücklich klar, dass das Fehlen einer sonst nirgends thematisierten Stütze in den Zeichnungen
für sich genommen nicht darauf schliessen lässt,das Fehlen der Stütze sei ein negatives Merkmal des patentgemässen Gestells – und dessen Ausführung
mitStütze folglich nicht patentgemäss. Wollte man ein negatives Patentmerkmal annehmen, bedürfe es vilemehr weiterer Anhaltspunkte.
ausdrücklichen Schutzbegrenzungen,gleichgültig ob nach dem SdT gebten oder nicht. Sie bestimmen den Schutzbereich des Patents und rubrizieren gewöhnlich als Verzichte oder Beschränkungen.
Preu,GRUR 1980, 693 und 1985, 731;
Benkard/Scharen§ 14 PatG Rn. 119;
Bossung,FS Preu (1988), 219, 232 f.; grundsätzlich auch
Schmieder,GRUR 1978, 564;
Busse/Keukenschrijver,§ 14 PatG Rn. 49;
v. Falck,GRUR-FS, 543, 556 Rn. 13.] (...)” [43]
purpose construction”-benadering uit
Kirin-Amgenuit 2004 afgezworen. Het is een zaak over equivalentie, waarin een
Swiss-type claimvoor gebruik van permetrexed di-natrium zout zo is uitgelegd in hoogste instantie, dat ook di-kaliumzouten en het vrije zuur van permetrexed onder de beschermingsomvang vallen. Ik wijs op deze passages uit de
leading speechvan Lord Neuberger [45] :
but also considering the extent if any to which the scope of protection afforded by the claim should extend beyond that meaning. As Sir Hugh Laddie wrote in his instructive article
Kirin-Amgen - The End of Equivalents in England?(2009) 40 IIC 3, para 68, “[t]he Protocol is not concerned with the rules of construction of claims” but with “determining the scope of protection. (…)
the suggestion confuses the disclosure of the specification of a patent with the scope of protection afforded by its claims. Particularly given the facts set out in para 25 above[
sc.feitelijke vaststelling in eerste aanleg over de algemene vakkennis van de gemiddelde vakman in 2001/2002 over zouten, A-G],
it seems to me very unlikely that the notional addressee would have concluded that the patentee could have intended to exclude any pemetrexed salts other than pemetrexed disodium, or indeed pemetrexed free acid, from the scope of protection.”
duidelijkis dat een in (de conclusies van) het octrooi opgenomen beperking niet in lijn is met de uitvindingsgedachte, kan het gezichtpunt van de uitvindingsgedachte corrigerend werken, namelijk indien voor die vakman duidelijk is dat niet bewust voor een beperkte bescherming is gekozen. Er wordt dan zowel een billijke bescherming geboden aan de octrooihouder als een redelijke rechtszekerheid voor derden conform art. 1 van Pro het Protocol. Dat komt volgens mij neer op een veel minder rigide beschouwingswijze dan de afstandsleer zoals wij die kennen uit
Van Bentum/Kool.
protected inventive achiementin de ogen van de gemiddelde vakman behebt met zijn algemene vakkennis bij de bepaling van de beschermingsomvang:
supranote 2, Art. 1.]. Therefore, it is the task of the courts to find criteria for the determination of the scope of protection which reconcile both demands.
id.(mentioning explicitly the ‘consideration of the description and drawings by a
person skilled in the art’(emphasis added))].
The scope of the patent is determined by this person’s conclusions. It extends to any variant that is made obvious by the claim to the person skilled in the art[footnote 19: BGH 14-06-88, Case No. X ZR5/87 –
Ionenanalyse,22 IIC 249.]. On the one hand, this has the effect that the scope of the patent is proportionate to all subject-matter that can be done or carried out by the person skilled in the art,
on the basis of the protected inventive achievement, without being inventive himself (to meet demand for fair protection). On the other hand, this extent of protection is (almost) becoming predictable by focusing on subject-matter, which is recognizable by a person skilled in the art, as being part of the protection conferred by the patent (to meet demand for legal certainty).” [onderstrepingen A-G]
purposive construction-model uit Engeland):
UKHL46 (
Kirin-Amgen Inc/Hoechst Marion Roussel Ltd). (...)]. Het gaat er daarbij om hoe de vakman de conclusies begrijpt. Daarbij moet worden meegenomen zijn algemene vakkennis op de aanvraagdatum [voetnoot 235: Voor een recent voorbeeld waarin ook andere elementen werden meegenomen bij het bepalen van de beschermingsomvang: Hof Den Haag 16 febr. 2016 (
Astrazeneca en Shionogi/Resolution).
