“Voorts doemt dit beeld, deze modus operandi, vervolgens een maand later weer op ten aanzien van het verdachte onder 2 verweten feit. Immers, verdachte deinst er ogenschijnlijk niet voor terug kort na het verdachte onder 1 subsidiair verweten feit, waarover verdachte in eerste aanleg ter zitting heeft verklaard te zijn geschrokken en gevraagd heeft: 'Wat moet je met een wapen?', toch weer met [betrokkene 1] criminele activiteiten te begaan, waarbij wederom goederen moeten worden buit gemaakt en waarbij notabene voorts naar voren komt dat verdachte, ondanks dit fatale voorval, [betrokkene 1] vraagt daartoe een wapen te regelen en deze, naar achteraf blijkt, het wapen ophaalt waarmee het slachtoffer [slachtoffer] is beschoten.
Immers op 24 februari belt verdachte naar [betrokkene 1] en zegt dat hij morgen slecht gaat doen en dat ze die torrie mee moeten nemen, waarop [betrokkene 1] zegt dat hij die torrie gelijk gaat regelen.
[betrokkene 1] wordt de volgende dag, 25 februari 2013, aangehouden met een wapen dat hij bij [betrokkene 2] heeft opgehaald en waarvan is gebleken dat dit het wapen is waarmee [slachtoffer] is beschoten.
Als de verdachte [betrokkene 1] (daardoor) niet meer kan bereiken - gaat hij blijkens afgeluisterde telefoongesprekken zelf op zoek naar anderen, die hem bij zijn acties met een vuurwapen zouden kunnen bijstaan, waarbij hij op een gegeven moment aangeeft dat twee exemplaren van 'speelgoed' genoeg moet zijn.
(...)
Zoals hiervoor al aangegeven, is het hof dan ook van oordeel dat het geschetste scenario van de verdediging ten aanzien van het onder 1 subsidiair niet aannemelijk is geworden, maar acht het hof dit tevens ook hoogst onwaarschijnlijk en hecht ook geen geloof aan de door verdachte in dit verband afgelegde verklaringen.
Gelet daar op en gelet op hetgeen uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gekomen, zoals hiervoor is overwogen, en het door het hof gebezigde bewijs, in onderlinge samenhang bezien, alsmede het daaruit naar voren gekomen en hiervoor verwoorde gedrag van de verdachte in verband met de hem verweten feiten, kan het naar het oordeel van het hof dan ook niet anders dan dat verdachte en [betrokkene 1] het slachtoffer hebben willen beroven van speed, verdachte wist dat [betrokkene 1] daartoe een wapen zou meenemen, zij samen de bewuste ontmoeting met het slachtoffer te Rotterdam hebben gehad op 20 januari 2013, waarbij het slachtoffer in zijn auto is beschoten en vervolgens van zijn speed is ‘geript’.
Daar van uitgaande en onder verwijzing naar al hetgeen hiervoor is overwogen is het hof, indachtig de jurisprudentie van de Hoge Raad, van oordeel dat ook sprake is van medeplegen ten aanzien van alle drie de verweten en bewezen feiten. Daarbij is met name het vertoonde gedrag van de verdachte relevant zoals dat hiervoor is aangegeven. Het gaat dus om het gedrag van verdachte voorafgaande en tijdens het hem verweten feit 1 subsidiair maar ook en vooral het gedrag van verdachte kort na dit gepleegde feit in de aanloop en uitvoering van feit 2 en 3.
Aldus en in samenhang bezien met al hetgeen hiervoor is verwoord en als bewijs is gebezigd door het hof, is het hof van oordeel dat verdachte een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan deze hem verweten feiten en nauw en volledig heeft samengewerkt met zijn mededader(s).
Het hof is daarbij voorts van oordeel dat verdachte aldus voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer [slachtoffer] .
Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - zoals hier (gekwalificeerde) doodslag - is aanwezig indien de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit gevolg zal intreden. Het zal moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
Van belang in deze is dat verdachte en [betrokkene 1] voorafgaande aan de bewuste ontmoeting wisten dat het slachtoffer behoorlijk groot was en het voorkomen had van een bokser/zwaargewicht. Het is dan ook niet ondenkbeeldig dat het slachtoffer zich tegen het buit maken van de speed door verdachte en [betrokkene 1] zou kunnen verzetten. In het algemeen, maar zeker in een dergelijk geval, is het meenemen van een wapen bij dit buit maken dan ook bepaald niet ongebruikelijk en voor de hand liggend.
Dat, zoals in deze, bij een rip deal met een daartoe meegenomen wapen kan worden geschoten op het slachtoffer en deze daarbij dodelijk kan worden getroffen is een kans die naar algemene ervaringsregelen aanmerkelijk is te noemen.
De verdachte, indachtig hetgeen het hof hierover hiervoor heeft overwogen, die in de situatie waar hij wist dat [betrokkene 1] een wapen bij zich had en dat het de bedoeling was het slachtoffer van zijn speed te beroven, heeft aldus ook bewust, die aanmerkelijke kans aanvaard.”