Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
alleomstandigheden van het geval. Het wetsvoorstel vormt in deze zin een codificatie van de praktijk.
Parket bij de Hoge Raad
Deze zaak betreft de cassatie tegen het arrest van het hof ’s-Hertogenbosch dat het ouderlijk gezag van de moeder over haar dochter beëindigde. De dochter is sinds 2011 onder toezicht gesteld en geplaatst bij haar grootouders, die als pleegouders fungeren. De rechtbank en het hof oordeelden dat de moeder door haar ernstige persoonlijke problematiek niet in staat is de zorg en opvoeding binnen een aanvaardbare termijn te dragen, en dat er geen perspectief is op terugkeer van het kind.
De moeder voerde in hoger beroep en cassatie aan dat het hof het wettelijke criterium van art. 1:266 lid 1 BW Pro te strikt uitlegde, onvoldoende rekening hield met haar instemming met de plaatsing en dat minder ingrijpende maatregelen mogelijk waren. De Hoge Raad verwierp deze klachten, benadrukkend dat het belang van het kind bij stabiliteit en continuïteit zwaarwegend is en dat de beoordeling van de aanvaardbare termijn en het ontbreken van perspectief een discretionaire bevoegdheid van de rechter is.
De Hoge Raad bevestigde dat instemming van de ouder met de uithuisplaatsing een factor is, maar geen doorslaggevende, en dat de ambivalente houding van de moeder en het ontbreken van duurzame medewerking meespelen. De gezagsbeëindiging is in het belang van het kind noodzakelijk geacht, mede gelet op het belang van duidelijkheid over haar toekomstperspectief. Het cassatieberoep is verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de moeder wordt verworpen en het gezag wordt beëindigd ten gunste van de pleegouders.