BIE2016/2, p. 139 met kritische noot Reeskamp.]”
purposive construction-leer:
Kirin-Amgenen BGH-rechtspraak waaruit zou volgen dat daar bij de tekst van de conclusies wordt gebleven.
Bayer/Sandozen de daar genoemde andere schrijvers van de lijn-Brinkhof) bepleiten en ook Resolution lijkt te betogen, dient volgens mij een achteraf bezien niet optimaal geredigeerd octrooi dus
niet altijd zonder meervoor rekening en risico van de octrooihouder te komen (ook niet als “de fout” voorzienbaar was [51] ). In het geval voor de gemiddelde vakman namelijk
duidelijkis dat een in (de conclusies van) het octrooi opgenomen beperking niet in lijn is met de uitvindingsgedachte (zonder dat daarvoor een in de totstandkomingsgeschiedenis aan te wijzen oorzaak is te onderkennen, die dit weer anders maakt; vgl. het hierna volgende “afsplitsingsvoorbeeld” van A-G Huydecoper in 2.28) – en er dus, zo is dan de onderliggende gedachte, een redelijke rechtszekerheid voor derden aanwezig is, juist omdat dit voor de vakman helder is – brengt een adequate bescherming van de octrooihouder volgens mij mee dat deze niet aan de (duidelijk niet bedoelde) beperking is gebonden. Dat wordt wel zo geformuleerd dat de verdienste van de uitvinding in beginsel richtinggevend zou moeten zijn voor de beschermingsomvang [52] . Dat hierbij voorzichtigheid geboden is, behoeft wel geen nader betoog.
disclosed but not claimed is disclaimed– zo die zou zijn aanvaard door Uw Raad
als algemene regelin rov. 3.4.2 uit
Bayer/Sandozover equivalentie (wat ik niet denk, toegespitst als dat was op het specifieke geval [53] ).
duidelijkis dat er kennelijk welbewust is gekozen om ondanks een ruimere openbaring in het octrooischrift voor een beperktere bescherming te opteren. Doorgaans zal dat de route zijn.
disclosed but not claimed is not claimedniet ook soms het gezichtspunt van de uitvindingsgedachte moeten “winnen” in de ogen van de vakman – bijvoorbeeld als in beschrijving en tekeningen heel
duidelijkwordt voor de gemiddelde vakman dat wat daar “disclosed” wordt onder de beoogde bescherming valt, maar per abuis niet in de conclusie staat? Of gaat dát dan weer te ver gelet op art. 69 EOV Pro?
AGA/Occlutech [54] onder 22, 3e liggende streepje gegeven voorbeeld van een na afsplitsing van een aanvrage “onhandig” aangepaste beschrijving met als resultaat dat de in de inleidende delen van de beschrijving uiteengezette uitvinding in bepaalde opzichten een wezenlijk ander beeld is gaan oproepen dan hetgeen is neergelegd in de (gewijzigde) conclusies. Bij zo’n octrooi de uitvindingsgedachte achterhalen en dan meer bescherming claimen dan uit de conclusietekst volgt is geen heilzame weg – maar je zou dan ook kunnen zeggen dat er hier geen sprake is van de vereiste
duidelijkheidvoor de vakman in de hiervoor bedoelde zin.
gebrek aan duidelijkheidvoor de vakman ten nadele van de octrooihouder moet worden uitgelegd [56] . Telkens zal de feitenrechter als “countercheck” het oog moeten houden op de rechtszekerheid voor derden bij de hier aan de orde zijnde exercities.
subonderdeel 2.2de rechtsklacht dat het hof in rov. 5.10-5.25 (en m.n. rov. 5.11 en 5.24) heeft miskend dat als in de beschrijving van een octrooi een nadere definitie wordt gegeven van een conclusiekenmerk, dat kenmerk die nader gedefinieerde betekenis heeft, ook al lijkt het conclusiekenmerk op zichzelf (naar de letter) een andere, ruimere of beperktere betekenis te hebben. Volgens de klacht is dat vaste rechtspraak van de Technische Kamers van Beroep van het Europees Octrooibureau (eigen lexicon-leer). Het negeren of weginterpreteren van zo’n nadere definitie in de beschrijving heeft hetzelfde effect als het negeren of weginterpreteren van een beperking van het conclusiekenmerk zelf.
