Conclusie
tweede middelkomt op tegen de afwijzing van het aanhoudingsverzoek door de raadsman.
derde middelkomt op tegen de bewezenverklaring van feit 1 en 2. Volgens de steller van het middel kan uit de bewijsmiddelen niet volgen dat de verdachte gecommuniceerd heeft met de in beslag genomen telefoon die door het hof aan haar wordt toegeschreven, terwijl de overige bewijsmiddelen niets inhouden omtrent de betrokkenheid van de verdachte bij de gepleegde feiten. De bewezenverklaring is daarom niet naar de eis der wet met redenen omkleed.
vierde middelkomt op tegen de strafmotivering, in het bijzonder de overweging van het hof inhoudende dat de verdachte door haar handelswijze de slachtoffers niet alleen financieel nadeel heeft berokkend, maar tevens het vertrouwen van de slachtoffers bij het doen van aankopen via internet heeft geschonden.
eerste middel– dat de klacht bevat dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden – heeft de verdachte klaarblijkelijk onvoldoende belang, omdat naast dit middel slechts middelen zijn voorgesteld die aan de toepassing van art. 80a RO niet in de weg staan. [4]