in het licht vanonder meer de
gehelebeschrijving. Dan kan het zijn dat voor de vakman duidelijk is dat sprake is van een “eigen lexicon”, maar dat is niet dwingend in alle gevallen zo [60] .
in zijn geheeldient te lezen, zoals AstraZeneca c.s. terecht hebben aangevoerd (zie ook rov. 5.11 van het bestreden arrest; “in de context van de hele beschrijving”), zodat niet alleen (in ons geval) paragraaf 7 daarvan (zonder meer) beslissend is voor de beschermingsomvang. Ook dat miskent deze klacht.
Spannschraube [62] ,maar dat kan haar niet baten. Deze rechtspraak bevestigt juist dat niet
alleengekeken moet worden naar zo’n nadere definitie in de beschrijving, maar dat de rest van de beschrijving en de algemene vakkennis van de gemiddelde vakman daarbij mede in aanmerking moeten worden genomen (zoals het hof in onze zaak heeft gedaan, vgl. rov. 5.11) [63] .
T 312/94,the board held that for the interpretation of any document, in particular a patent application or patent, in order to determine its true meaning and thus its content and disclosure, no part of such a document should be construed in isolation from the remainder of the document: on the contrary, each part of such a document had to be construed in the
context of the contents of the document as a whole. Thus, even though a part of a document appeared to have a particular meaning when interpreted literally and in isolation from the remainder of the document, the true meaning of that part of the document could be different having regard to the remainder of the document (see also
T 546/07,
T 860/06,
T 456/10).”
Spannschraube):
subonderdeel 2.3.1voert aan dat de tekst van paragraaf 7 van de beschrijving limitatief bedoeld is gelet op andere niet-limitatieve opsommingen elders in de beschrijving met bijvoorbeeld de toevoeging “
and the like”, of de omschrijving “
examples” van term X zijn Y en Z, of dat het moet gaan om “
preferred substituents”, waar het hof ongemotiveerd aan voorbij zou zijn gegaan.
subonderdeel 2.3.2gaat rov. 5.11, 1e volzin, uit van een onbegrijpelijk beperkte lezing van Resolutions stellingen, omdat zij niet heeft gesteld dat
iederenadere omschrijving van een octrooiconclusie altijd limitatief moet worden opgevat (zoals bij die met de toevoeging
“and the like”); zij heeft alleen gesteld dat paragraaf 7 een limitatieve definitie is.
subonderdeel 2.3.1op af.
subonderdeel 2.3.2op stukloopt; de klacht gaat uit van een te beperkte lezing van rov. 5.11.
hierniet de in de beschrijving genoemde stand van de techniek van belang is voor het achterhalen van de uitvindingsgedachte, dan is sprake van een motiveringsgebrek, want dan is niet kenbaar gemaakt welke stand van de techniek dan is bedoeld.
onder 2.3.3 en 2.3.4falen nu zij uitgaan van een verkeerde lezing van het arrest. Het hof heeft helemaal niet geoordeeld dat de uitvindingsgedachte prevaleert boven de bewoordingen van de beschrijving. Het hof oordeelt in rov. 5.15 dat voor zover Resolution heeft beoogd te stellen dat nu de conclusies moeten worden uitgelegd in het licht van de beschrijving er dan geen plaats meer is voor het in aanmerking nemen van de uitvindingsgedachte, of althans de bewoordingen van de beschrijving moeten prevaleren, dat dat standpunt dan wordt verworpen. Als reden geeft het hof daarvoor dat bij uitleg in het licht van de beschrijving steeds het perspectief van de gemiddelde vakman bepalend is, in aanmerking nemend zijn algemene vakkennis, welk perspectief mede wordt bepaald door de uitvindingsgedachte. Dat dat laatste onjuist zou zijn (subonderdeel 2.3.4, 1e deel), deel ik niet – en werkt Resolution ook verder niet uit. Het gezichtspunt van de uitvindingsgedachte (hier, zoals we zullen zien: het vinden van een nieuwe groep statines, meer in het bijzonder rosuvastatine) bepaalt natuurlijk mede hoe de gemiddelde vakman tegen de uitvinding aan zal kijken.
duidelijkkenbaar (onder 18-21)? Er zijn bepaald kanttekeningen te plaatsen bij de in aanmerking genomen “non-afstandsindicates” van het hof (onder 22-24). Kan algemene vakkennis ter bepaling van de beschermingsomvang in het voordeel van de octrooihouder worden aangewend (onder 25-27)? Wordt een derde zo niet gedwongen het verleningsdossier te raadplegen (onder 27-29)? Hij meent dat het primaat van de conclusies in deze uitspraak “nog maar betrekkelijk weinig voorstelt” [65] en dat het hofarrest zich “wellicht enigszins gechargeerd laat samenvatten met de vuistregel dat de beschermingsomvang zich uitstrekt tot de uitvindingsgedachte, tenzij van
disclaimingsprake is.”
onder 2.4heeft het hof ten onrechte in rov. 5.20 en 5.22 de wil of bedoeling
van de aanvragerom van enige bescherming al dan geen afstand te doen een meedragende rol gegeven [67] .
onder 2.5probeert Resolution in wezen het debat in feitelijke instanties nog een keer over te doen. Daarvoor is in cassatie geen plaats.
onder 2.5.1 abegint ermee dat partijen niet gesteld hebben dat de in paragraaf 7 genoemde zouten op de prioriteitsdatum werden gebruikt voor statines; AstraZeneca c.s. hebben alleen gesteld dat die zouten de meest gebruikelijke zijn volgens deze klacht.
onder 2.5.1.awordt aangevoerd, het oordeel in rov. 5.7 en 5.19 dat de in paragraaf 7 genoemde zouten op de prioriteitsdatum voor de bereiding van de tabletvorm voor toediening van toen bekende statines werden gebruikt gelet op het partijdebat [69] niet onbegrijpelijk.
subonderdeel 2.5.1.aover het passeren van Resolutions stellingen over een zouttabel in een handboek (waaruit volgt dat in paragraaf 7 zowel gebruikelijke als ongebruikelijke zouten staan, terwijl andere relatief gebruikelijke zouten zouden ontbreken) en dat geen rekenschap is gegeven van Resolutions stelling dat eigenschappen van zoutvormen niet zijn te voorspellen, maar moeten worden onderzocht, vereist een mate van gedetailleerde motivering die geen steun vindt in ons recht; deze stellingen zijn kennelijk (feitelijk) impliciet gesneuveld in het licht van bijvoorbeeld de in de voor-vorige voetnoot bedoelde tegenargumentatie van de kant van AstraZeneca c.s.
subonderdeel 2.5.1.bgeldt iets overeenkomstigs. Het oordeel in rov. 5.14 en 5.28 dat de specifieke zoutvorm voor de biologische activiteit van statines niet relevant is [70] , is te begrijpen in het licht van de omstandgiheid dat de werkzame stof hier het anion is en de uitvinding daar op ziet, niet op specifieke zoutvormen. Dat het hof heeft gezien dat bepaalde zouten geschikter zijn dan andere, blijkt uit rov. 5.7. Van onjuistheid of onbegrijpelijkheid is hier geen sprake; de klacht gaat opnieuw uit van een mate van motivering die in ons recht niet wordt verlangd.
onder 2.5.2, 2.6 en 2.7kunnen dan ook niet opgaan, zodat die onbesproken kunnen blijven.
onder 2.5.2verder nog wordt betoogd (met argumentatie die neerkomt op een herhaling van zetten uit eerdere klachten), is in mijn optiek geen sprake en de rechtsklacht
onder 2.5.3mist feitelijke grondslag aangezien het hof niet heeft aangenomen dat de vakman zou twijfelen over de bedoelingen van de octrooihouder in deze.
onder 3.1 en 3.2dat het hof een onjuiste en met art. 69 EOV Pro strijdige uitlegmethode heeft gehanteerd door de letterlijke tekst van conclusie 1 tot uitgangspunt te nemen en vervolgens de afstandsleer toe te passen. Volgens het onderdeel is onverenigbaar met art. 69 EOV Pro en het Protocol om bij wijze van vertrekpunt uit te gaan van de bescherming die conclusies naar hun letterlijke bewoordingen bieden, om vervolgens aan de hand van de beschrijving te onderzoeken of de octrooihouder van die bescherming afstand heeft gedaan, hetgeen slechts dan zou mogen worden aangenomen indien daarvoor goede gronden bestaan.
onder 3.3dat voor zover het hof met de overweging in rov. 5.22
“anders gezegd, de gemiddelde vakman zou niet aannemen dat de octrooihouder er bewust voor heeft gekozen alleen de in paragraaf 7 genoemde zouten van rosuvastatine onder bescherming te stellen”dezelfde maatstaf heeft aangelegd als de “goede grond tot afstandsleer”, het hof is uitgegaan van eenzelfde onjuiste rechtsopvatting als waarover subonderdeel 3.2 klaagt.
Bayer/Sandoz.
overigens ook onafhankelijk van de goede grond voor afstands-leer op grond van hetgeen in rov. 5.14-5.24 is overwogen tot dezelfde conclusie zou zijn gekomen”. Volgens de klacht heeft het hof niet gemotiveerd waarom of hoe, anders dan via de afstandsleer, tot dezelfde conclusie zou zijn gekomen.
onder 3.1 en 3.2gaan volgens mij uit van een verkeerde lezing van het arrest, zodat zij niet tot cassatie kunnen leiden. Het hof heeft art. 69 EOV Pro juist toegepast door de beschrijving te hanteren om de conclusie uit te leggen [71] . Volgens het hof zal de gemiddelde vakman op basis van de (gehele) beschrijving en de (daaruit blijkende) uitvindingsgedachte (mede gehanteerd als gezichtspunt naast andere gezichtspunten) de conclusie niet beperkter uitleggen dan de algemeen geformuleerde zoutclaim, omdat hij paragraaf 7 niet als beperkende omschrijving daarvan zal opvatten maar anders, zoals bij de behandeling van onderdelen 2 en 3 is uiteengezet (zie m.n. het overzicht in 2.36).
ook onafhankelijk van de afstandsleertot dezelfde conclusie zou zijn gekomen langs de lijnen van hetgeen is overwogen in rov. 5.14-5.24. Materieel heeft het hof daarmee volgens mij per saldo langs de wel mogelijke route vanuit het gezichtspunt van de uitvindingsgedachte bezien of de gemiddelde vakman zou aannemen dat de zoutclaim uit de conclusie beperkt was tot de zouten genoemd in paragraaf 7 van de beschrijving (vgl. hiervoor in de algemene inleiding, voorlaatste zin en in 2.8, 2.19 en 2.21
in fine). Ook de passage uit rov. 5.22 dat “anders gezegd” de gemiddelde vakman niet aan zou nemen dat bewust is gekozen voor beperking van de zoutclaim tot de zouten genoemd in paragraaf 7 wijst daar op.
in fineen 2.16-2.28.
subonderdeel 3.3sluit aan bij de klacht uit subonderdeel 3.2 en gaat om de bij de behandeling daarvan aangegeven reden niet op.
subonderdeel 3.3is gericht tegen een niet dragende overweging (“anders gezegd”) en kan op grond daarvan al niet tot cassatie leiden, indien mijn analyse wordt gevolgd dat de eerdere klachten van onderdeel 3 niet opgaan. Voor de rechtsontwikkeling belangrijker is dat de motiveringsklacht over deze maatstaf, te weten dat de gemiddelde vakman niet aan zou nemen dat de octrooihouder er bewust voor heeft gekozen alleen de in paragraaf 7 genoemde zouten te willen beschermen, rechtens juist voorkomt en in de plaats zou kunnen komen van de afstandsleer, indien gehanteerd vanuit het perspectief van de gemiddelde vakman en met de uitvindingsgedachte als gezichtspunt, zoals ik heb betoogd in 2.6 e.v. en het hof in wezen ook heeft gedaan (zoals aangegeven in de algemene inleiding, voorlaatste zin en in 2.8, 2.19 en 2.21
in fine). Een motiveringsklacht tegen een juist rechtsoordeel gaat niet op.
subonderdeel 3.4kan evenmin slagen. Volgens vaste rechtspraak van Uw Raad (vgl. hiervoor in 2.5 met vindplaatsen) is de uitleg van octrooien zozeer verweven is met waarderingen van feitelijke aard dat deze uitleg in cassatie slechts beperkt kan worden getoetst. De uitleg die het hof in rov. 5.14-5.24 geeft aan het octrooi is ook zonder dat deze overwegingen worden geplaatst in de sleutel van de afstandsleer bepaald voldoende begrijpelijk en het hof hoefde dit naar ik meen niet nog nader te motiveren.
subonderdeel 3.4tegen de laatste volzin van rov. 5.22 (ook onafhankelijk van de afstandsleer zou langs de lijnen van rov. 5.14-5.24 tot dezelfde conclusie zijn gekomen dat paragraaf 7 van de beschrijving niet limitatief is bedoeld voor de zoutclaim uit de conclusie) kan volgens mij niet slagen, omdat deze passage zelfstandige betekenis mist naast de tevergeefs aangevallen eerdere passage uit rov. 5.22 bedoeld in subonderdeel 3.3 (anders gezegd: de gemiddelde vakman zou niet aannemen dat bewust is gekozen alleen de zouten uit paragraaf 7 van de beschrijving te beschermen, dus die paragraaf is niet limitatief bedoeld). Met het een en het ander bedoelt het hof klaarblijkelijk hetzelfde en ik gaf al aan dat dit volgens mij een juiste rechtsregel is die in de plaats kan komen van de afstandsleer die stamt uit de tijd van het wezen, waartegen niet met succes kan worden opgekomen met een motiveringsklacht.
4.1.1-4.1.3zie ik niet opgaan. Het oordeel over het achterhalen van de uitvindingsgedachte is feitelijk en niet onbegrijpelijk of innerlijk tegenstrijdig. Het hof maakt duidelijk dat de uitvinding ziet op rosuvastatine dat een HMG CoA-reductase remmende werking heeft die beter is dan die van mevinoline (een tot een eerdere generatie behorende statine), zie rov. 2.10 (“EP 471 heeft, anders dan de oorspronkelijke aanvrage waarin door middel van een zogenaamde Markush-formule een groep van verbindingen werd geclaimd, slechts betrekking op rosuvastatine.”) en rov. 5.5-5.7 (octrooi ontsluit 3e generatie statines, meer in het bijzonder rosuvastatine en in de beschrijving vindt de vakman geen aanwijzingen dat speciaal is gezocht naar geschikte zoutvormen); in rov. 5.8 wijst het hof de door Resolution voorgestelde uitvindingsgedachte af – daar gaat het in de aanloop in rov 5.5-5.7 om. De gemiddelde vakman zal zien dat de beschrijving na beperking vanuit de Markush-formule in de oorspronkelijke aanvrage tot alleen rosuvastatinezuur en farmaceutisch aanvaardbare zouten niet is aangepast, iets dat veel voorkomt in de octrooipraktijk. Daar vallen geen argumenten aan te ontlenen, zoals Resolution hier probeert.
onder 4.2niet slagen, zodat die geen bespreking behoeft.
subonderdelen 4.3.3 en 4.3.5) stuiten daar al op af. Ook de klacht uit
subonderdeel 4.3.1dat
AstraZeneca c.s.dit onvoldoende onderbouwd zouden hebben (sic), loopt daarop stuk.
onder 4.3.1begint ermee dat AstraZeneca c.s. eerst bij appelpleidooi zich erop hebben beroepen dat rosuvastatine marktleider is, dat Resolution daarop niet meer heeft kunnen reageren (en vervolgt ermee dat deze stelling door AstraZeneca c.s. niet voldoende is gemotiveerd, vgl. daarover 2.58
in fine).
subonderdeel 4.3.3.Dat succes is van veel meer factoren afhankelijk, bijvoorbeeld marketing en dit behelst volgens de klacht schending van art. 24 Rv Pro.
onder 4.3.5missen feitelijke grondslag, nu deze ten onrechte tot uitgangspunt nemen dat het hof zou hebben geoordeeld dat er sprake is van een “pioniersuitvinding”.
onder 5.1.1de rechtsklacht dat in rov. 5.29 en rov. 5.31 een onjuiste maatstaf is gehanteerd, omdat het hof volgens art. 75 lid 1 onder Pro c ROW 1995 en art. 123 lid 2 EOV Pro had moeten onderzoeken of andere zouten dan het natrium- en calciumzout en het zuur (op de R4 plaats in de Markush-formule uit de oorspronkelijke aanvrage) direct en ondubbelzinnig in de oorspronkelijke aanvrage zijn geopenbaard. Dat is een strenge test, dezelfde als voor nieuwheid.
added subject-matter), wat ertoe kan leiden dat een octrooi (partieel) wordt vernietigd (art. 138 lid 1 sub c EOV Pro en art. 75 lid 1 onder Pro c ROW). Het criterium om te beoordelen of er sprake is van toegevoegde materie is de
gold-standard,kort gezegd of de materie voor de gemiddelde vakman direct en ondubbelzinnig (
directly and unambiguously) in de oorspronkelijke aanvrage is geopenbaard [75] . Dat is inderdaad een strikte test. In Case Law of the Boards of Appeal of the European Patent Office (8th ed. 2016, p. 401) is deze maatstaf als volgt omschreven:
gold standard" (
G 2/10, OJ 2012, 376) for assessing compliance with Art. 123(2) EPC is the following; any amendment to the parts of a European patent application or of a European patent relating to the disclosure (the description, claims and drawings) is subject to the mandatory prohibition on extension laid down in Art. 123(2) EPC and can therefore, irrespective of the context of the amendment made, only be made within the limits of what a skilled person would derive directly and unambiguously, using common general knowledge, and seen objectively and relative to the date of filing, from the whole of these documents as filed (
G 3/89, OJ 1993,117;
G 11/91, OJ 1993, 125).”
intermediate generalisationvan toepassing zijn (vgl. Case Law, 2016, II.E.1.7, p. 439 e.v.), maar dat speelt hier helemaal niet. Er zijn geen geïsoleerde kenmerken uit een set oorspronkelijk in combinatie geclaimde kenmerken, zoals een specifieke uitvoeringsvorm uit de beschrijving, veralgemeniseerd in de vorm van een niet aan de vakman geopenbaarde combinatie van die geïsoleerde kenmerken. Resolution wil dit ophangen aan de Markush-formule uit de oorspronkelijke aanvrage met drie opties voor R4: waterstof, lagere alkylgroep of cation dat farmaceutisch acceptabel zout kan creëren – de eerste en de laatste betreffen categorieën die uit meerdere opties bestaan. Nu daarnaast de oorspronkelijke aanvrage zeven voorbeelden bevatte met in voorbeeld 1 rosuvastatine-natrium en in voorbeeld 7 rosuvastatine-calcium. De redenering is dan dat in de gewijzigde conclusie 1 met rosuvastatine-zuur en niet-toxische farmaceutisch aanvaardbare zouten in feite sprake is van een beperkte groep waarbij voor R1-R3 en X dezelfde specifieke keus is gemaakt als in voorbeelden 1 en 7 uit de oorspronkelijke aanvrage, maar waarbij voor R4 een andere of bredere keus is gemaakt. Dus de expliciete openbaarmaking uit voorbeelden 1 en 7 wordt gecombineerd met met de zeer brede openbaarmaking uit de Markush-formule, die voor de R4 positie ook andere mogelijkheden geeft, hetgeen niet is toegestaan. Maar met AstraZeneca c.s. (s.t. 14) acht ik dat gekunsteld. Er is hier geen sprake van veralgemenisering van het calcium- en natriumzout van rosuvastatine naar het zuur en de farmaceutisch aanvaardbare zouten: het invullen van rosuvastatine voor R1-R3 en X is geen veralgemenisering, maar één keuze, zonder beperking van R4 (die is algemeen gelaten, anders dan Resolution suggereert, vgl. dupliek onder 3; het weglaten van ht item lagere alkylgroep uit de lijst voor R4 is geen keuze in dit verband). Daarmee valt het doek voor de tweede rechtsklacht.
onder 5.1.2-5.1.6verschillende motiveringsklachten.
5.1.2tegen rov. 5.28 is met zoveel woorden een voortbouwende klacht op subonderdeel 2.5.1.b (“onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd op de gronden van subonderdeel 2.5.1.b”), die zoals hiervoor in 2.45 besproken niet opgaat. De louter voortbouwende vervolgklacht dat daarmee ook rov. 5.29 niet in stand kan blijven, gaat dan ook niet op.
subonderdeel 5.1.4is een voortbouwende klacht “op de gronden van subonderdeel 2.5.1.b” en deelt daarom hetzelfde lot.
onder 5.1.3missen feitelijke grondslag nu het hof het oordeel dat de gemiddelde vakman de zuurvorm en andere zoutvormen zou meelezen in de oorspronkelijke aanvrage niet (mede) heeft gebaseerd op de publicatie van Serajuddin en/of de verklaring van Spargo, zoals het subonderdeel veronderstelt.